Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

De teloorgang van de keuzestress

Op de wetenschapspagina van De Standaard stond gisteren een antwoord op de vraag waarom er dit jaar na een lange rit naar het zuiden zo weinig dode insecten op de autoruit zaten. Ik hoefde het antwoord niet te lezen, want ik wist het al, en als u een beetje heeft opgelet de afgelopen jaren, dan weet u het ook. ‘Komt het door het asfalt?’ vroeg de vragensteller. ‘Of door pesticide in de berm?’

Nee, was het antwoord van de navorser, het is veel banaler. Er zíjn gewoon minder insecten, niet alleen op de autostrade, maar overal. Hoewel er weinig onderzoek is gedaan, lijkt het erop dat in sommige delen van Europa het aantal insecten met de helft tot wel driekwart is afgenomen.

Ik dacht aan juni jongstleden, toen ik bij een tankstation in de Bourgogne met mijn kopje koffie op de stoeprand was gaan zitten. Ik verwachtte het beeld dat ik al jaren kende: naast me op de stoeprand zouden de plaatselijke mussen hun posities innemen, met goed zicht op de autoroosters vlak boven de voorbumper. Ze zouden zijdelings heen en weer trippelen, zoals ik ook doe als ik in keuzestress voor een buffet sta. Na wat dubben, zouden ze het smakelijkste insect uitkiezen en het vliegensvlug van het autorooster pikken, om vervolgens opnieuw een tijdje te dralen op de stoeprand. Dat proces zou zich herhalen, tot ik mijn koffie op zou hebben en met het rustgevende beeld van een weldoorvoede mus mijn weg zou vervolgen.

Maar deze keer lieten de mussen zich niet zien op de stoeprand. Onder het dak van het tankstation kwetterde een ploegje mussen, maar het waren er lang niet zoveel als andere jaren, en ze toonden geen enkele interesse in het lopend buffet van geplette muggen op de grill.

Aan de voet van een vuilbak verderop, lieten de mussen zich de kaas van het brood eten door een dikke spreeuw. Ze deden zich tegoed aan de kruimels en zochten amechtig naar een bijpassende bron van proteïne

Ik bestudeerde ons autorooster: er zaten twee vette muggen op, een paar halve vleugeltjes en een stel vlekjes waarvan alleen een mus zou kunnen beoordelen of het de moeite van het opeten waard was. Ik monsterde de auto naast ons en daarnaast en daarnaast: overal was de muggenscore karig. Ik stelde me een lopend buffet voor met afgekloven kippenpoten en donker uitgeslagen pudding. Ook ik zou mijn heil gaan zoeken bij de kebabzaak verderop.

Het grote probleem met de voedselketen is dat het een keten is. Elk schakeltje dat je wegneemt, heeft gevolgen voor de volledige ketting. Minder insecten, betekent minder eten voor vogels, vleermuizen, padden, kikkers en uiteindelijk ook voor mensen.

Dus denk even aan die ooit zo weldoorvoede Bourgondische mussen als u weer eens een tuin betegelt of uw geld uitgeeft aan intensieve landbouw. En denk aan uw nageslacht en wat er van hun keuzestress aan het buffet overblijft als de insecten defintief verdwijnen.

Dit Middagjournaal las ik op dinsdag 12 september voor in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1. 

Rottige roadmovie

Er is een beruchte film die velen van ons al meer dan eens gezien hebben. Namelijk, de film die je ziet als je auto tijdens het rijden een raar geluid maakt. Je hoort geschraap of je ziet het wijzertje van de snelheidsmeter langzaam zakken en je schrikt je te pletter. Je zoekt een veilig heenkomen en nog voor je de handrem hebt aangetrokken, is er een film begonnen waarin de dag volkomen in de soep loopt.

Gisteren zag ik die film weer eens. We reden op een rondpunt net over de grens met Nederland, mijn man zat achter het stuur, ik was co-piloot. Ineens steeg er een luid geraas op uit de auto. De film begint gelukkig nooit voordat je je veilig waant, maar de weg was rustig, we waanden ons veilig, dus de film begon direct. Ik zag op groot scherm hoe we uren bezig zouden zijn om met zondagse bus- en treintijden van een dorp in Nederland naar Leuven te komen, ik zag hoe ik mijn knieën tegen elkaar drukte omdat ik naar de wc moest en hoe ik mijn werk nooit zou afkrijgen als ik niet snel thuis zou zijn. Onderin het scherm tikte een teller het saldo van mijn bankrekening af naar nul. Aan het einde van de film verscheen er een grijnzende garagist in beeld en hoorde ik mijn man de handrem aantrekken. Zijn blik verraadde dat bij hem de film nog bezig was. Bij de aftiteling begon hij te jeremiëren en ik deed mee.

We stapten uit, inspecteerden de uitlaat en de wielen, zagen niks en gingen weer in de auto zitten. Zuchtend pakte mijn man het kaartje van Wegenhulp Buitenland en hij tikte het telefoonnummer in.
De film trok opnieuw aan me voorbij en mijn maag begon te rammelen. Alles in mij was in verzet. ‘Wacht!’ zei ik, vlak voor hij verbinding zocht. Want dat is het effect van zo’n beeldenstroom, je denkt: wacht eens even! Dit is niet de bedoeling!
‘Rij nog eens naar achteren.’ Ik zei het alsof ik exact wist wat ik wilde bereiken. Mijn man startte de auto: we hoorden geen geschraap. Dat was mooi. Toen hij naar achteren reed, klonk er wel geschraap, en naar voren ook.

‘Het zit niet in de motor,’ zei ik. ‘Laten we toch nog eens kijken bij de wielen.’ We stapten uit, keken, voelden en fronsten, tot mijn man ineens onbedaarlijk begon te lachen. Hij wees op de nummerplaat die aan de voorkant nog maar met één schroef aan de auto hing en met een punt over de weg schraapte.
Ik lachte mee, maar zonder overtuiging. Die rottige roadmovie die ik net had gezien, zat in de weg. Het zou fair geweest zijn als de film achteruit zou spoelen en al mijn ‘o nee!-gevoelens’ weer zou opslorpen, net zolang tot ik mij weer volledig senang zou voelen. Maar zo werkte het helaas niet. De rest van de dag stond mijn adrenalinepeil op standje ‘er iets vre-se-lijk misgegaan’.

Ze zeggen weleens dat in de laatste seconden voor je doodgaat het leven als een film aan je voorbij trekt. En hoewel deze film in de toekomst speelde, stel ik me die finale film ongeveer zo voor: een beeldenbombardement met het onverbiddelijke gevoel dat er iets vreselijk is misgegaan. En dat het enige dat ik dan kan uitbrengen, is: ‘Wacht! Rij nog eens naar achteren!’
In de vurige hoop dat het ook dan slechts de punt van de nummerplaat is die over de weg schraapt.

Dit Middagjournaal las ik op donderdag 14 september voor in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1. 

Waarom zou je een klootzak willen zijn?

Het gaat slecht met de politieke correctheid. Was het een mens, dan zat het fenomeen dezer dagen opgesloten in de donkere kerker van de Hardvochtigen, met schimmel op de muren en een zak over het hoofd. Terwijl het toch vooral een kwestie is van geen klootzak te zijn tegen mensen die toch al moeite hebben om een volwaardige plaats in de maatschappij te verwerven. Of zoals het in Van Dale wordt beschreven: ‘Politiek correct wordt gezegd over (taal)uitingen die in overeenstemming zijn met het politieke streven om historisch achtergestelde groepen (vrouwen, homo’s, minderheden) te emanciperen.’

De Hardvochtigen zullen de Van Dale beschuldigen van politieke correctheid. Want dat is het aardige van het in diskrediet brengen van politieke correctheid: je hebt verder geen argumenten meer nodig. Je kunt elke reden om rekening te houden met achtergestelde groepen, afdoen met hetzelfde argument: ja maar dat is politiek correct. Wetenschappers die aantonen dat het zinvol is om rekening te houden met achtergestelden? Dat zijn politiek correcte wetenschappers. Deskundigen die beweren dat evenwichtige beeldvorming essentieel is voor een veilige samenleving? Politiek correcte deskundigen. Politici die denken dat het goed is om historische achtergestelde groepen niet verder in de verdrukking te brengen door uitsluitingstaal? Politiek correcte politici. Mensen die het redelijk eenvoudige principe van rechtvaardigheid en evenwichtige beeldvorming nastreven, krijgen steeds weer een bijtend: doe toch niet zo rechtvaardig! Het is een escheriaanse fuik, je zwemt er altijd in.

De Nederlandse krant Algemeen Dagblad plaatste na de aanslagen in Barcelona in grote letters op de voorpagina: ‘Weer Marokkanen! Toeval?’ Een deel van de Nederlanders zette daar vraagtekens bij: een retorische vraag op de voorpagina? Zonder context? In een kwestie die zorgvuldigheid vereist? In de krant met het grootste bereik van het land? Bij een groep die toch al voortdurend wordt ontmenselijkt? De familie Hardvochtigheid riep weer eens: politiek correcte kritiek! Je mag ook niets meer zeggen! Vrijheid van meningsuiting!

Terwijl de subliminale boodschap van die voorpagina niet mis te verstaan was: het is geen toeval dat het Marokkanen zijn. ‘Dan moeten ze het artikel maar lezen’, zeiden de Hardvochtigen, ‘daar stond de context’. En dat klopt, het artikel beschreef hoe het gevoel van eenheid onder Marokkanen niet erg groot is, waardoor religieus shoppen sneller leidt tot radicalisme en – o ironie – dat Marokkanen zich meer dan andere groepen buitengesloten voelen. Al deze gegevens waren informatiever geweest dan het badinerende ‘Weer Marokkanen! Toeval?’ Van de meer dan 2 miljoen lezers die dagelijks AD online en op papier onder ogen krijgen, scant het merendeel de koppen zonder de stukken te lezen. Bij die mensen werkt zo’n kop subliminaal: altijd maar weer die Marokkanen!

Een week later verscheen er in de Volkskrant en De Morgen een uitgebreid artikel waarin hetzelfde onderwerp werd aangesneden: waarom waren bij recente jihadistische aanslagen relatief veel mannen van Marokkaanse komaf betrokken? Deze dagbladen kozen ervoor om het onderwerp niet zonder context op de voorpagina te promoten, om geen retorische spelletjes te spelen met ons brein en om het risico op negatieve stereotypering zo klein mogelijk te houden. Geen haan die ernaar kraaide, de redactie waarborgde het recht op bescherming tegen ophitsing én de vrijheid van meningsuiting. De auteur maakte min of meer dezelfde analyse als het AD, maar voegde ook nog toe dat Amerikaanse terrorismeonderzoekers hadden ontdekt dat de antimoslimretoriek in Belgische en Franse politiek en media leidt tot een grotere kans op radicalisering. Waarmee de AD-kop een droste-effect van jewelste oplevert, want door dit soort koppen wordt het natuurlijk steeds minder ‘toeval’.

In 1986 spraken journalistenverenigingen wereldwijd af dat ze niet alleen journalistieke principes als zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en evenwichtigheid zouden hanteren, maar dat ze zich ook bewust zouden zijn van het gevaar van door media verspreide discriminatie, en dat ze al het mogelijke zouden doen om discriminatie te voorkomen. Dat was rijkelijk laat, want in 1948 werd in artikel 7 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens niet alleen wettelijke gelijkheid opgenomen, maar ook het recht op ‘beschermd worden tegen achterstelling en ophitsing’. Pas 38 jaar later vonden journalisten het nodig om die verantwoordelijkheid met een collectieve handtekening te bezegelen. De door de Hardvochtigen zo bruusk in de kerker gesmeten politieke correctheid is dus niets anders dan een mensenrecht dat met een zak over het hoofd nog net kan piepen: waarom zou je eigenlijk een klootzak willen zijn?

Deze column verscheen op vrijdag 8 september 2017 in De Standaard.

Reservaat voor de echte man

Handelaars die een bordje met het opschrift ‘no women’ aan de deur grappig vinden, zijn blind voor de strijd die veel vrouwen dagelijks voeren om gelijk behandeld te worden, schrijft Maartje Luif.

‘Veel vrouwen van onze klanten vinden ons principe juist grappig. En wij blijven daarachter staan: in onze zaak moet een man zich écht man kunnen voelen, zonder de aanwezigheid van een vrouw.’ Dat zei een kapper in Ternat, nadat hij een klacht had ontvangen wegens discriminatie van een vrouw die wilde wachten terwijl haar zoon werd geknipt, maar weg werd gestuurd omdat ze een vrouw was (DS 8 juli).
In zijn reactie zitten drie misvattingen verborgen.
1. Als vrouwen het zelf leuk vinden, kan het toch geen discriminatie zijn? Daarmee gaat de barbier voorbij aan de culturele variant van het stockholmsyndroom waar vrouwen aan lijden. Onze blik is al eeuwenlang gegijzeld door mannen. Hoe we de wereld bekijken, wat we belangrijk vinden, hoe we onszelf zien en waar we al dan niet om moeten lachen: het is allemaal geworteld in een maatschappij waarin het van oudsher van weinig belang was hoe vrouwen naar de zaken keken.
Er zijn tijden geweest dat vrouwen het logisch vonden dat ze geen recht van spreken hadden. Zo was het voor mijn oma vanzelfsprekend dat ze wettelijk handelingsonbekwaam werd toen ze trouwde, waardoor mijn opa zeggenschap kreeg over haar geld en haar beslissingen. De instemming van een vrouw duidt op zichzelf dus helaas niet op gelijkheid.
2. Mannen moeten onder elkaar kunnen zijn wanneer ze maar willen. Dat klopt, thuis mag je vrouwen aan de deur tegenhouden. Maar als je onder de wet op de handelszaken valt, geldt het recht op gelijke toegang en gelijke behandeling. Dankzij dat soort wetten mogen we zwarte mensen niet achterin de bus laten plaatsnemen alleen omdat ze zwart zijn, mogen we joden niet uit het café weren omdat ze jood zijn, en als we een huurwoning weigeren aan een Marokkaan om het eenzame feit dat het een Marokkaan is, dan worden we beboet. Dankzij die wettelijke gelijkheid mocht mijn moeder toen ze trouwde over zichzelf beschikken, en in het verlengde daarvan mag je een vrouwelijke klant niet langer anders behandelen dan een mannelijke, als de enige reden die je aanvoert is dat ze een vrouw is.
Om eeuwenlang ingesleten patronen van macht en uitsluiting in te tomen, zijn er wetten nodig die de cultuur bijsturen. Je zou kunnen zeggen dat de wet nu te strikt is, maar die onverschillige houding is vooral een mannelijk voorrecht. Veel vrouwen moeten nog dagelijks strijden om gelijk behandeld te worden, die kunnen het zich niet veroorloven om met de tondeuse in de ene hand en een pint in de andere de wet terzijde te schuiven. Alleen mannen en vrouwen met weinig historisch besef, die cultureel aan de winnende hand zijn en die zelf nergens last van hebben, zullen volhouden dat die gelijkheid niet wettelijk gewaarborgd hoeft te worden ten koste van een grappig concept.
3. Er zouden plekken moeten zijn waar mannen nog écht man kunnen zijn. Wat een échte man is, is zodanig aan discussie onderhevig dat het maar goed is dat ‘het recht op een reservaat voor de echte man’ wettelijk van geen betekenis is. Maar daarnaast is de opvatting dat een echte man alleen zichzelf kan zijn zonder vrouwen in de buurt, bekrompen, zelfvervullend en daarom gevaarlijk. Wanneer je ervoor kiest om behalve de vormgeving van een barbiersconcept ook de opvattingen over man-vrouwverhoudingen mee te nemen uit de jaren stillekes – bijvoorbeeld het idee dat je met vrouwen erbij niet over voetbal, motoren en geile dingen kunt praten – dan heb je niet alleen een ouderwetse opvatting over vrouwen en hun smaak, maar je draagt ook bij aan het in stand houden en het verspreiden van die opvatting.
Rollenpatronen hebben de akelige eigenschap zichzelf te versterken. Omdat van een vrouw niet wordt verwacht dat ze over geile dingen praat, zal ze sneller besluiten maar niet over geile dingen te praten, zelfs als ze dat zou willen. Als je je dochter leert dat voetbal iets is voor jongens, dan zal ze stevig in haar schoenen moeten staan om van dat beeld los te komen. Daarmee maak je het moeilijk voor alle vrouwen die al meer dan een halve eeuw sleutelen aan dat uitermate tuttige vrouwbeeld dat de boventoon voert. In het economisch verkeer mogen je afkomst, je seksualiteit en je geslacht geen reden zijn om je de toegang te weigeren. Dat een handelaar daarom soms dingen moet laten die hij grappig vindt, is de prijs die hij betaalt voor het recht op gelijke behandeling voor iedereen.

Dit opiniestuk verscheen op maandag 10 juli 2017 in De Standaard.

Check je privilege

Je zag ze de afgelopen weken weer veel passeren, de ‘je mag ook niets meer zeggen’-adepten. Bij gelijkheidskwesties zijn ze er als de kippen bij om het debat te herleiden tot ‘je mag ook niets meer zeggen’ en ‘willen die politiek correcte zuurpruimen nu ook al onze toogpraat/whatsappgesprekken/locker-room-talk censureren?’
Hoewel er niemand is die zegt dat je niets meer mag zeggen, is het steevast de stok om mee te slaan: mag ik dan helemaal geen grapjes meer over vrouwen maken? Mag ik dan nooit meer ‘neger’ zeggen? Mag ik me dan nergens meer mee bemoeien, omdat ik een voorkeurspositie heb? Als witte? Als man? Als christen?
Het doet me denken aan het antwoord dat papa en mama Luif gaven toen ik vroeg over welke nationaliteiten je wel grapjes mocht maken en welke niet. Wat mijn ouders mij toen op het hart drukten, zou je in modern antidicriminatiejargon kunnen formuleren als: check je privilege.
In kinderjargon kwam het erop neer: kies iemand van de eigen leeftijd, ga nooit door als de ander het niet leuk vindt, en als je twijfelt over de verhoudingen, dan laat je de mopjes over kinderen met rood haar over aan de kinderen met rood haar, Joodse mopjes aan Joodse klasgenootjes en grappen over Turken aan Turkse kinderen. Zij kunnen beter beoordelen of een grap echt leuk is.
De persvoorlichter van uitgeverij De Standaard zou de uitgangspunten der moppentapperij van papa en mama Luif de afgelopen week goed hebben kunnen gebruiken. Ze vergeleek de karikatuur van de zwarte man met de veel te grote lippen in de nieuwe Suske en Wiske met de karikatuur van Lambik, die toch ‘ook geen prototype van de Vlaamse man was’, waarmee ze in één zwiep haar excuses minder waard maakte én de vloer aanveegde met de wet van vader en moeder Luif: check je privilege.
Ook in deze krant neigde een redacteur ertoe om met kwinkslagen de luxe van zijn voorkeurspositie in de verf te zetten (DS 22 juni). Hij ging op zoek naar het antwoord op de vraag of vrouwen nu wel of niet nagefloten willen worden, maar laveerde van grap naar kwinkslag, en van belediging naar minimalisering van het probleem.
Had hij de lessen van vader en moeder Luif over de betere mop meegekregen, dan zou hij zijn privilege hebben gecheckt bij de ludieke toevoeging dat er onder zijn bronnen ook vrouwen zijn ‘met onverdachte intelligentie’. En bij de vraag ‘Hebt u ooit Koen Wauters horen klagen over de opdringerige aandacht van vrouwelijke fans?’, zou hij direct hebben gedacht aan het gebrek aan gelijke uitgangspositie tussen mannen en vrouwen. Het antwoord op de vraag of je van de catcallingkwestie één grote aaneengesloten grap moet maken, was direct beantwoord geweest.
Het radicaal-rechtse Nederlandse parlementslid Thierry Baudet maakte het afgelopen maandag in De Afspraak helemaal bont. Na een confrontatie met zijn opmerkingen dat vrouwen nu eenmaal minder excelleren in bepaalde beroepen en meer van familiedingen houden – ‘Dat is gewoon zo!’ – klaagde hij: ‘Maar we zijn met zijn allen wel heel snel verontwaardigd, en dingen zijn wel erg snel taboe. Het debat wordt versmald en dat is slecht voor de democratie.’
Zijn reactie laat goed zien hoe moeilijk het is om als privilegieerde los te komen van de in steen gehouwen standaard. Want kritiek op de maat der dingen van de bevoorrechte is niet de grens van dat debat, die kritiek ís het debat. Maar juist die bevoorrechten kunnen vaak moeilijk afscheid nemen van wat de publieke opinie was toen zij het voor het zeggen hadden. Andere perspectieven niet willen zien, is bij uitstek een privilege van de bevoorrechten.
Dat gebrek aan oog voor machtsverhoudingen kan ook gevaarlijk zijn, want, zo schreef hoogleraar sociale psychologie Naomi Ellemers vorige week in de Volkskrant: seksistische grappen zijn vaak niet onschuldig. Vooral wanneer die grappen worden gemaakt door iemand met een bevoorrechte positie, duiden ze vaak op een verziekte cultuur waarin daadwerkelijk strafbare zaken als verkrachting en intimidatie meer voorkomen en minder erg worden gevonden.
‘Misschien had ik het niet moeten zeggen’, zei Baudet in De Afspraak over zijn seksisme, en dat was het enige zinnige dat er die avond uitkwam. Inderdaad Thierry, zouden vader en moeder Luif adviseren, check je privilege en bij twijfel zeg je gewoon niets.

Deze column verscheen op vrijdag 30 juni 2017 in De Standaard

U heeft altijd gelijk

Het maakt niets uit wat ik hier ga schrijven, u heeft namelijk al een mening. U gelooft wat u gelooft, daar kan geen lieve moeder iets aan veranderen. Dat kunt u verder niet helpen, we lijden er allemaal aan. Er zijn weinig fenomenen in de psychologie zo onbetwist als de confirmation bias: de onbewuste hang naar het Grote Gelijk. Het schijnt zelfs zo te zijn dat we – ongeacht de feiten – alleen dát willen geloven wat onze positie in de groep niet schaadt, vermoedelijk omdat we er evolutionair geen belang bij hadden om door zoiets onzinnigs als ‘de feiten’ verstoten te worden. Door de bedrading van ons brein zien we de bewijzen eenvoudigweg niet als we daarmee onze plaats in de groep riskeren. Het is trouwens nog erger, want u denkt al sinds het begin van deze column te weten wat ik wil zeggen. Het maakt dus niets uit of ik hier zinnige dingen schrijf, de kans dat u na de titel en – vooruit – de eerste zin nog erg veel meekreeg is gering.
U vindt dus niet alleen wat u toch al vond, u beperkt zich ook nog eens tot de eerste indruk én u vindt vooral dezelfde dingen als de mensen die belangrijk voor u zijn, zelfs wanneer de feiten het tegendeel bewijzen, want feiten kun je niet eten, ze zullen niet voor je zorgen en je kunt er ook geen kinderen mee maken. Tot zover het nut van feiten.
U bent vooringenomen als de pest en ik ben uiteraard geen haar beter. Als ik research doe voor deze column, dan zoek ik bewust en onbewust de juiste informatie bij mijn al bestaande wereldbeeld, ik draai u en mezelf een rad voor ogen door de zweem van rationaliteit die ik over mijn argumenten leg. En zelfs al leid ik het kluizenaarsbestaan van een kinderloze schrijver, waardoor ik me vanzelf grotendeels onttrek aan de directe interactie met een groep, ik ben tegen wil en dank toch bedraad als was ik een oermens met een levensverwachting van 35 jaar en een grote behoefte aan iemand die ’s nachts het vuur brandende houdt.
Daar komt bij dat, zelfs als je de voorkeur voor bevestiging in de gaten hebt, dat nog niet wil zeggen dat je je brein om de tuin kunt leiden. Je bent immers voor eeuwig gevangen in de grijze massa die de evolutie voor je heeft klaargelegd.
In dat licht is de kans groot dat veel links georiënteerde mensen het geregeld eens zijn met wat ik zoal op deze plek beweer, terwijl rechtse mensen elke twee weken bij de titel en de eerste zin afhaken of geërgerd verder lezen om hardnekkig te blijven vinden dat ik ongelijk heb.
Het is om moedeloos van te worden, zeker wanneer je bedenkt dat de stellingenoorlog die dat oplevert onvermijdelijk leidt tot een competitie in het Grote Gelijk. Vandaag over een week is het een jaar geleden dat die neiging tot armpje drukken resulteerde in de Brexit, drie jaar geleden leverde die winner takes all-mentaliteit ons een centrumrechtse Vlaamse en een centrumrechtse federale regering op en de roep om referenda (Europa! Circulatieplan!) wordt steeds luider, terwijl dat bij uitstek wedstrijdjes zijn waarbij een grote groep bevooroordeelde mensen een andere grote groep bevooroordeelde mensen rauwelings afscheurt van zijn wereldbeeld en toekomstdroom.
De vraag is waarom we, als de bewijzen voor onze voorkeur voor bevestiging zo overweldigend zijn, niet per definitie streven naar compromissen die recht doen aan onze genetische loopgravenoorlog.
Toen ik een jaar of achttien was schreef ik in mijn dagboek: ‘Bewust zijn is het halve werk.’ Bij nader inzien is dat flauwekul, want dankzij mijn groepsgestuurde behaagzucht is het hooguit een fractie van het werk. Maar het is wél het enige dat ons te doen staat: bij alle informatie die we tot ons nemen of zelf verspreiden, bedenken dat we allemaal arme stakkers zijn in de houdgreep van ons kuddebrein. Geen enkel debat, geen enkel medium, geen enkel politiek besluit is vrij van de onverzoenlijkheid van onze hersens. Dat te weten zou ons nederig moeten stemmen. We kunnen doorpolariseren tot we een ons wegen, daar is ons zenuwstelsel immers uitermate geschikt voor, maar we kunnen beter direct op zoek gaan naar het compromis, want we hebben toch allemaal gelijk.

Deze column verscheen op vrijdag 16 juni 2017 in De Standaard.

De parade van vieze mannen

We waren nog lang geen jonge vrouwen, we waren meisjes zonder borstjes die wekelijks een vergadering belegden onder het klimrek. Daar bespraken we wie zich onze beste vriendin mocht noemen, we beklaagden ons over de stinkbommetjes die ons ten deel vielen en we vertelden over de vieze mannen die ons pad kruisten. De verzamelnaam ‘vieze mannen’ volstond binnen onze actieve woordenschat van vervelende buurvrouwen, strenge leraars en zeurende moeders. Vieze mannen hoorden bij het leven, net als fietsen in de regen of ruzie met je zus.
Zo was er de coach van de turnclub die bij de handstand je bovenbeen altijd zó dicht bij je liezen vastpakte dat je de warmte van zijn vingers tegen je schaamlippen voelde, er was de man die langs de route van bus 8 woonde en zich geregeld voor het raam stond af te trekken, er was de grote broer van een klasgenoot die luidop verslag deed van ontluikende tietjes op de speelplaats en er was de neef van een vriendinnetje die alle meisjes die hij tegenkwam in het kruis greep. De parade van vieze mannen was schier eindeloos, maar het woord machtsverhouding konden we slechts met grote inspanning foutloos spellen.
In het middelbaar waren we bijna jonge vrouwen en de vieze mannen kregen steeds vaker namen. De vergadering onder het klimrek vond voortaan plaats onder het poortje om de hoek, waar we stiekem rookten en mekkerden over tussenuren, kalverliefdes en steeds viezere mannen. De turncoach plantte inmiddels zonder omhaal zijn onderarm onder onze jonge borsten, zodat we er een salto omheen konden draaien, en naarmate we hoger afsprongen, vond hij meer redenen om ons met ongepaste grepen op te vangen. De verjaardagsfeestjes van de vriendin met de nietsontziende neef werden slecht bezocht, want de neef was groter geworden en zijn kruisgreep indringender. Bij het uitgaan knepen mannen in mijn borsten als ik met mijn handen vol glazen voorbijkwam, en de potloodventers veranderden in kerels die aan mijn bagagedrager trokken en me van mijn fiets sleurden. Een klasgenoot dreigde te blijven zitten, omdat ze zich geen raad wist met de leraar die de antwoorden op haar vragen richtte tot de spleet tussen haar borsten. We begrepen steeds beter wat machtsverhoudingen betekenden.

Twintig jaar na het klimrek leunden we met onze boezem op de stamtafel. We waren jonge vrouwen en de meeste vieze mannen hadden namen. Het was de docent die ongevraagd mijn schouders begon te masseren, de stagebegeleider die élke dag liet weten dat ik zo’n leuk shirt aan had en mijn baas die dacht me een plezier te doen met een compliment over mijn tepels. We schreven eindwerken over machtsverhoudingen, maar niettemin waren we machteloos.
We werden betast, bevraagd, verleid en belaagd door naasten en naamlozen, maar het bewustzijn stopte bij de onzichtbare muren van ons klimrek, ons poortje, onze stamtafel. Natuurlijk waren er inmiddels grote woorden voor wat wij meemaakten. Er kwamen ethische commissies, het woord seksueel grensoverschrijdend gedrag werd gemeengoed en tuchtprocedures en speciale telefoonnummers moesten de problemen oplossen. Maar in mannenbladen werd met geen woord gerept over ongewenste seksuele toespelingen, alleen de badmeester werd openlijk tot de orde geroepen en geen enkele vieze man had ooit sorry tegen ons gezegd.
Vieze mannen waren tot mijn dertigste een constante in mijn leven en in dat van mijn vriendinnen. Wij praatten erover, zoals Sensoa adviseert. Wekelijks deelden we getuigenissen, waarschuwingen en schuldvragen. Maar zij? Praatten zij er wel over? Want als vieze mannen in zoveel levens een deel van het meubilair zijn, dan betekent dat onherroepelijk dat er andere mensen zijn die het leven leiden van de vieze man. Dat zijn niet allemaal slechte mensen, integendeel, maar het zijn wel mensen die nog te weinig klimrekconferenties over seksueel overschrijdend gedrag hebben bezocht, mensen die zichzelf tot de orde moeten roepen, mensen die zich bewust zouden moeten worden van hun machtspositie.
Want je mag best per ongeluk aan mijn borst komen, zoals je ook op mijn teen mag gaan staan, maar doe niet alsof het niet gebeurd is en je geen sorry hoeft te zeggen, want dan verdenk ik je ervan dat je je positie misbruikt om zonder schroom een vieze man te zijn. En in dat geval veracht ik je.

Deze column verscheen op vrijdag 2 juni 2017 in De Standaard.