Columns

Met veel plezier schrijf en schreef ik columns voor allerlei opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

  • Columns

    Een illusie armer

    De nieuws­si­te voor personeel van de Vlaamse overheid, 13, bracht een jaar­ma­ga­zi­ne uit. Ik schreef er een column voor.  Ter ere van mijn ver­hui­zing van Nederland naar België orga­ni­seer­de ik tien jaar geleden een afscheidsquiz voor mijn Amster­dam­se vrienden. Een van de vragen was: hoeveel rege­rin­gen heeft België? Zelf wist ik dat omdat ik in de slip­stream van ‘hoe bevries ik mijn pensioen als ik emigreer?’ ook even de uit­voe­ren­de macht van België had gegoogeld. Het aantal rege­rin­gen verbaasde me en de ultieme quizvraag was geboren. Op de quizavond zelf bleef het antwoord uit, waarna ik sar­do­nisch in mijn vuistje lachte, mijn vrienden een afscheids­kus gaf, mijn biezen pakte en mijn rommel over de grens zette. Aan mijn nieuwe Vlaamse vrienden stelde ik later dezelfde vraag: hoeveel rege­rin­gen heeft België? Ze keken onver­wacht glazig – vier? drie? zeven? – en ver­trok­ken ver­vol­gens naar de wc om te googelen. Het bleek een van de illusies die ik koesterde over de Belgen: naast de illusie dat ze allemaal min of meer tweetalig zouden zijn, dacht ik dat ze hun eigen staats­struc­tuur wél begrepen. Het duurde niet lang voor ik in de gaten kreeg dat ik met mijn inten­sie­ve cursus Frans menig Vlaming onder…

  • Columns,  Stukjes in het wild

    Na 96 uur debat­te­ren

    Eén ding had ik me voor­ge­no­men toen ik het Zwarte Pieten‐stuk schreef: het gaat niet om mijn gelijk, het gaat überhaupt niet om mij, het gaat om het bewust­zijn dat er uit­slui­tings­me­cha­nis­men zitten in ‘klei­nig­he­den’ als Zwarte Piet en dat een beetje omzich­tig­heid in col­lec­tie­ve uitingen dús op zijn plaats is. Dat uit­gangs­punt – het gaat niet om mijn gelijk – had tot gevolg dat ik álle gesprek­ken aan moest gaan, het ging mij er immers niet om dat de ver­schil­len­de groepen op een eilandje hun mid­del­vin­ger naar elkaar zouden opsteken, maar dat er in de samen­le­ving een vleugje bewust­zijn door­dringt van de problemen die ste­reo­tie­pe beeld­vor­ming oplevert. Dat doe je niet door te zeggen: ja doei, rot maar op met je andere mening, maar door zo open mogelijk het gesprek met elkaar aan te gaan. Er waren vier problemen bij dat open gesprek: De Neder­lan­ders Er zijn veel Neder­lan­ders onder mijn volgers die over het algemeen een veel beter, breder, langer en door­wroch­ter debat achter de rug hebben. Voor hen was mijn stuk een herhaling van zetten en ik denk zelfs dat ze de indruk kregen dat ik ter eigener eer en glorie nog eens een paar zetten terugging. Simpelweg omdat…

  • Columns

    Zwarte Piet is wel een probleem

    Wie Zwarte Piet afdoet als ‘geen probleem’, heeft een probleem, schrijft Maartje Luif: het probleem van het witte privilege. ‘Volkomen overbodig, dat Pie­ten­pact’, zei N‐VA‐voorzitter Bart De Wever zaterdag bij de aankomst van Sin­ter­klaas in Antwerpen. De neiging negatieve ste­reo­ty­pe­rin­gen af te doen als ‘geen probleem’ zie je niet alleen bij politici, maar ook in de talloze dis­cus­sies op sociale media. Ik verbaas me over de ont­ken­ners. Laat ik hun argu­men­ten even overlopen. ‘Maar Zwarte Piet is toch zwart van het roet en dus niet racis­tisch?’ Op dat punt zijn de rangen niet gesloten. Jazeker, er zijn onder­zoe­kers die beweren dat er geen con­nec­ties zijn tussen Zwarte Piet, het sla­ver­nij­ver­le­den en koloniale onder­druk­king, maar er zijn er ook die, ongeacht de herkomst, onmis­ken­baar tekenen van racisme zien, waaronder de VN‐commissie tegen ras­sen­dis­cri­mi­na­tie. In feite gaat het er niet om wat de uit­slui­ter bedoelt, maar om wat de uit­ge­slo­te­ne ervaart. Als zwarte mensen lijden onder een kari­ka­tuur, is het niet relevant welke ach­ter­gron­den het scheld­woord heeft. Als het hele systeem is gebouwd op witte mensen met witte voor­keu­ren en witte feestjes, waardoor er nergens normale rol­mo­del­len opduiken, dan is het geen excuus dat een kari­ka­tuur goed­be­doeld is, dan is de ste­reo­ty­pe­ring…

  • Columns

    Lieve papa, we moeten terug­hou­dend zijn

    Het opi­nie­stuk ‘Wijs ook je nonkel eens op slui­me­rend racisme’ van MAARTJE LUIF (DS 4 augustus) riep veel reacties op. Voor velen waren de in het stuk genoemde voor­beel­den over Zwarte Piet en het woord ‘neger’ geen kwestie van slui­me­rend racisme. De Neder­land­se vader van Luif stuurde haar een mail over waarom ‘neger’ voor hem een neutraal woord is. Zijn uit­een­zet­ting was feitelijk, helder en door­wrocht, maar in haar antwoord legde Luif uit dat dat voor­bij­gaat aan iets cruciaals: het is niet aan de witte meer­der­heid om te bepalen wat racisme is en wat niet. Lieve papa, Bedankt voor je mailtje. De feiten die je noemt kan ik uiteraard niet weer­spre­ken of snel even nazoeken, maar omdat mijn argu­men­ten op zo’n ander vlak liggen dan de jouwe is dat mijns inziens niet nodig. Ik zou zelfs willen zeggen dat jouw tech­ni­sche bena­de­ring een deel van het probleem is: gevoelens van uit­slui­ting hoef je natuur­lijk niet te kunnen herleiden tot een betekenis in een woor­den­boek of een paragraaf in een geschie­de­nis­boek, die kunnen ook ontstaan door de situaties waarin het woord tot nu steeds gebruikt wordt of werd. Het woord ‘neger’ heeft voor veel donkere mensen wel degelijk een zware lading,…

  • Columns

    Wijs ook je nonkel eens op slui­me­rend racisme

    Richt je niet alleen op de uitwassen van racisme bij clubjes die niet je vrienden zijn, schrijft Maartje Luif, want het ‘afvoer­put­je’ begint bij onszelf. Van­och­tend kreeg ik een Facebook­ver­zoek van Michael, de jongen met wie ik dertig jaar geleden voor de eerste keer tongde. Ik had hem een paar jaar geleden al eens opgezocht op Facebook, hem ‘bevriend’ en hem meteen weer ‘ontvriend’ vanwege zijn rabiate migran­ten­haat en zijn rechts‐nationalistische geblaat. Maar kennelijk dacht hij dat mijn een­zij­di­ge opzegging per ongeluk was en dus stond hij opnieuw bij de vriend­schaps­ver­zoe­ken. Mijn eerste reactie was: nee zeg, niet weer dat racis­ti­sche gedoe, maar toen dacht ik: wat als iedereen dat denkt? Wat als ik en mijn Facebook­vriend­jes in ons cocon­ne­tje blijven zitten? Wie spreekt dan die gasten aan die racis­ti­sche praat verkopen op de Facebook­pa­gi­na van de Vlaamse Ver­de­di­gings Liga na de dood van een vijf­tien­ja­ri­ge jongen uit Genk? Wie spreekt mijn Michael aan op zijn giftige denktrant? Wie probeert ze tot rede te brengen? Aanpassen aan ‘onze’ waarden ‘Het afvoer­put­je’ worden sociale media en kran­ten­com­men­ta­ren vaak genoemd. Dat klinkt natuur­lijk goed, een soort riool waar alleen het laagste van het laagste in terecht­komt en waar wij als propere pomp­bak­vul­ling…

  • Columns,  Over natuur

    Zet een hek om de natuur

    Leg de bouwstop van Joke Schau­vlie­ge naast het huidige tempo waarin Vlaan­de­ren vol gepla­muurd wordt, en je beseft dat het om een geval van politieke spin gaat, schrijft MAARTJE LUIF. Als Hollander dacht ik altijd dat België zo groen was. Ik verfoeide het platte Nederland met de indu­strie­ter­rei­nen rond de snelweg, de natuur­ge­bie­den met overal afval­bak­ken en afras­te­rin­gen, de pla­no­lo­gi­sche con­tro­le­dwang en de neiging om tot op de meter te bepalen waar de natuur haar gang mag gaan. Natuur voelt minder als natuur als er een hek omheen staat. Als ik in de Ardennen kwam, dacht ik: kijk, dít is pas natuur! Glooiende velden en uit­ge­strek­te bossen waar je een hele dag kunt zwerven zonder een levende ziel tegen te komen. Geen hekjes, geen afval­bak­ken, geen stoep­ran­den in het struweel. In gesprek­ken verwees ik graag en vaak naar België: zo zou het in Nederland ook moeten zijn! Niet zo aan­ge­harkt en over­ge­or­ga­ni­seerd, maar een beetje go with the flow. Natuur­lijk wist ik wel dat Nederland ook veel natuur­schoon kent: de Wad­den­ei­lan­den, Zeeland, de Hoge Veluwe, Waterland, de Drentse veen­gron­den, de Utrechtse heuvelrug, het rivie­ren­ge­bied, het Groene Hart, de Friese meren. Maar het gevoel van ongerepte natuur is toch een stuk…

  • Columns

    Juist, we moeten maar wat meer ons best doen

    Als je de top­vrou­wen in De Standaard bezig hoort over gelijke kansen, lijkt het er toch op neer te komen dat wie niet aan die top geraakt, het vooral aan zichzelf te danken heeft, vindt Maartje Luif. Wie? Schrijf­ster en colum­nis­te. Wat? Het discours van de top­vrou­wen in deze krant lijkt het glazen plafond te reduceren tot motivatie en lef. Dat is toch wat kort door de bocht. Laat ik voor­op­stel­len dat ik iedereen die gelijk­heid tussen mannen en vrouwen een warm hart toedraagt, een podium over dat onderwerp gun. Tot zover was ik dus dik tevreden met het artikel ‘Top­vrou­wen over gelijke kansen’ (DS 13 mei). Maar de vraag is of deze weg­be­rei­ders met hun uit­spra­ken de goede zaak een dienst bewezen. Juist bij een onderwerp als ‘modern feminisme’ steken de klassieke drog­re­de­nen dikwijls de kop op en het zijn vooral die vast­ge­roes­te denk­fou­ten die ervoor ver­ant­woor­de­lijk zijn dat ondanks over­tui­gend cij­fer­ma­te­ri­aal de urgentie van een moderne strijd voor gelijk­heid vaak wordt onder­schat. Je zou kunnen zeggen dat ik selectief citeer door slechts één quote per persoon uit het artikel met de top­vrou­wen voor te schotelen, maar je kunt ook zeggen dat ik me nog heb inge­hou­den. In elk interview, behalve dat van Françoise…

  • Columns

    Klas­sen­jus­ti­tie is nau­we­lijks over­dre­ven

    Slechts 10 procent van de slacht­of­fers van seksueel geweld dient een klacht in. Willen we dat cijfer ooit omhoog krijgen, dan moeten de ondoor­zich­tig­heid en vooral de onbe­taal­baar­heid van het systeem aangepakt worden, schrijft MAARTJE LUIF. Terwijl ik deze tekst tik, krijg ik telefoon. Mijn advocaat vraagt of ik wil dat ze in actie komt in een al jaren lopende rechts­zaak. Er zijn nieuwe ont­wik­ke­lin­gen in een zakelijk geschil waarin ik al door de rechter in het gelijk ben gesteld, maar waarbij de tegen­par­tij er alles aan doet om aan het vonnis te ontkomen. ‘Zal ik maar weer aan de slag gaan?’ vraagt ze. Ik moet eerst uit­re­ke­nen of ik het kan betalen. Als ik haar aan het werk zet, dan is de kans groter dat het recht zal zege­vie­ren, maar met mijn beperkte inkomen is de afweging tussen meerdere week­bud­get­ten en een paar uur een advocaat een serieus dilemma. ‘Ik moet erover nadenken’, zeg ik, ‘maar eerst moet ik schrijven over slacht­of­fers van seksueel geweld die te kampen hebben met sepo­ne­ring van hun zaak, omdat de verdachte auto­ma­tisch een advocaat krijgt en zij niet, ik bel je later terug.’ Nadat ik heb opge­han­gen, lees ik verder in het artikel…

  • Columns

    Een niet‐brutale ver­krach­ting?

    Illu­stra­tie © Johan Kleinjan Normaal gesproken plaats ik mijn stukjes pas op mijn site als het ‘oud nieuws’ is, om op die manier mijn opdracht­ge­vers zo min mogelijk in de wielen te rijden. Maar soms zijn er redenen om met dat principe de vloer aan te vegen. Gisteren verscheen mijn opi­nie­stuk De niet‐brutale ver­krach­ting? in De Standaard. Vandaag schrijft Joris Van Cauter (ook in De Standaard): ‘Blijkbaar hebben we een ver­per­soon­lijk­te vijand nodig, een kop van Jut, een zondebok. De nationale vrou­wen­raad, schrijf­ster Maartje Luif, spe­ci­a­lis­te seksueel straf­recht Liesbet Stevens, staats­se­cre­ta­ris Elke Sleurs: allemaal waren ze geschokt en ver­ont­waar­digd over de uitspraak. Ze vonden dat de rechter in kwestie een algemene men­ta­li­teit van vrouw­on­vrien­de­lijk­heid bevestigt. Dat hij meegaat in een rede­ne­ring dat de vrouw het zelf wel zal uitgelokt hebben. Dat de rechter of het systeem of justitie ver­krach­tin­gen niet au sérieux nemen.’ Omdat ik dat allemaal niet heb beweerd – verre van zelfs – voel ik me genood­zaakt u gratis en voor niets te vertellen wat ik dan wel beweerd heb. Zijn stukje is immers ook gratis beschik­baar. Het is voor mij belang­rijk dat jullie allemaal kunnen zien dat Joris van Cauter niet kan lezen. En dat hij zijn…

  • Columns,  Over journalistiek

    De opkomst van de afkomst

    Stig­ma­ti­se­ren is salon­fä­hig geworden. MAARTJE LUIF vindt dat opi­nie­ma­kers en gezags­dra­gers daarmee moeten stoppen. Het was vaste prik toen ik eind jaren negentig lesgaf op de School voor Jour­na­lis­tiek in Utrecht: in examens gaven we bij de infor­ma­tie die studenten moesten gebruiken om een bericht te schrijven altijd de afkomst van de betrok­ke­nen. De studenten die in de val trapten en effectief schreven dat de dader ‘van Marok­kaan­se afkomst’ was, kregen een punt aftrek met in de kantlijn: ‘irre­le­vant!’ Groepen mensen stig­ma­ti­se­ren beschouw­den we als een jour­na­lis­tie­ke zonde. Sinds een decennium is die politieke cor­rect­heid juist een zonde. Bij elke misdaad is de eerste vraag: wat was de afkomst van de dader? Of anders: wat was zijn religie? En als je vraag­te­kens zet bij de rele­van­tie, word je verweten een wegkijker te zijn. De trend begon schoor­voe­tend, vaak ingegeven door opluch­ting – hé gelukkig, Breivik is geen moslim – en door ver­war­ring – de moor­de­naar van Joe Van Holsbeeck kwam uit Polen, was hij dan juist wel of niet een van ons? Maar steeds vaker zag je geen voor­be­houd bij de ver­mel­ding van zulke kenmerken en naarmate de tijd vorderde ver­sche­nen der­ge­lij­ke beschrij­vin­gen ook bij ver­dach­ten, mensen die achteraf helemaal…

  • Columns

    Zaterdag 19 december 2015 – Godwin

    foto: Het briefje dat de daders op de deur van een Somalisch gezin hingen na een aanval met vuur­werk­bom­men. © Omroep Gel­der­land Bij mijn dage­lijk­se nieuws­rond­je lees ik dat in mijn vaderland vuur­werk­bom­men door de ruiten van een Somalisch gezin zijn gegooid. De daders lieten een briefje achter met hoofd van Geert Wilders en daaronder: BLANK IS BETER, EIGEN VOLK EERST!!! ALLOCH­TO­NEN MOETEN WEG HIER!! DIT IS PAS HET BEGIN!! Ik denk aan het alles­ver­zen­gen­de racisme dat volgde op het zwar­te­pie­ten­de­bat, aan de malloten die een opvang­cen­trum voor vluch­te­lin­gen in Woerden bestorm­den en aan het Polen‐ en asiel­zoe­kersmeld­punt van de PVV, de partij die onlangs in een vacature expli­cie­te afkeer van de Islam eiste en in de peilingen de grootste partij van Nederland is. Elke ver­ge­lij­king met de aanloop naar de Tweede Wereld­oor­log gaat mank, maar het slui­pen­der­wijs ont­men­se­lij­ken van anders­den­ken­den en vreem­de­lin­gen kun je moeilijk niét in het licht van de geschie­de­nis zien. Er zijn vaker groepen mensen in het ver­dom­hoek­je gedrukt en het lijkt me zinloos om te doen alsof we niet eerder met dat bijltje hebben gehakt. De wet van Godwin stelt dat naarmate een online discussie langer duurt de kans dat iemand de ver­ge­lij­king maakt met…

  • Columns

    Vrijdag 18 december 2015 – Belgische vrienden

    Iedereen praat, maar ik zit op de T‐splitsing van de con­ver­sa­ties, de gesprek­ken slaan vlak voor mij af. Ik kijk om me heen, sabbelend op het cho­co­laatje dat bij mijn koffie zat. Het is anders dan tien jaar geleden, toen ik de vrienden uit de the­a­ter­groep van mijn man – toen nog mijn verkering – voor het eerst ontmoette. Destijds moest ik moeite doen om ze te verstaan, want het Vlaams had nog geen plaats in mijn hoofd, ik ver­wacht­te nog dat we uit het café geveegd zouden worden als het ging sluiten, omdat ik niet gewend was aan vrije ope­nings­tij­den, en ik probeerde me uit alle macht voor te stellen hoe het zou zijn als ik deze mensen tot mijn vrienden mocht rekenen. Bélgische vrienden, het moest niet gekker worden. Vanavond zijn we bij elkaar omdat een van hen, Koen, gaat emigreren naar de Verenigde Staten. Hij vertrekt uit Leuven voor de liefde, zoals ik uit Amsterdam vertrok voor de liefde, hij laat zijn vrienden achter, zoals ik mijn vrienden ach­ter­liet en hij neemt een stap in het ongewisse, precies zoals ik dat deed. Ik herinner me dat ik bang was, maar dat niet liet merken. Ik kijk naar…

  • Columns

    Donderdag 17 december 2015 – Onbe­hap­baar schuld­ge­voel

    Ik ben voor­stan­der van behapbaar schuld­ge­voel in maat­schap­pe­lij­ke zaken. Een vleugje wroeging zorgt ervoor dat bank­re­ke­nin­gen van hulp­or­ga­ni­sa­ties gespekt worden, dat we onze peuken niet gewoon uit het auto­raam­pje kieperen en dat we geen 120 kilometer per uur door de bebouwde kom rijden. Maar behapbaar is wel de onwrik­ba­re voor­waar­de. Je moet er iets mee kunnen. Je moet bij­voor­beeld kunnen denken: nee, ik neem de fiets in plaats van de auto, of: ik ga nu echt over­stap­pen naar een alter­na­tie­ve bank die niet inves­teert in wapen­han­del. Het moet je ertoe bewegen het kap­per­tjes­pot­je in de glasbak in plaats van in de vuilbak te gooien; dan hebben we het over behapbaar, enigszins zinvol schuld­ge­voel. Vandaag betrapte ik mezelf op onbe­hap­baar en uiterst onzinvol schuld­ge­voel. We maakten een wandeling door de straten van Kessel‐Lo. Ergens op een hoek stond een magnolia in de knop. Ik bleef staan en staarde een tijdje met open mond naar de sappige knoppen die dachten dat het maart was. Ik wilde zeggen: ‘Wow, kijk, wat prachtig!’ maar ik zei het niet, omdat ik het niet gepast vond. Een magnolia hoort geen knoppen te hebben in de donkere dagen voor kerst, en de boom krijgt problemen als de…

  • Columns

    Woensdag 16 december 2015 – De tak

    ‘Ik ga even naar de auto kijken, ik wil zeker weten dat er niets is’, zegt hij. Over de halve gor­dijn­tjes tuur ik in het sche­mer­don­ker. Hij draagt een geel vest en is daarmee gelukkig goed te zien voor het langs­ra­zen­de verkeer. In het glijdende licht van de pas­se­ren­de koplampen ver­schijnt er een frons op zijn gezicht. Dus toch? Een kwartier eerder waren we opge­schrikt door een vracht­wa­gen die voorbij reed met wild geraas en dof geplof. We hadden naar buiten gekeken en gecon­sta­teerd dat in de verte de ach­ter­lich­ten van een camion wegkropen. De straat was nat, onze auto glom, het verkeer reed hard en niets in ons gezichts­veld verried wild geraas of dof geplof. Hij steekt zijn hoofd om de deur. ‘De zijruit is stuk.’ Ik ga direct met hem mee naar buiten. Er liggen drie plat­ge­re­den delen van een boomtak, op de weg, achter de auto en voor de voordeur. Aan de straat­kant hangen duizenden stukjes glas in de spon­nin­gen te wachten op de gena­de­klap. In het midden zit een gat. Ver­moe­de­lijk reed er een vracht­wa­gen over een kromme boomtak die ver­vol­gens met grote kracht uit elkaar sprong, dwars door onze zijruit. En dan komt dat moment…

  • Columns

    Dinsdag 15 december 2015 – Winter‐IJsland

    ‘Ik zit met mijn dochter in de ven­ster­bank. We staren naar de sneeuwval. Ik hoor haar zeggen: Ik word heel langzaam drie jaar.’ Deze prachtige zin las ik vandaag in een 10‐delig verhaal van Laura Broek­huy­sen op de website van het literaire tijd­schrift de Revisor. Laura woont met haar man en haar dochter van alles en iedereen verstoken in een fjord in IJsland. Haar reeks over de winter in IJsland is zo sfeervol, eigen­zin­nig en vin­ding­rijk geschre­ven dat je niets liever wil dan na elk deel nog iets langer wonen in haar verhaal, in haar leven, en bovenal: in haar hoofd. Dus bleef ik plakken, terwijl ik manu­scrip­ten te lezen had, stukjes te schrijven, dingen te doen. Ik gaf het verhaal de kans mijn to‐dolijst als een sneeuw­schui­ver naar de avond te duwen. Als schrijver en schrijf­coach vraag ik me vaak af: zou de lezer in dit verhaal willen wonen? Het antwoord op die vraag is doorgaans een lastige, want wonen in verhalen is zoals wonen in huizen: waar de een dolgraag zijn intrek neemt, wil de ander nog niet dood gevonden worden. Zodoende slijt ik mijn dagen als een ware makelaar: ik kijk of er authen­tie­ke elementen zijn, of…