Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

Zwarte Piet is wel een probleem

Wie Zwarte Piet afdoet als ‘geen probleem’, heeft een probleem, schrijft Maartje Luif: het probleem van het witte privilege.

‘Volkomen overbodig, dat Pietenpact’, zei N-VA-voorzitter Bart De Wever zaterdag bij de aankomst van Sinterklaas in Antwerpen. De neiging negatieve stereotyperingen af te doen als ‘geen probleem’ zie je niet alleen bij politici, maar ook in de talloze discussies op sociale media. Ik verbaas me over de ontkenners. Laat ik hun argumenten even overlopen.

‘Maar Zwarte Piet is toch zwart van het roet en dus niet racistisch?’

Op dat punt zijn de rangen niet gesloten. Jazeker, er zijn onderzoekers die beweren dat er geen connecties zijn tussen Zwarte Piet, het slavernijverleden en koloniale onderdrukking, maar er zijn er ook die, ongeacht de herkomst, onmiskenbaar tekenen van racisme zien, waaronder de VN-commissie tegen rassendiscriminatie. In feite gaat het er niet om wat de uitsluiter bedoelt, maar om wat de uitgeslotene ervaart. Als zwarte mensen lijden onder een karikatuur, is het niet relevant welke achtergronden het scheldwoord heeft. Als het hele systeem is gebouwd op witte mensen met witte voorkeuren en witte feestjes, waardoor er nergens normale rolmodellen opduiken, dan is het geen excuus dat een karikatuur goedbedoeld is, dan is de stereotypering een onderdeel van een systeem dat uitsluit.

‘Waarom moeten we onze cultuur aanpassen?’

Wie is ‘ons’? Horen de mensen die Zwarte Piet een nare stereotypering vinden ook bij ons? En zo nee, bewijst dat niet dat we steeds dezelfde minderheid uitsluiten?
Bovendien, als ik in deze tijden iets hoor over ‘onze’ cultuur, dan gaat dat doorgaans niet over ‘mijn’ cultuur van solidariteit. Wat opnieuw de vraag oproept: wie is ‘ons’?
Overigens is het maar goed ook dat we in weerwil van onze tradities wat gewoontes overboord gooien. Hoe waren we anders ooit van slavernij, louter mannenkiesrecht en de galgenvelden verlost geraakt?

‘Kunnen we het niet over écht racisme hebben?’

Het venijn van racisme ligt onder de oppervlakte: wit privilege. Wit privilege is de term voor het ongevraagde voordeel dat elk wit persoon heeft door geen ‘andere’ huidskleur te hebben. Het voordeel van minder snel aangehouden te worden, het voordeel van sneller werk te krijgen, het voordeel van niet met argwaan bekeken te worden, enzovoort. Door de luxe van dat privilege is het enige racisme dat de meerderheid ziet dat van de schaamteloze schreeuwers die openlijk uitsluiten. Dat is schandalig, vinden we, maar het systematische racisme laten we ongemoeid. We durven zelfs te zeggen dat als we niet langer ons gezicht schminken, we zwarte mensen uitsluiten, of potsierlijker: worden witte mensen in de hoedanigheid van een knecht niet net zo goed geridiculiseerd? Die vergelijking gaat mank. Witte mannen hebben niet jarenlang dezelfde patronen van misprijzen, onderschatting en wantrouwen moeten ondergaan als zwarte mensen. Alleen de witte meerderheid heeft de luxe onderscheid te maken tussen echt en onecht racisme. Daarom is het goed geen verschil te maken tussen het bedoelde ‘echte racisme’ van ‘echte racisten’ en ‘het onbedoelde niet echte racisme’ van ‘niet-racisten’. Er is racistisch gedrag, er zijn racistische stereotyperingen, er zijn racistische systemen. Zolang we goede bedoelingen als excuus zien, verandert er niks.

‘Waarom zouden we de wil van de minderheid moeten uitvoeren?’

Racisme is niet voor niets strafbaar, het is een aantasting van de grondrechten van mensen. Zolang er twijfel is, neem je in het geval van grondrechten het zekere voor het onzekere.
Daarbij: wit privilege betekent ook dat witte mensen bepalen hoe het racismedebat verloopt. Hebben ze er genoeg van? Dan stopt het. Vinden ze het weer eventjes belangrijk? Dan gaat het door. Vinden ze het niet erg genoeg, zoals Zwarte Piet? Dan is het geen racisme. In dat opzicht is het racismedebat een catch 22. Wordt het serieus genomen, dan is dat dankzij de witte meerderheid, wordt het niet serieus genomen, dan bestaat het niet. En ja, ik realiseer me dat ik – as we speak – mijn privilege gebruik en dat ik daar voorzichtig mee moet zijn.

‘We verpesten een kinderfeest!’

Ten eerste: welnee, kinderen willen cadeautjes, snoep, magie. Ze willen niet dat andere kinderen zich buitengesloten voelen. En als je ze op de mouw hebt kunnen spelden dat Zwarte Piet door de schoorsteen komt, dan is een plotwending over zijn uiterlijk niet het grootste probleem. Toen ik voor het eerst de Amerikaanse Pino zag – geel in plaats van blauw – dacht ik: wat een rare Pino. Daarna viel het me niet meer op.
Maar belangrijker: is het een kinderfeest van iedereen? Ook van de kinderen die getergd worden door karikaturale beeldvorming rond hun uiterlijk, die dankzij hun huidskleur een traject ingaan waarin te vaak niet serieus genomen worden centraal staat?

‘Het protest werkt alleen maar averechts!’

Daar is een woord voor: witte breekbaarheid. Mensen die worden gewezen op gedrag dat negatieve stereotyperingen in stand houdt, schieten in een kramp. ‘Maar ik ben toch geen racist!?’ ‘En mogen wij ook boos worden als de Pieten allemaal wit zijn?’ ‘Door dat gezeur heb ik alleen maar minder sympathie voor de anti-racisten.’ ‘Dit werkt averechts!’ In plaats van in te zien dat het tijd is om te luisteren, trekken de geprivilegieerden zich terug achter een muur van slachtofferschap. Waarmee ze de discussie naar zich toe trekken en we weer terug bij af zijn.

Omdat ik het verdienmodel van mijn opdrachtgever graag terwille ben, plaats ik mijn stukken vaak pas na een week door. Maar omdat er veel mensen reageren zonder het stuk gelezen te hebben, plaats ik het deze keer al een dag later. Dit opiniestuk verscheen op maandag 14 november 2016 in De Standaard.

 

Lieve papa, we moeten terughoudend zijn

Het opiniestuk ‘Wijs ook je nonkel eens op sluimerend racisme’ van MAARTJE LUIF (DS 4 augustus) riep veel reacties op. Voor velen waren de in het stuk genoemde voorbeelden over Zwarte Piet en het woord ‘neger’ geen kwestie van sluimerend racisme. De Nederlandse vader van Luif stuurde haar een mail over waarom ‘neger’ voor hem een neutraal woord is. Zijn uiteenzetting was feitelijk, helder en doorwrocht, maar in haar antwoord legde Luif uit dat dat voorbijgaat aan iets cruciaals: het is niet aan de witte meerderheid om te bepalen wat racisme is en wat niet.

Lieve papa,

Bedankt voor je mailtje. De feiten die je noemt kan ik uiteraard niet weerspreken of snel even nazoeken, maar omdat mijn argumenten op zo’n ander vlak liggen dan de jouwe is dat mijns inziens niet nodig. Ik zou zelfs willen zeggen dat jouw technische benadering een deel van het probleem is: gevoelens van uitsluiting hoef je natuurlijk niet te kunnen herleiden tot een betekenis in een woordenboek of een paragraaf in een geschiedenisboek, die kunnen ook ontstaan door de situaties waarin het woord tot nu steeds gebruikt wordt of werd. Het woord ‘neger’ heeft voor veel donkere mensen wel degelijk een zware lading, vermoedelijk ook omdat het woord vaak opduikt in situaties waarin je als donkere toch eerst en vooral ‘de neger’ bent.

Level playing field

Voor mij is het hetzelfde als met Zwarte Piet: het gaat erom dat je gevoeligheden van minderheden net zo serieus neemt als die van de meerderheid, en het is een kleinigheid om ermee te stoppen. Bij beide discussies is het geen ‘level playing field’, oftewel: zwarten hebben niet net zoveel ruimte om dit debat in hun voordeel te slechten. Dat lijkt me een extra reden om terughoudend te zijn in ons oordeel.

Daarnaast heb je bij veel vormen van discriminatie dat de meerderheid voor de minderheid bepaalt of het überhaupt gevoelig mag liggen: mannen die vrouwen vertellen wat wel en niet seksisme is, christenen die moslims vertellen wat wel en niet islamofobie is, of witten die zwarten vertellen waar ze wel en niet een vieze smaak van in hun mond mogen krijgen.

Racisme is een groot woord voor de uitsluiting die mensen door zo’n woord kunnen voelen, bovendien is het in het geval van dit woord (of Zwarte Piet) in 99 procent van de gevallen geen opzettelijke uitsluiting. Maar volgens mij zit daar het gevaar: mensen zijn minder bereid om zichzelf een spiegel voor te houden als het niet opzettelijk is. Het racisme op de arbeidsmarkt zit hem vermoedelijk grotendeels in onopzettelijk racisme. De onopzettelijke uitsluiter staat in zo’n situatie niet veel anders te doen dan op zijn tenen lopen – en dat is ook helemaal niet zo erg, zou ik zeggen.

Ga de discussie aan

Dit soort debatten wordt in Vlaanderen te weinig gevoerd. Er is alleen maar grote opluchting dat het Zwarte Pieten-debat steeds overwaait en er is een ijzingwekkend zwijgen bij de meerderheid over uitsluitende of racistische opmerkingen op tv en in kleine kring.

Jij bent het met me oneens over het woord ‘neger’ – en er zijn er veel meer – en uiteraard heb ik ook al brieven gekregen over Zwarte Piet, want zoals we allemaal weten is ook daarover lang niet elk weldenkend mens het met me eens. Een van de redenen dat ik ervoor heb gekozen in mijn column die controversiële onderwerpen te noemen, is dit debat, de mailwisseling die wij nu hebben.

We kunnen de maatschappelijke structuur waarbij sommige mensen zich geen deelnemers voelen alleen ter discussie stellen wanneer we ook zaken onder de loep nemen die voor de meerderheid niet vanzelfsprekend lijken. Ik verkeer niet in de illusie iedereen te kunnen overtuigen, maar ik vind het wel belangrijk dat we het erover hebben. Ik waardeer het dus heel erg dat je de discussie aangaat, hoewel ik me ook kan voorstellen dat je hierna weer stopt.

Liefs,

Maartje

Deze brief uit een langere correspondentie met mijn vader verscheen op dinsdag 9 augustus 2016 in De Standaard.

Wijs ook je nonkel eens op sluimerend racisme

Richt je niet alleen op de uitwassen van racisme bij clubjes die niet je vrienden zijn, schrijft Maartje Luif, want het ‘afvoerputje’ begint bij onszelf.

Vanochtend kreeg ik een Facebookverzoek van Michael, de jongen met wie ik dertig jaar geleden voor de eerste keer tongde. Ik had hem een paar jaar geleden al eens opgezocht op Facebook, hem ‘bevriend’ en hem meteen weer ‘ontvriend’ vanwege zijn rabiate migrantenhaat en zijn rechts-nationalistische geblaat. Maar kennelijk dacht hij dat mijn eenzijdige opzegging per ongeluk was en dus stond hij opnieuw bij de vriendschapsverzoeken.

Mijn eerste reactie was: nee zeg, niet weer dat racistische gedoe, maar toen dacht ik: wat als iedereen dat denkt? Wat als ik en mijn Facebookvriendjes in ons coconnetje blijven zitten? Wie spreekt dan die gasten aan die racistische praat verkopen op de Facebookpagina van de Vlaamse Verdedigings Liga na de dood van een vijftienjarige jongen uit Genk? Wie spreekt mijn Michael aan op zijn giftige denktrant? Wie probeert ze tot rede te brengen?

Aanpassen aan ‘onze’ waarden

‘Het afvoerputje’ worden sociale media en krantencommentaren vaak genoemd. Dat klinkt natuurlijk goed, een soort riool waar alleen het laagste van het laagste in terechtkomt en waar wij als propere pompbakvulling uiteraard niet bij horen. Wij zijn geen racist. Het afvoerputje: dat zijn de anderen.

Maar we mogen niet vergeten dat de grote brokken die we in het afvoerputje vinden – van die vieze brokken die je doen kokhalzen als je ze eruitvist – voortkomen uit de soep die we eerder zelf hebben bereid. Een soep waarin nationalisme, het afwijzen van andersdenkenden en het focussen op aanpassing aan ‘onze’ waarden en ‘onze’ samenleving tot een kookpunt is gebracht.

Natuurlijk kunnen we ons niet verantwoordelijk voelen voor alle schreeuwers en trollen op internet, maar we kunnen sluimerend racisme in en om het huis wel vaker ter discussie stellen en toegeven dat racisme niet alleen onder die ene tegel van de Vlaamse Verdedigings Liga te vinden is, maar ook op onze socialemediakanalen, op verjaardagsfeestjes en op ons werk. Het is gemakkelijk fulmineren tegen mensen die je niet kent omdat ze bij een schimmig nationalistisch clubje horen en dus godzijdank niet jouw vrienden zijn, maar we komen allemaal wel eens iemand tegen die het woord ‘neger’ of ‘zwartje’ nog steeds gebruikt, we kennen allemaal mensen die ondanks de afkeuring van het VN-Comité voor uitbanning van rassendiscriminatie het fenomeen Zwarte Piet geen enkel probleem vinden, of iemand die hamert op ‘onze’ waarden, ‘onze’ samenleving en daarmee eender welke ‘ander’ al bij voorbaat verdacht maakt.

De lieve vrede

Het afvoerputje begint bij onszelf, onze naasten en bekenden. Mensen met wie je, als je het belangrijk genoeg vindt, een gesprek kunt aangaan: je baas, je nonkel, mensen met wie je ooit tongde. Dat is niet gemakkelijk, want er zijn namelijk nogal wat obstakels bij het veranderen van mening. Zo doen onze hersenen er alles aan om onze eigen mening bevestigd te krijgen, ze sturen als het ware onze redeneertrant tot de feiten in onze richting wijzen. Daarnaast houdt ook de dwingende selectie van internetsoftware zoals het Facebook-algoritme ons veilig binnen de muren van onze eigen zeepbel. We krijgen meer te zien van zaken waar we enthousiast op reageren, en minder van de personen, media en organisaties waar we minder interactie mee hebben en zien onszelf zo steeds weer in het midden van de waarheid. En tot slot: we leggen een laten-we-het-wel-gezellig-houden-filter over onze contacten en beoefenen zo zelfcensuur ten behoeve van de lieve vrede.

Maar niettemin lijkt het de moeite waard om die kleine kans te benutten dat we een familielid, een vriend of een politicus bewust kunnen maken van het gevaar van uitsluiting. Wat is het alternatief? ‘Er is nog veel werk om tot een gedeeld burgerschap en een inclusieve samenleving te komen’, zei Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Maar hoe inclusief is het rechtse midden? Hoe gedeeld is het burgerschap in onze bubbel, ons coconnetje, met onze hyperfocus op nieuwkomers, moslims, immigranten en vluchtelingen, en onze mond vol van onze ‘eigen’ samenleving en onze ‘eigen tradities en waarden’? Komaan, nonkel Geert, neem nog een pint en laten we het eens hebben over wat dat is, gelijkheid. Komaan, Michael, tongen zit er niet meer in, maar een goed gesprek zie ik wel zitten. Komaan mensen, praat met elkaar!

Dit opiniestuk stond op donderdag 4 augustus 2016 in De Standaard.

Zet een hek om de natuur

Leg de bouwstop van Joke Schauvliege naast het huidige tempo waarin Vlaanderen vol geplamuurd wordt, en je beseft dat het om een geval van politieke spin gaat, schrijft MAARTJE LUIF.

Als Hollander dacht ik altijd dat België zo groen was. Ik verfoeide het platte Nederland met de industrieterreinen rond de snelweg, de natuurgebieden met overal afvalbakken en afrasteringen, de planologische controledwang en de neiging om tot op de meter te bepalen waar de natuur haar gang mag gaan. Natuur voelt minder als natuur als er een hek omheen staat.
Als ik in de Ardennen kwam, dacht ik: kijk, dít is pas natuur! Glooiende velden en uitgestrekte bossen waar je een hele dag kunt zwerven zonder een levende ziel tegen te komen. Geen hekjes, geen afvalbakken, geen stoepranden in het struweel. In gesprekken verwees ik graag en vaak naar België: zo zou het in Nederland ook moeten zijn! Niet zo aangeharkt en overgeorganiseerd, maar een beetje go with the flow.

Natuurlijk wist ik wel dat Nederland ook veel natuurschoon kent: de Waddeneilanden, Zeeland, de Hoge Veluwe, Waterland, de Drentse veengronden, de Utrechtse heuvelrug, het rivierengebied, het Groene Hart, de Friese meren. Maar het gevoel van ongerepte natuur is toch een stuk minder als je eerst je auto moet parkeren op een parking die elke dag wordt aangeveegd.

De tuin van Jean-Marie Pfaff

Tien jaar geleden verhuisde ik naar Vlaanderen en de eerste jaren bleef ik heerlijk in mijn Belgische ongereptenatuurdroom hangen. Natuurlijk, er stonden wat huizen in de bossen in Vlaanderen en dat is jammer als je een boswandeling maakt, maar ik kon het ook wel begrijpen: wie wil er niet in een bos wonen? En oké, het leek niet echt alsof er iemand een helder beleid voerde ten aanzien van het openbaar groen, maar was dat niet exact wat het Vlaamse platteland zo aantrekkelijk maakte? Dat je er geen tekentafel doorheen zag schemeren?

Maar naarmate de jaren vorderden, werd ik zachtjes doch dwingend uit mijn droom wakker geschud: Vlaanderen heeft weinig tot niets te maken met de Ardennen, er staan niet wat huizen in de bossen, maar in vrijwel alle bossen staan huizen. En er wordt niet weinig beleid gevoerd ten aanzien van openbaar groen, maar er wordt ronduit averechts beleid gevoerd. Denk aan het kafkaëske gedraai over de kapvergunning voor logistiek bedrijf Essers in Genk en de vaststelling dat bij de statistieken over de hoeveelheid bos in Vlaanderen de berm van de autostrade en de tuin van Jean-Marie Pfaff worden meegerekend door de Vlaamse overheid.

Gisteren passeerde er weer een voorlopig hoogtepunt: Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening Joke Schauvliege (CD&V) liet weten dat er in 2050 een bouwstop zal komen. De meeste media lieten zich gewillig meevoeren op deze politieke ‘spin’ van Schauvliege: ‘Schauvliege wil betonstop’, ‘Vlaanderen moet er radicaal anders uit gaan zien’, ‘Vaarwel rommelig Vlaanderen’. Terwijl het eerlijker en logischer zou zijn om in de kop te schrijven dat er nog meer dan honderdduizend voetbalvelden aan beton bijkomen. Want op dit moment worden er elke dag 9 voetbalvelden bebouwd. Als er in dit tempo tot 2050 wordt door gebouwd dan is dat 33 jaar x 365 dagen = 12.045 dagen x 9 voetbalvelden. Dat zijn 108.405 voetbalvelden.
Geert Noels vertelde op Twitter dat je de concrete jungle ook letterlijk kunt nemen. Belgen consumeren per hoofd van de bevolking per jaar twee keer zoveel cement, namelijk 600 kilo, als de Nederlanders, die 300 kilo per capita verbruiken.

Nog steeds krijg ik de kriebels van de Nederlandse voorliefde voor bedachte natuur, maar ik realiseer me steeds beter dat respect voor groene ruimte juist gebaat is bij al die bedachtzaamheid en afbakening. Ik zal niet zeggen dat in Nederland door de beleidsmakers nooit een loopje met de werkelijkheid wordt genomen, maar als ze beweren dat Nederland voor tweederde uit groene ruimte bestaat dan kan ik dat met eigen ogen zien.

Sinds we ons bewust zijn van de bouwwaanzin spelen mijn man en ik onderweg in Vlaanderen altijd het spelletje: vind een mooi groen uitzicht zónder huis. Dat is op zich al een tijdverdrijf om somber van te worden. Maar door de aankondiging van Schauvliege vrees ik dat het spelletje in de toekomst nooit meer een winnaar zal kennen.

Dit opiniestuk verscheen op dinsdag 24 mei 2016 in De Standaard.

Juist, we moeten maar wat meer ons best doen

Als je de topvrouwen in De Standaard bezig hoort over gelijke kansen, lijkt het er toch op neer te komen dat wie niet aan die top geraakt, het vooral aan zichzelf te danken heeft, vindt Maartje Luif.

Wie? Schrijfster en columniste.
Wat? Het discours van de topvrouwen in deze krant lijkt het glazen plafond te reduceren tot motivatie en lef. Dat is toch wat kort door de bocht.

Laat ik vooropstellen dat ik iedereen die gelijkheid tussen mannen en vrouwen een warm hart toedraagt, een podium over dat onderwerp gun. Tot zover was ik dus dik tevreden met het artikel ‘Topvrouwen over gelijke kansen’ (DS 13 mei). Maar de vraag is of deze wegbereiders met hun uitspraken de goede zaak een dienst bewezen. Juist bij een onderwerp als ‘modern feminisme’ steken de klassieke drogredenen dikwijls de kop op en het zijn vooral die vastgeroeste denkfouten die ervoor verantwoordelijk zijn dat ondanks overtuigend cijfermateriaal de urgentie van een moderne strijd voor gelijkheid vaak wordt onderschat.

Je zou kunnen zeggen dat ik selectief citeer door slechts één quote per persoon uit het artikel met de topvrouwen voor te schotelen, maar je kunt ook zeggen dat ik me nog heb ingehouden. In elk interview, behalve dat van Françoise Chombar, de ceo van Melexis, trof ik meerdere citaten waaruit bleek dat zorgvuldigheid en denkhygiëne op het gebied van maatschappelijk verankerd seksisme ook bij de weldenkenden vaak ontbreekt.

Caroline Pauwels, rector van de VUB: ‘Als je kinderen krijgt, wordt het wel moeilijker. Dat geldt ook voor mannen. Maar vrouwen denken sneller dat ze de combinatie niet aankunnen, zodat ze niet solliciteren voor bepaalde jobs.’
Dus de redenering is: vrouwen dénken dat ze het niet aankunnen? Uit het Belgisch Tijdsbestedingsonderzoek van de VUB uit 2015 blijkt dat de verdeling van het werk tussen mannen en vrouwen nog altijd het traditionele rollenpatroon volgt: mannen besteden ruim 6 uur per week meer aan betaald werk, vrouwen 8 uur meer aan huishoudelijk werk en 1,5 uur meer aan kinderzorg, bovendien hebben mannen bijna 6 uur meer vrije tijd. Maar in deze redenering ligt het dus vooral aan de vrouwen. Die moeten niet zo zeuren over die combinatie van werk en zorg, maar gewoon wat positiever denken. Toe maar! Hou maar 23 bordjes in de lucht! Je kunt het!

Issabelle Mazzara, hoofd FOD Binnenlandse Zaken: ‘Er wordt veel gepraat over het glazen plafond, maar verandering komt het snelst als je er zelf aan deelneemt.’
Hier moest ik mijn lach inhouden: we moeten niet lullen over vrouwen die niet mogen deelnemen, ze moeten gewoon deelnemen. We kunnen wel praten over mensen in dictaturen, maar laat ze eerst eens een fatsoenlijke democratie invoeren. En waarom zouden we stilstaan bij discriminatie van mensen met een buitenlandse achternaam op de arbeidsmarkt? Misschien moeten die mensen gewoon eens aan het werk gaan. Tijd voor de lachband.

Sonja De Becker, voorzitter Boerenbond: ‘Volgens mij zijn er vandaag geen bedrijven in de groep van de Boerenbond die vrouwen minder kansen geven dan mannen. Dat vrouwen wel degelijk kansen krijgen, daarvan ben ik een bewijs.’
Dit is er een van het kaliber: mijn vader heeft zijn hele leven gerookt en hij is er 98 mee geworden. Een middelvinger naar de statistieken omdat er ook uitzonderingen zijn. En als je haar opmerking ‘noch tijdens mijn studie, noch in mijn beroepsleven ben ik benadeeld omdat ik een vrouw ben, maar ik heb me ook altijd gesmeten, en me volledig in dossiers vastgebeten’ in ogenschouw neemt, dan kun je je niet aan het idee onttrekken dat het dus eigenlijk ‘eigen schuld dikke bult’ is, die achterstand. Hadden die vrouwen zich maar wat meer moeten smijten.

Gwendolyn Rutten, voorzitter Open VLD: ‘De moederschapsrust is veel langer dan medisch noodzakelijk is. Daardoor riskeren we dat het een gewoonte wordt dat vrouwen thuisblijven voor de kinderen. Ik vind dat de overheid die zorgperiode neutraal moet maken: het verlof na een bevalling mag niet toegespitst zijn op de vrouw alleen.’
Rutten vindt dus dat de moederschapsrust veel te lang is en het verlof na de bevalling niet toegespitst mag zijn op de vrouw alleen. Maar het is niet het moederschapsverlof dat te lang is, het vaderschapsverlof is te kort. Als wij, voorstanders van gelijkheid, nu eens het referentiekader kantelen in plaats van het steeds maar weer te bevestigen.

Michèle Sioen, ceo en voorzitter VBO: ‘Ik ben tegen quota. Er zijn nu eenmaal te weinig vrouwelijke bestuurders met voldoende ervaring.’
Ik ben dol op een goede cirkelredenering op zijn tijd. Dit is een mooie: er zijn te weinig vrouwen in het bedrijfsleven, maar een quotum is geen oplossing want er zijn te weinig vrouwen (al enige tijd) in het bedrijfsleven. Met uw welnemen ga ik er even bij liggen.

Michèle Coninsx, president Eurojust: ‘Ik ben ervan overtuigd dat gedrevenheid en passie iemand brengen tot de functie die ik bekleed. Ik ben geraakt waar ik nu ben door in te gaan op opportuniteiten als ze zich voordeden en dan resultaten te boeken. Het heeft weinig zin om erover te blijven discussiëren, het is nu een kwestie van doen.’
Eigenlijk zou ik hier kunnen schrijven: zie het commentaar bij Sonja De Becker van de Boerenbond, maar laat ik eindigen met een droombeeld.
Wat zou het heerlijk zijn als het hele probleem van vrouwelijke achterstand in die slappe karaktertjes van al die vrouwen zou zitten. Dat elke individuele vrouw zich zou kunnen onttrekken aan die grotere kans op onderbetaling, armoede en selectieachterstand als ze maar wat beter haar best zou doen en gewoon deel zou nemen. En dat we met ‘niet zeuren maar poetsen’ het glazen plafond zo schoon kunnen krijgen dat het niet alleen lijkt alsof het er niet is, maar dat het er ook gewoon echt niet is.

Dit opiniestuk verscheen op zaterdag 14 mei 2016 in De Standaard.

Klassenjustitie is nauwelijks overdreven

Slechts 10 procent van de slachtoffers van seksueel geweld dient een klacht in. Willen we dat cijfer ooit omhoog krijgen, dan moeten de ondoorzichtigheid en vooral de onbetaalbaarheid van het systeem aangepakt worden, schrijft MAARTJE LUIF.

Terwijl ik deze tekst tik, krijg ik telefoon. Mijn advocaat vraagt of ik wil dat ze in actie komt in een al jaren lopende rechtszaak. Er zijn nieuwe ontwikkelingen in een zakelijk geschil waarin ik al door de rechter in het gelijk ben gesteld, maar waarbij de tegenpartij er alles aan doet om aan het vonnis te ontkomen. ‘Zal ik maar weer aan de slag gaan?’ vraagt ze.

Ik moet eerst uitrekenen of ik het kan betalen. Als ik haar aan het werk zet, dan is de kans groter dat het recht zal zegevieren, maar met mijn beperkte inkomen is de afweging tussen meerdere weekbudgetten en een paar uur een advocaat een serieus dilemma. ‘Ik moet erover nadenken’, zeg ik, ‘maar eerst moet ik schrijven over slachtoffers van seksueel geweld die te kampen hebben met seponering van hun zaak, omdat de verdachte automatisch een advocaat krijgt en zij niet, ik bel je later terug.’

Nadat ik heb opgehangen, lees ik verder in het artikel ‘Je kunt maar beter de verkrachter zijn’ (DS 2 aprilover de gevolgen van het Salduz-arrest voor zedenzaken. Die regelt dat verdachten voor hun verhoor automatisch een gratis advocaat krijgen. Het lijkt erop dat door dat arrest de verhouding tussen seponeringen en rechtszaken helemaal is verstoord, omdat de advocaten van de verdachten aansturen op een woord-tegen-woord-zaak in plaats van op waarheidsvinding. En welles-nieteszaken, die rechtszaken over seksueel geweld nu eenmaal vaak zijn, worden sneller geseponeerd.

65.700 slachtoffers

In 2014 lanceerde Joëlle Milquet (CDH), toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen, de campagne ‘Verkrachting. Verbreek de stilte.’ Ze moest slachtoffers van seksueel geweld ertoe bewegen aangifte te doen. Van de naar schatting 65.700 mensen (laat dat getal even tot je doordringen) die per jaar slachtoffer zijn van seksueel geweld, doet namelijk slechts 10 procent aangifte.

Omdat ik wel eens aangifte heb gedaan van seksueel geweld, maar ook een aantal keer niet, kan ik me inleven in zowel die 90 procent als in die 10 procent. Een van de redenen dat ik en velen met mij geen aangifte doen, is de ondoorzichtigheid en onbetaalbaarheid van het rechtssysteem. Als je toch al wordt geplaagd door angst, schuldgevoel, verdriet en het vreselijke dilemma of je een bekende voor de rechter moet slepen – seksueel geweld wordt in driekwart van de gevallen gepleegd door een bekende – is de grotere kans dat je rechtszaak geseponeerd wordt niet erg motiverend, en de kans dat je het systeem niet zult begrijpen of niet kan betalen een reden om een aangifte maar helemaal te verwerpen. Voor een pro-Deo-advocaat kom je alleen in aanmerking als je netto niet meer verdient dan 953 euro, waarmee de suggestie wordt gewekt dat je met een inkomen van 954 per maand prima een advocaat kunt betalen. Ik kan u vertellen: dat gaat niet.

Een campagne als ‘Verbreek de stilte’ is erg vrijblijvend als het rechtssysteem intussen zulke hoge drempels opwerpt dat het predicaat ‘klassenjustitie’ nauwelijks overdreven is. Denk daar maar eens over na, dan ga ik nu even mijn advocaat bellen om te zeggen dat ik het eigenlijk niet kan betalen om mijn recht te halen.

Dit opiniestuk verscheen op woensdag 6 april 2016 in De Standaard.

Een niet-brutale verkrachting?

Illustratie © Johan Kleinjan

Normaal gesproken plaats ik mijn stukjes pas op mijn site als het ‘oud nieuws’ is, om op die manier mijn opdrachtgevers zo min mogelijk in de wielen te rijden. Maar soms zijn er redenen om met dat principe de vloer aan te vegen. Gisteren verscheen mijn opiniestuk De niet-brutale verkrachting? in De Standaard.
Vandaag schrijft Joris Van Cauter (ook in De Standaard): ‘Blijkbaar hebben we een verpersoonlijkte vijand nodig, een kop van Jut, een zondebok. De nationale vrouwenraad, schrijfster Maartje Luif, specialiste seksueel strafrecht Liesbet Stevens, staatssecretaris Elke Sleurs: allemaal waren ze geschokt en verontwaardigd over de uitspraak. Ze vonden dat de rechter in kwestie een algemene mentaliteit van vrouwonvriendelijkheid bevestigt. Dat hij meegaat in een redenering dat de vrouw het zelf wel zal uitgelokt hebben. Dat de rechter of het systeem of justitie verkrachtingen niet au sérieux nemen.’
Omdat ik dat allemaal niet heb beweerd – verre van zelfs – voel ik me genoodzaakt u gratis en voor niets te vertellen wat ik dan wel beweerd heb. Zijn stukje is immers ook gratis beschikbaar.
Het is voor mij belangrijk dat jullie allemaal kunnen zien dat Joris van Cauter niet kan lezen. En dat hij zijn artikel daarmee zo diskwalificeert, dat ik niet eens de behoefte voel om aan te stippen wat ik allemaal precies niet gezegd heb.

Een niet-brutale verkrachting?

Een rechter die ‘nee, toch maar niet’ ongeldig verklaart en een man toestaat zich straffeloos te verliezen in geilheid, vergeet dat het ontzettend smerig, vernederend, pijnlijk en beangstigend is als je door al je nee’s heen toch een piemel in je voelt, schrijft MAARTJE LUIF.

Een Gentse presentator van een lokaal radiostation krijgt opschorting van zijn straf en ontloopt een strafblad voor een bewezen verkrachting uit 2014 omdat ‘zijn zaak past in een specifieke context’. Volgens de rechtbank gaat het om ‘een vriendschapsrelatie waar twee personen een verschillend beeld van hadden’ en een situatie waarin de man ‘dermate opgewonden’ raakte dat hij het slachtoffer zonder toestemming penetreerde. De rechtbank oordeelde dat het ‘niet om een brutale verkrachting’ ging.

Een bewezen niet-brutale verkrachting lijkt me een denkfout. Alsof je met alle égards verkracht kunt worden. Mijn vakantievriendje vroeg na een verkrachting waarbij hij de deur op slot had gedaan of hij me niet even naar huis moest brengen. Dat benam mij de adem. Is dat wat een rechter zich voorstelt bij een niet-brutale verkrachting? Een bolhoed die even van het hoofd gelicht wordt? Lieve woorden? Gevolgd door een smiley met ogen als hartjes? Zet de geluidsband met het griezelige muziekje maar vast aan.

De statistieken over seksueel geweld en seksuele intimidatie zijn duizelingwekkend en mijn eigen statistieken op dat gebied zijn navenant. In veel gevallen van seksueel geweld is de dader een bekende van het slachtoffer. Het is je echtgenoot, je vriend, je date, je schoonboer, je oom, je leraar, je collega, iemand met wie je al een ander soort relatie had, iemand die misschien ooit hoffelijk deed, maar die je toch blijkt te kunnen verkrachten. Mensen die je kunnen intimideren juist doordat jullie al een band hadden, die machtsmisbruik uitoefenen of die met behulp van drugs en de armen van Morpheus toeslaan. Mensen die je ontmoet in situaties waarin seksueel geweld niet gepaard gaat met van je fiets gesleurd worden, scheurend textiel en een wurggreep, maar met vriendschappelijke gesprekken, huiselijkheid en alledaagsheid. Toegegeven, de vieze man in de bosjes is ouderwets brutaal, maar de vieze date komt minstens zo vaak voor, is net zo bedreigend en misschien wel dubbel zo brutaal.

Als een bekende je tegen je zin penetreert, dan verschilt jullie perceptie van de vriendschap, me dunkt. Gelukkig is daar iets eenvoudigs voor bedacht: je zegt ‘nee’ of ‘nee, toch maar niet’ en dan weet de potentiële penetreerder dat hij zijn boeltje bij zich moet houden en dat jullie kennelijk een andere perceptie van de vriendschap hebben. Vervolgens kunnen de betrokkenen iets doen waar beide partijen wel mee instemmen. Zo moeilijk is het niet.

Een rechter die ‘nee, toch maar niet’ ongeldig verklaart en een man toestaat zich straffeloos te verliezen in geilheid, vergeet dat het ontzettend smerig, vernederend, pijnlijk en beangstigend is als je door al je nee’s heen toch een piemel in je voelt. Ook als dat je zelfgekozen date is, en ook als die het allemaal goed bedoelt. Maar het wordt nog griezeliger als je je bij de aangifte afvraagt voor wie je banger bent: een man die na vier keer nee niet stopt of een rechter die denkt dat er niet-brutale verkrachtingen bestaan.