Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

Gebakken lucht

Ik verkoop gebakken lucht, te weten, mijn gedachten. In een temperatuur van ongeveer 37 graden smoor ik mijn hersenspinsels, vervolgens laat ik ze wat sudderen en als ze gaar zijn maak ik ze tastbaar door ze in 26 letters op een stukje papier te gieten.

De eerste keer dat ik mijn gedachten verkocht, voelde het alsof ik iemand had opgelicht. Ik was 19 jaar en een opinietijdschrift vroeg me een stukje te schrijven over mijn generatie, de zogenaamde Generatie Nix. Toen ik hoorde dat ik er 50 gulden, ongeveer 1000 frang, voor zou krijgen, viel ik van mijn stoel. 50 gulden? Voor iets wat ik leuk vond om te doen? Iets wat ik misschien ook had gedaan als niemand het had gevraagd? En dat zou dan evenveel geld opleveren als écht werk? Ik vond het onvoorstelbaar. Het was alsof ik betaald kreeg om in bad te zitten, een krant te lezen of een uurtje met de poes te spelen; dingen die iederéén deed en waarvan het in het geheel niet logisch leek er geld aan over te houden.

Een paar weken later stond mijn verhaal in het tijdschrift en er verscheen een bedrag van 50 gulden op mijn rekening. Mijn dubbelhartigheid over die gang van zaken swingde de pan uit. Enerzijds wilde ik van de daken schreeuwen: kijk, mensen willen mijn gedachten afdrukken en er ook nog voor betalen, hoe is het mogelijk? Anderzijds dacht ik: niemand mag dit weten, dit is te bizar voor woorden. Mijn oud-collega’s in het verzorgingshuis moeten hiervoor werken en ik hoef alleen wat te denken. Zo beschamend!

Niet lang daarna begon ik als student aan de School voor Journalistiek. Je zou veronderstellen dat ik daardoor wel gewend raakte aan het idee dat ik mijn inkomen bij elkaar zou scharrelen met denkwerk, maar niets is minder waar. Toen ik voor het eerst een idee voor een artikel verkocht, voelde het – net als de eerste keer een column en de eerste keer een half boek – alsof ik de boel belazerde.

De jaren verstreken en elke keer dat ik mijn gedachten in bundeltjes alfabet wist te slijten, keek ik ongemakkelijk naar de punten van mijn schoenen. Natuurlijk realiseerde ik me steeds vaker dat de waarde van mijn denkwerk zit in de tijd die ik heb besteed aan lezen, aan taalvaardigheid, aan schoondenken, aan schrijven, schrappen, herschrijven en nog meer schrappen. Toch kon ik me regelmatig niet aan de indruk onttrekken dat ik mijn vrije tijd liet sponsoren.

De ambivalentie werd nog groter toen ik leerde onderhandelen. Dan bood iemand 200 euro voor mijn gedachten en dan wist ik: hier moet ik 250 euro van proberen te maken, of zelfs 300. Dat voelde raar, om niet te zeggen ronduit belachelijk. Natuurlijk doe ik research en besteed ik tijd aan het product dat ik lever, maar het is niet vergelijkbaar met de meubelmaker die kan zeggen: het hout en de schroeven kostten dit, en mijn uurloon is dit, dus voilà, hier heb je de prijs. Kennis vergaar je immers een leven lang, letters zijn gratis en ze in de juiste volgorde zetten kost op zich niet eens zoveel tijd. Nee, het is dat denkwerk, die gebakken lucht, die vermaledijde ontastbaarheid, die de prijs opdrijft.

Aan mijn gebakken lucht per kilo, moest ik denken toen ik las over de ruimbetaalde adviesfuncties die onze politici bekleden bij allerhande organisaties. Ik vroeg me af of er iemand bij zat die in de auto naar huis met schroom probeert vat te krijgen op het idee dat hij zijn gedachten omzet in harde valuta. Zou een van die dure adviseurs wel eens in zijn schedelpannetje roeren, net als ik, en beseffen dat de ongrijpbaarheid van wat we doen nederig zou moeten stemmen.

De tekst die zojuist in geluidsgolven uw oor in trilde, bedacht ik terwijl ik stond te koken. Met die tekst betaal ik de tijd die ik nodig heb om nieuwe gedachten te bakken, die ik ook weer verkoop. En dat is waar mijn bescheidenheid begint: iedereen denkt, iedereen heeft gedachten, iedereen staat te koken, maar mijn gedachten zijn van kostwinnend niveau? Ben je gek! Je zou van minder ootmoedig worden.

Deze column las ik voor in de podcast De Maatschappij van Radio Spindokter op donderdag 8 maart 2017.

Luister:

De pijn van de hardwerkende Vlaming

De hardwerkende Vlaming is ziek, langdurig ziek. De favoriete mascotte van politici die de wereld indelen in hardwerkende en minder-hardwerkende mensen heeft het moeilijk, want ze prijzen hem om zijn harde werken, terwijl hij al maanden thuiszit. Zijn lichaam achter zich aan slepend, zijn dagritme naar de vaantjes, de verhouding met huisgenoten onder spanning en last but not least, overmand door zorgen omdat hij moet rondkomen van hooguit 60 tot 80 procent van zijn normale inkomen.

Het klinkt als een grap, maar de werkelijkheid is dat één op de tien Vlamingen langdurig ziek thuiszit. Ruim een derde van hen kampt met psychische klachten. Volgens een recente ondervraging ervaart 10 procent van de Vlamingen te veel stress op het werk en hebben zo’n 280.000 mensen burn-outsymptomen, een kwart meer dan drie jaar geleden. Slechts de helft van de Vlamingen vindt zijn job werkbaar en Belgen blijven veel vaker dan andere Europeanen naar hun werk gaan als ze ziek zijn.

Een van de belangrijke risicofactoren voor een burn-out is plichtsgetrouwheid. Mensen die hun werk erg serieus nemen, komen sneller in de problemen dan zij die de kantjes er vanaf lopen. En kijk, daar herkennen we hem in, de hardwerkende Vlaming. De vleesgeworden verkiezingsslogan is volgens de opportunisten de maat der dingen, maar intussen ligt hij in foetushouding in bed, gordijnen dicht, hopende zichzelf en zijn gezondheid terug te vinden.

Ik weet wat hij voelt, die hardwerkende Vlaming, ooit was ik ook zo’n handen uit de mouwen stekende middenklasser die ten onder ging aan haar ijver. Maandenlang barstte ik in tranen uit als iemand me vroeg hoe het met me ging, omdat ik geen flauw benul had hoe het met me ging. Ik wist niet eens waarom ik huilde. Mijn burn-out vond plaats onder andere omstandigheden, maar één ding hebben de hardwerkende Vlaming en ik gemeen: hij wordt, net als ik destijds, geacht zich te vermannen. Doe een das om, recht je schouders.

Handenvol geld kostte het om mij met duurbetaalde hulptroepen een beter mens te maken. Op dagen dat ik uit alle macht de scherven van mijn leven bij elkaar veegde, kreeg ik ambtelijke brieven met vragen of waarschuwingen van controleurs en raadgevers. Maandelijks probeerde ik in een kil kantoor aan een vreemde vrouw stamelend het onuitlegbare uit te leggen: waarom de wervelwind die door lijf en leven raasde nog steeds niet was gaan liggen. Tegelijkertijd werd alles in stelling gebracht om mijn weerbaarheid en mijn levensstijl aan te passen, terwijl aan de arbeidsomstandigheden niets werd gewijzigd en mijn collega’s eveneens bij bosjes omvielen.

Ziedaar de situatie van de hardwerkende Vlaming. Hij dient als modelburger en als het hem niet lukt om op commando zijn pirouette te draaien, wordt er aan hem gesleuteld tot hij wel dat Duracell-konijntje is waar ze hem voor houden.

De simpelen van geest krijgen de wind in de rug van de marktleider van de inkomensverzekeraars, AG Insurance. Die zet 175.000 verzekerden voor het blok: of je kiest voor een beperkte dekking en dan sturen we consultants – consultants! – op je af, of je houdt onbeperkte dekking maar dan wordt de premie veel hoger. In beide gevallen heb je langdurig slechts 60 tot 80 procent van je inkomen; voor veel mensen een ware aderlating. Dus hoewel we hier te maken hebben met een epidemie die haar weerga niet kent, krijgt elk individueel slachtoffer te horen: ‘Zet jij eens even gauw weer je leven op orde! En wees spaarzaam!’

Het is een vorm van ‘blaming the victim’, ook wel schuldomdraaiing genoemd. Een fenomeen dat volgens wetenschappers de kop opsteekt wanneer we niet kunnen aanvaarden dat de wereld onrechtvaardig of onoverzichtelijk is. Wie het ideaalbeeld verstoort, krijgt de schuld: had hij maar beter in het plaatje moeten passen.

De plannen van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) om bedrijven te beboeten die geen inspanningen leveren om langdurig zieke werknemers weer aan het werk te helpen, zijn een stap in de goede richting. Maar een minister van een partij die bij uitstek denkt in hardwerkende en minder-hardwerkende Vlamingen zal niet bij machte zijn de complexiteit van het probleem te zien en het slachtoffer uit de wind te houden.

Deze column verscheen op vrijdag 24 februari 2017 in De Standaard.

Uitputting is een middel

‘Ik vertrouw niemand nog’, zei een vriend laatst tegen me. ‘De kranten, het televisiejournaal, politieke partijen waar ik ooit op stemde, niemand.’
‘Je bent ge-gaslight’, zei ik.
‘Ge-wat?’
‘Ge-gaslight.’
Het woord gaslighting komt uit het toneelstuk Gas Light, dat beroemd werd dankzij een film met Ingrid Bergman uit de jaren veertig. In dat stuk zorgt een man dat zijn echtgenote begint te twijfelen aan haar waarneming en haar beoordelingsvermogen, doordat hij voortdurend kleine dingen in huis verandert – waaronder de sterkte van het gaslicht – en vervolgens ontkent dat ze veranderd zijn. De psychologie adopteerde de beeldspraak en definieert gaslighting als een vorm van mishandeling, meestal in relaties, waarbij de dader net zo lang manipuleert en desinformatie verspreidt tot het slachtoffer niet meer weet wat waar is en wat niet. In politieke context duidt het woord op het gekonkel en liegen van leiders en opiniemakers, waardoor de toehoorders alleen nog maar twijfelen aan vermeende waarheden.

Maar godzijdank bent u niet ‘ge-gaslight’, want u leest dit. U bent nog niet afgehaakt, moe gebeukt en murw geslagen door de constante stroom halve, hele en alternatieve waarheden die dezer dagen de ronde doen. U bent bereid om een krantenkop te lezen als ‘Homans ziet armoedecijfers dalen… ze is de enige’ en u staat er niet meer van te kijken dat de Trump-entourage op de vraag waarom de president zo vaak liegt, antwoordt: ‘Maar de president zegt ook veel dat wel waar is.’ Intussen zet u zich schrap voor opnieuw een fact check die korte metten maakt met een nieuwsbericht dat u gisteren nog geloofde. U sloeg deze krant open terwijl de epidemie van ‘wat kan ik nog geloven?’ om zich heen grijpt. U zocht dekking en laat uw ogen rusten op mijn woorden. Zak niet weg in apathie. Blijf erbij. Lees, luister, kijk!

Want uitputting is een middel. Het is niet alleen een gemoedstoestand waarin u de krant dicht laat, een blanco stem uitbrengt en elk gesprek over politiek zuchtend verlaat, het is ook een instrument van de onverschrokkenen, de nietsontzienden en de machtsbelusten. In een voortdurend veranderende onbegrijpelijke wereld heeft het bedwelmen van het volk met halve en hele leugens het effect dat u – het volk – tegelijkertijd alles en niets gelooft, en dat u denkt dat alles mogelijk is en niks nog waar. Zo beschrijft filosofe Hannah Arendt het effect van de leugenfabriek van totalitaire machthebbers in haar boek Totalitarisme. Verwarring als methode van de macht om de waarheid te ontdoen van alle waarde.

In de psychologie zal de therapeut adviseren om de gaslighter te mijden. Kun je scheiden? Vertrekken? De leugens negeren? Doen! Maar in het geval van democratisch gekozen politici die de waarheid herdefiniëren, is dat moeilijk. Je kunt immers niet weg. Bovendien is niet-verdraaide informatie essentieel voor het democratisch proces. Het tweede advies van een psycholoog zou dan zijn: verzamel contraverhalen. Zoek naar bronnen en ooggetuigen die je het vertrouwen in je waarneming, je gezond verstand en jezelf teruggeven. De vraag is: hoe doe je dat bij een clusterbombardement van al dan niet waarheidsgetrouwe berichten? U kunt niet zelf alle feiten checken, elke bron beoordelen en elk gerucht controleren. Gelukkig is daar iets op gevonden: gediplomeerde navorsers, ook wel journalisten genoemd.

Maar wat als u die ook niet meer vertrouwt? Omdat journalisten de plank wel eens misslaan. Omdat niet alle media zelfkritisch genoeg zijn. Omdat de Amerikaanse president het heeft over de meest onbetrouwbare mensen op aarde. Omdat de staatssecretaris van Asiel- en Migratie op zijn twitteraccount verschillende nieuwsmedia door een badje van afgrijzen haalt. Omdat uw gaslighters ook de nieuwsorganisaties in twijfel trekken. Omdat ze de boodschapper als dader aanwijzen, ook als dat niet terecht is.
Bedenk dan: journalisten zijn misschien soms de dader, maar serieuze nieuwsmedia zijn bovenal slachtoffer, want contraverhalen ridiculiseren is een symptoom, en de uitputting die volgt, is een middel.

Dappere lezer, u bent nog niet besmet, want u heeft deze laatste alinea bereikt. U zoekt contraverhalen, u informeert zich en u geeft niet op, want u weet: uitputting is pas een middel als u dat toelaat. Ik ben u dankbaar voor uw volharding. Houd stand en lees een krant!

Tweewekelijks op vrijdag verschijnt er een column van mij in De Standaard. Deze (eerste) column verscheen op vrijdag 10 februari 2017.

Vaste columnist bij De Standaard

Jarenlang hoopte ik het, een vaste column in een medium dat ik hoog had zitten. Ik schreef al veel columns voor grote media, maar vaak tijdelijk, of wel vast, maar dan in niche-media, of in media die niemand kende, of in media die net zo goed niet hadden kunnen bestaan, of of of.

De mensen die mij al langer volgen, weten dat ik me maar deels geaccepteerd voel in België, soms voel ik me eerder ‘getolereerd’ en af en toe voel ik me zelfs niet geaccepteerd. Een column in een Belgisch medium dat ik hoog had zitten, schreef ik in mijn hoofd dus al af: er zijn genoeg mensen minder controversieel door hun afkomst, dus waarom zouden ze mij daarvoor kiezen?

Ik gooide wel eens lijntjes uit, maar ik moet toegeven: leuren is niet mijn sterkste kant en als je dan ook nog eens het vermoeden hebt dat het vechten tegen de bierkaai is, dan neemt de neiging je bakens te verzetten toe. Dus verzette ik mijn bakens.

Tot ik gebeld werd. Of ik een vaste column in De Standaard wilde. Op de opiniepagina’s.

Nog tijdens het telefoongesprek vestigde zich een brok in mijn keel. Wat? Ik? Een Hollandse? Een vaste column? In een medium dat ik hoog heb zitten?

Ik zei ja. Obviously.

De volgende dag werd ik wakker als columnist van De Standaard. Het maakte me nerveus, zoals dat hoort als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen, en ik huilde nog eens van verwarring en blijdschap. Ik las de krant nog beter dan anders. En ik ijsbeerde, zoals dat soms gaat als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen.

Ik praatte met Wannes en mijn ouders. Ik las, luisterde en zag alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik sliep slecht, maar liet de roetsjbaan maar begaan. Het leek me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in je nieuwe land, in een krant die je zo hoog hebt zitten.

Na een paar dagen nam de nervositeit af. Ik kan dit, dacht ik. Ik kan columnist van De Standaard zijn zonder mezelf belachelijk te maken. Ik ben geen bedrieger, want dat zou veronderstellen dat zij zo dom zouden zijn mij te vragen. Terwijl: ik heb ze hoog zitten en ik duld geen inconsistentie, kortom: ik kan dit.

En toen werd Trump president. Ik heb mijn mening doorgaans vrij snel paraat, maar dit ging te snel, te hard, te anders. Dat het niet in orde was, was duidelijk, maar hoe ik het allemaal precies moest beschouwen, was me die eerste dagen een raadsel. Dus golfde de nervositeit weer op. What the fuck? Waarom hebben ze me net nu columnist gemaakt? Hadden ze me niet even een aanloopje kunnen geven? Kon ik dit wel? Mijn referentiekader zo snel aanpassen dat het de moeite waard zou zijn om juist mijn mening op de opiniepagina’s te lezen?

Nu praat ik dus opnieuw met Wannes en mijn ouders. Ik lees, luister en zie alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik slaap slecht, maar laat de roetsjbaan maar begaan. Het lijkt me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in een nieuwe wereld.

Inmiddels neemt de nervositeit weer af, maar niet omdat ik weet dat ik het kan. Dus op hoop van zegen dan maar: ik ben columnist van De Standaard. En belangrijker: ik vind dat ik daarmee mijn inburgeringsdiploma met vlag en wimpel heb gehaald.

Een illusie armer

De nieuwssite voor personeel van de Vlaamse overheid, 13, bracht een jaarmagazine uit. Ik schreef er een column voor. 

Ter ere van mijn verhuizing van Nederland naar België organiseerde ik tien jaar geleden een afscheidsquiz voor mijn Amsterdamse vrienden. Een van de vragen was: hoeveel regeringen heeft België? Zelf wist ik dat omdat ik in de slipstream van ‘hoe bevries ik mijn pensioen als ik emigreer?’ ook even de uitvoerende macht van België had gegoogeld. Het aantal regeringen verbaasde me en de ultieme quizvraag was geboren. Op de quizavond zelf bleef het antwoord uit, waarna ik sardonisch in mijn vuistje lachte, mijn vrienden een afscheidskus gaf, mijn biezen pakte en mijn rommel over de grens zette.

Aan mijn nieuwe Vlaamse vrienden stelde ik later dezelfde vraag: hoeveel regeringen heeft België? Ze keken onverwacht glazig – vier? drie? zeven? – en vertrokken vervolgens naar de wc om te googelen. Het bleek een van de illusies die ik koesterde over de Belgen: naast de illusie dat ze allemaal min of meer tweetalig zouden zijn, dacht ik dat ze hun eigen staatsstructuur wél begrepen. Het duurde niet lang voor ik in de gaten kreeg dat ik met mijn intensieve cursus Frans menig Vlaming onder de tafel zou lullen en dat de vraag ‘hoeveel regeringen heeft België?’ een onverwoestbare quizvraag zou blijven.

Het stelde me gerust, want ik had de Wikipedia-pagina van de Belgische overheid dan wel meermaals uit mijn hoofd geleerd, het was me nog niet gelukt een overzichtelijk boomdiagrammetje van gewesten, gemeenschappen, regeringen en parlementen voor mijn geestesoog op te hangen. Maar daarmee viel ik dus niet uit de toon.

Uiteraard vroeg ik me af hoe ze het deden, die Vlamingen. Hoe kon je geen idee hebben welke overheden er zoal waren en toch een zinvol maatschappelijk leven leiden? Na een tijdje afkijken, kreeg ik in de smiezen wat de truc was: de Belgen googelden zich een ongeluk. Bij wie moet je zijn voor btw? Google. Wegenbelasting? Google. Nachtlawaai van vliegtuigen? Google. Rechtshulp? Google. Is Kris Peeters minister op Vlaams of op federaal niveau? Google. Welke verkiezingen zijn er ook alweer in 2018? Google.- Waarmee mijn inburgering in een handomdraai was volbracht, want googelen kan ik toevallig als de beste.

Kortom, er is niet veel verschil tussen u en mij, behalve dat ík al heb gegoogeld hoeveel regeringen België heeft en dat u dat nog moet doen. Want u dacht misschien dat u eraan zou ontkomen, maar nu ik u toch aan de lijn heb, laat ik de kans niet liggen om de quizvraag der quizvragen te stellen: lieve lezer, vertel eens, hoeveel regeringen heeft België eigenlijk?

Na 96 uur debatteren

Eén ding had ik me voorgenomen toen ik het Zwarte Pieten-stuk schreef: het gaat niet om mijn gelijk, het gaat überhaupt niet om mij, het gaat om het bewustzijn dat er uitsluitingsmechanismen zitten in ‘kleinigheden’ als Zwarte Piet en dat een beetje omzichtigheid in collectieve uitingen dús op zijn plaats is.

Dat uitgangspunt – het gaat niet om mijn gelijk – had tot gevolg dat ik álle gesprekken aan moest gaan, het ging mij er immers niet om dat de verschillende groepen op een eilandje hun middelvinger naar elkaar zouden opsteken, maar dat er in de samenleving een vleugje bewustzijn doordringt van de problemen die stereotiepe beeldvorming oplevert. Dat doe je niet door te zeggen: ja doei, rot maar op met je andere mening, maar door zo open mogelijk het gesprek met elkaar aan te gaan. Er waren vier problemen bij dat open gesprek:

De Nederlanders

Er zijn veel Nederlanders onder mijn volgers die over het algemeen een veel beter, breder, langer en doorwrochter debat achter de rug hebben. Voor hen was mijn stuk een herhaling van zetten en ik denk zelfs dat ze de indruk kregen dat ik ter eigener eer en glorie nog eens een paar zetten terugging. Simpelweg omdat Nederlanders niet beseffen dat in Vlaanderen het debat over beeldvorming nog nauwelijks is begonnen.

De Vlamingen

Vlamingen zijn doorgaans geen debaters, in tegenstelling tot de Amsterdamse en Utrechtse kringen waarin ik de eerste dertig jaar van mijn leven doorbracht. Dat heeft tot gevolg dat er misschien wel veel mensen zijn die mijn mening delen, maar die laten zich vaak niet horen omdat ze niet betrokken willen raken bij de discussie. En als ze zich wel mengen, doen ze dat sneller achter de schermen, in de mail of in een privébericht. In Vlaanderen heb ik veel sneller het idee dat ik er alleen voor sta.

De retoriek

Een open gesprek met mensen die retorische valstrikken opzetten, is lastig. Proberen je punt te maken temidden van de ad hominems, glijdende schalen en manke vergelijkingen is frustrerend, voor je het weet ga je zelf mee in de schofferingen. Beleefd blijven tegen mensen die geen enkele moeite doen om beleefd tegen jou te blijven is een ware evenwichtsoefening. Twee keer heb ik de afgelopen dagen sarcasme met sarcasme beantwoord en twee keer had ik direct daarna al spijt.

De hoeveelheid

De reacties kwamen op talloze platforms binnen: twitter, twitter-dm, facebook, facebook-pm, mail, real life, de facebookpagina van De Standaard, de website van De Standaard en mijn eigen website. Omdat ik besloten had elk gesprek even serieus te nemen, moest ik een selectie maken. Ik kon immers niet honderden serieuze gesprekken tegelijk voeren. Daarom heb ik twee discussieplekken achterwege gelaten: de facebookpagina van De Standaard en de website van De Standaard. Op álle andere plekken heb ik waar mogelijk gereageerd met uitgebreide en genuanceerde antwoorden.

Inmiddels begint de stroom reacties op te drogen. Toen ik vanochtend wakker werd – dag 5 – lagen er nog maar vier berichten te wachten.

Mijn indruk na vier dagen heel intensief discussiëren is als volgt: onder mijn volgers en de lezers van De Standaard is het aantal mensen dat er ongeveer zo over denkt als ik iets hoger dan het Vlaamse en Nederlandse gemiddelde, gok ik. Maar de medestanders hielden zich veel stiller, waardoor mijn artikel zeker 90 procent negatieve of licht-negatieve reacties opleverde. Een overzichtje:

De starren

Je hebt de starre debaters die heel erg bezig zijn met traditie en ‘onze’ cultuur, of met ‘dan moeten die minderheden maar niet zo overgevoelig doen’ of met uitschelden, victimblamen, kleineren, discrimineren (‘ga terug naar je eigen land!’) en omdraaien (‘wij worden gediscrimineerd!’). Dat waren niet erg vruchtbare gesprekken, maar zelfs die correspondenties draaiden uiteindelijk wel uit op een rustig uitwisselen van argumenten.

De olie-op-het-vuur-verwijters

Je hebt de mensen die het in grote lijnen met me eens zijn, maar die door de hyperbolen in mijn stuk getriggerd raken en vinden dat ik door mijn ongenuanceerde houding olie op het vuur gooi. Die gesprekken liepen vaak met een sisser af omdat ik na mijn 850 woorden in De Standaard de ruimte nam om in heel veel extra woorden mijn hyperbolen toe te lichten.

De pick-your-battle-aanhangers

Die olie-op-het-vuur-verwijters overlappen deels met de pragmatische pick-your-battle-aanhangers: zij die vinden dat er belangrijkere problemen omtrent racisme zijn en er daarom geen bezwaar in zien kleinere problemen te bagatelliseren. Het mag duidelijk zijn dat ik dat wel problematisch vind.

De backlashers

Onder hen bevinden zich de mensen die van mening zijn dat types als ik de oorzaak zijn van de aantrekkingskracht van Trump, Dewinter en Wilders. Zij vinden dat we geen detailkritiek moeten leveren, omdat de populistenliefhebbers zich dan ‘om niks’ genoodzaakt zien hun vuilbekkende politici in het zadel te helpen. In die kringen vind je ook de mensen felle anti-racisten beschuldigen van het aanwakkeren van racisme. Al deze mensen wijzen naar een paradox die ik niet zal ontkennen, maar waarvan ik niet denk dat de oplossing ligt in de problemen van steeds dezelfde mensen bagatelliseren.

De ontkenners van identity-politics

Tot slot heb je de felle ontkenners van ‘identity politics’ die vinden dat mijn hele insteek een vergiftigd debat oplevert en die gruwelen van het discours van white privilege en white fragility dat ik in mijn artikel aansneed. Het moeilijke aan deze gesprekken was dat we uiteindelijk vaak wel hetzelfde doel nastreven (structurele uitsluiting een halt toeroepen) maar zij verafschuwen mijn analyse en ik snap niet waarom zij dit soort geprivilegieerdheid geen plaats geven in een ongelijkheidsdebat.

Of ik mensen heb weten te overtuigen van het belang van aandacht voor stereotiepe beeldvorming kan ik niet goed nagaan. Ik weet wel dat het debat in Nederland elk jaar een heel kleine verschuiving oplevert, richting meer bewustzijn en meer begrip voor de negatieve gevolgen van stereotypering (vergelijk 2013 met 2014 en 2015). Natuurlijk hoop ik dat de dialoog waar ik zojuist vier dagen aan besteed heb ook in Vlaanderen iets dergelijks teweegbrengt.

Twee dingen heeft mijn stuk zeker opgeleverd:

Steun

Steun aan mensen die niet of weinig gehoord worden. Elke keer dat ik stigmatisering en stereotypering aansnijd in mijn opiniestukken krijg ik brieven van mensen die blij zijn dat ik aan hun kant sta, of die opgelucht zijn dat ik hun gedachten heb verwoord zoals ze het zelf niet durven of kunnen. Opvallend vaak staat er iets als: ik probeer vaak aan vrienden uit te leggen waarom ik me gediscrimineerd voel, nu kan ik ze jouw stuk laten lezen. Dat lijkt me pure winst.

Dialoog

Een ding hoorde ik de afgelopen dagen erg vaak: ‘Ik heb zelden zo’n genuanceerde discussie gezien over dit onderwerp.’ En hoewel ik me goed kan voorstellen dat het geduld van de gediscrimineerden al tijden op is, denk ik dat het toch altijd daar om draait: dialoog, nuances, begrip, tijd. En hoeveel ik ook over me heen heb gekregen de afgelopen dagen, als er een opgelucht ‘wat is het gesprek hier open!’ klinkt, ben ik toch blij met hoe het is gegaan.

Zwarte Piet is wel een probleem

Wie Zwarte Piet afdoet als ‘geen probleem’, heeft een probleem, schrijft Maartje Luif: het probleem van het witte privilege.

‘Volkomen overbodig, dat Pietenpact’, zei N-VA-voorzitter Bart De Wever zaterdag bij de aankomst van Sinterklaas in Antwerpen. De neiging negatieve stereotyperingen af te doen als ‘geen probleem’ zie je niet alleen bij politici, maar ook in de talloze discussies op sociale media. Ik verbaas me over de ontkenners. Laat ik hun argumenten even overlopen.

‘Maar Zwarte Piet is toch zwart van het roet en dus niet racistisch?’

Op dat punt zijn de rangen niet gesloten. Jazeker, er zijn onderzoekers die beweren dat er geen connecties zijn tussen Zwarte Piet, het slavernijverleden en koloniale onderdrukking, maar er zijn er ook die, ongeacht de herkomst, onmiskenbaar tekenen van racisme zien, waaronder de VN-commissie tegen rassendiscriminatie. In feite gaat het er niet om wat de uitsluiter bedoelt, maar om wat de uitgeslotene ervaart. Als zwarte mensen lijden onder een karikatuur, is het niet relevant welke achtergronden het scheldwoord heeft. Als het hele systeem is gebouwd op witte mensen met witte voorkeuren en witte feestjes, waardoor er nergens normale rolmodellen opduiken, dan is het geen excuus dat een karikatuur goedbedoeld is, dan is de stereotypering een onderdeel van een systeem dat uitsluit.

‘Waarom moeten we onze cultuur aanpassen?’

Wie is ‘ons’? Horen de mensen die Zwarte Piet een nare stereotypering vinden ook bij ons? En zo nee, bewijst dat niet dat we steeds dezelfde minderheid uitsluiten?
Bovendien, als ik in deze tijden iets hoor over ‘onze’ cultuur, dan gaat dat doorgaans niet over ‘mijn’ cultuur van solidariteit. Wat opnieuw de vraag oproept: wie is ‘ons’?
Overigens is het maar goed ook dat we in weerwil van onze tradities wat gewoontes overboord gooien. Hoe waren we anders ooit van slavernij, louter mannenkiesrecht en de galgenvelden verlost geraakt?

‘Kunnen we het niet over écht racisme hebben?’

Het venijn van racisme ligt onder de oppervlakte: wit privilege. Wit privilege is de term voor het ongevraagde voordeel dat elk wit persoon heeft door geen ‘andere’ huidskleur te hebben. Het voordeel van minder snel aangehouden te worden, het voordeel van sneller werk te krijgen, het voordeel van niet met argwaan bekeken te worden, enzovoort. Door de luxe van dat privilege is het enige racisme dat de meerderheid ziet dat van de schaamteloze schreeuwers die openlijk uitsluiten. Dat is schandalig, vinden we, maar het systematische racisme laten we ongemoeid. We durven zelfs te zeggen dat als we niet langer ons gezicht schminken, we zwarte mensen uitsluiten, of potsierlijker: worden witte mensen in de hoedanigheid van een knecht niet net zo goed geridiculiseerd? Die vergelijking gaat mank. Witte mannen hebben niet jarenlang dezelfde patronen van misprijzen, onderschatting en wantrouwen moeten ondergaan als zwarte mensen. Alleen de witte meerderheid heeft de luxe onderscheid te maken tussen echt en onecht racisme. Daarom is het goed geen verschil te maken tussen het bedoelde ‘echte racisme’ van ‘echte racisten’ en ‘het onbedoelde niet echte racisme’ van ‘niet-racisten’. Er is racistisch gedrag, er zijn racistische stereotyperingen, er zijn racistische systemen. Zolang we goede bedoelingen als excuus zien, verandert er niks.

‘Waarom zouden we de wil van de minderheid moeten uitvoeren?’

Racisme is niet voor niets strafbaar, het is een aantasting van de grondrechten van mensen. Zolang er twijfel is, neem je in het geval van grondrechten het zekere voor het onzekere.
Daarbij: wit privilege betekent ook dat witte mensen bepalen hoe het racismedebat verloopt. Hebben ze er genoeg van? Dan stopt het. Vinden ze het weer eventjes belangrijk? Dan gaat het door. Vinden ze het niet erg genoeg, zoals Zwarte Piet? Dan is het geen racisme. In dat opzicht is het racismedebat een catch 22. Wordt het serieus genomen, dan is dat dankzij de witte meerderheid, wordt het niet serieus genomen, dan bestaat het niet. En ja, ik realiseer me dat ik – as we speak – mijn privilege gebruik en dat ik daar voorzichtig mee moet zijn.

‘We verpesten een kinderfeest!’

Ten eerste: welnee, kinderen willen cadeautjes, snoep, magie. Ze willen niet dat andere kinderen zich buitengesloten voelen. En als je ze op de mouw hebt kunnen spelden dat Zwarte Piet door de schoorsteen komt, dan is een plotwending over zijn uiterlijk niet het grootste probleem. Toen ik voor het eerst de Amerikaanse Pino zag – geel in plaats van blauw – dacht ik: wat een rare Pino. Daarna viel het me niet meer op.
Maar belangrijker: is het een kinderfeest van iedereen? Ook van de kinderen die getergd worden door karikaturale beeldvorming rond hun uiterlijk, die dankzij hun huidskleur een traject ingaan waarin te vaak niet serieus genomen worden centraal staat?

‘Het protest werkt alleen maar averechts!’

Daar is een woord voor: witte breekbaarheid. Mensen die worden gewezen op gedrag dat negatieve stereotyperingen in stand houdt, schieten in een kramp. ‘Maar ik ben toch geen racist!?’ ‘En mogen wij ook boos worden als de Pieten allemaal wit zijn?’ ‘Door dat gezeur heb ik alleen maar minder sympathie voor de anti-racisten.’ ‘Dit werkt averechts!’ In plaats van in te zien dat het tijd is om te luisteren, trekken de geprivilegieerden zich terug achter een muur van slachtofferschap. Waarmee ze de discussie naar zich toe trekken en we weer terug bij af zijn.

Omdat ik het verdienmodel van mijn opdrachtgever graag terwille ben, plaats ik mijn stukken vaak pas na een week door. Maar omdat er veel mensen reageren zonder het stuk gelezen te hebben, plaats ik het deze keer al een dag later. Dit opiniestuk verscheen op maandag 14 november 2016 in De Standaard.