Columns

Met veel plezier schrijf (en schreef) ik columns voor allerlei fijne opdrachtgevers, waaronder Radio 1, VPRO en De Standaard.

Vaste columnist bij De Standaard

Jarenlang hoopte ik het, een vaste column in een medium dat ik hoog had zitten. Ik schreef al veel columns voor grote media, maar vaak tijdelijk, of wel vast, maar dan in niche-media, of in media die niemand kende, of in media die net zo goed niet hadden kunnen bestaan, of of of.

De mensen die mij al langer volgen, weten dat ik me maar deels geaccepteerd voel in België, soms voel ik me eerder ‘getolereerd’ en af en toe voel ik me zelfs niet geaccepteerd. Een column in een Belgisch medium dat ik hoog had zitten, schreef ik in mijn hoofd dus al af: er zijn genoeg mensen minder controversieel door hun afkomst, dus waarom zouden ze mij daarvoor kiezen?

Ik gooide wel eens lijntjes uit, maar ik moet toegeven: leuren is niet mijn sterkste kant en als je dan ook nog eens het vermoeden hebt dat het vechten tegen de bierkaai is, dan neemt de neiging je bakens te verzetten toe. Dus verzette ik mijn bakens.

Tot ik gebeld werd. Of ik een vaste column in De Standaard wilde. Op de opiniepagina’s.

Nog tijdens het telefoongesprek vestigde zich een brok in mijn keel. Wat? Ik? Een Hollandse? Een vaste column? In een medium dat ik hoog heb zitten?

Ik zei ja. Obviously.

De volgende dag werd ik wakker als columnist van De Standaard. Het maakte me nerveus, zoals dat hoort als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen, en ik huilde nog eens van verwarring en blijdschap. Ik las de krant nog beter dan anders. En ik ijsbeerde, zoals dat soms gaat als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen.

Ik praatte met Wannes en mijn ouders. Ik las, luisterde en zag alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik sliep slecht, maar liet de roetsjbaan maar begaan. Het leek me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in je nieuwe land, in een krant die je zo hoog hebt zitten.

Na een paar dagen nam de nervositeit af. Ik kan dit, dacht ik. Ik kan columnist van De Standaard zijn zonder mezelf belachelijk te maken. Ik ben geen bedrieger, want dat zou veronderstellen dat zij zo dom zouden zijn mij te vragen. Terwijl: ik heb ze hoog zitten en ik duld geen inconsistentie, kortom: ik kan dit.

En toen werd Trump president. Ik heb mijn mening doorgaans vrij snel paraat, maar dit ging te snel, te hard, te anders. Dat het niet in orde was, was duidelijk, maar hoe ik het allemaal precies moest beschouwen, was me die eerste dagen een raadsel. Dus golfde de nervositeit weer op. What the fuck? Waarom hebben ze me net nu columnist gemaakt? Hadden ze me niet even een aanloopje kunnen geven? Kon ik dit wel? Mijn referentiekader zo snel aanpassen dat het de moeite waard zou zijn om juist mijn mening op de opiniepagina’s te lezen?

Nu praat ik dus opnieuw met Wannes en mijn ouders. Ik lees, luister en zie alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik slaap slecht, maar laat de roetsjbaan maar begaan. Het lijkt me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in een nieuwe wereld.

Inmiddels neemt de nervositeit weer af, maar niet omdat ik weet dat ik het kan. Dus op hoop van zegen dan maar: ik ben columnist van De Standaard. En belangrijker: ik vind dat ik daarmee mijn inburgeringsdiploma met vlag en wimpel heb gehaald.

Een illusie armer

De nieuwssite voor personeel van de Vlaamse overheid, 13, bracht een jaarmagazine uit. Ik schreef er een column voor. 

Ter ere van mijn verhuizing van Nederland naar België organiseerde ik tien jaar geleden een afscheidsquiz voor mijn Amsterdamse vrienden. Een van de vragen was: hoeveel regeringen heeft België? Zelf wist ik dat omdat ik in de slipstream van ‘hoe bevries ik mijn pensioen als ik emigreer?’ ook even de uitvoerende macht van België had gegoogeld. Het aantal regeringen verbaasde me en de ultieme quizvraag was geboren. Op de quizavond zelf bleef het antwoord uit, waarna ik sardonisch in mijn vuistje lachte, mijn vrienden een afscheidskus gaf, mijn biezen pakte en mijn rommel over de grens zette.

Aan mijn nieuwe Vlaamse vrienden stelde ik later dezelfde vraag: hoeveel regeringen heeft België? Ze keken onverwacht glazig – vier? drie? zeven? – en vertrokken vervolgens naar de wc om te googelen. Het bleek een van de illusies die ik koesterde over de Belgen: naast de illusie dat ze allemaal min of meer tweetalig zouden zijn, dacht ik dat ze hun eigen staatsstructuur wél begrepen. Het duurde niet lang voor ik in de gaten kreeg dat ik met mijn intensieve cursus Frans menig Vlaming onder de tafel zou lullen en dat de vraag ‘hoeveel regeringen heeft België?’ een onverwoestbare quizvraag zou blijven.

Het stelde me gerust, want ik had de Wikipedia-pagina van de Belgische overheid dan wel meermaals uit mijn hoofd geleerd, het was me nog niet gelukt een overzichtelijk boomdiagrammetje van gewesten, gemeenschappen, regeringen en parlementen voor mijn geestesoog op te hangen. Maar daarmee viel ik dus niet uit de toon.

Uiteraard vroeg ik me af hoe ze het deden, die Vlamingen. Hoe kon je geen idee hebben welke overheden er zoal waren en toch een zinvol maatschappelijk leven leiden? Na een tijdje afkijken, kreeg ik in de smiezen wat de truc was: de Belgen googelden zich een ongeluk. Bij wie moet je zijn voor btw? Google. Wegenbelasting? Google. Nachtlawaai van vliegtuigen? Google. Rechtshulp? Google. Is Kris Peeters minister op Vlaams of op federaal niveau? Google. Welke verkiezingen zijn er ook alweer in 2018? Google.- Waarmee mijn inburgering in een handomdraai was volbracht, want googelen kan ik toevallig als de beste.

Kortom, er is niet veel verschil tussen u en mij, behalve dat ík al heb gegoogeld hoeveel regeringen België heeft en dat u dat nog moet doen. Want u dacht misschien dat u eraan zou ontkomen, maar nu ik u toch aan de lijn heb, laat ik de kans niet liggen om de quizvraag der quizvragen te stellen: lieve lezer, vertel eens, hoeveel regeringen heeft België eigenlijk?

Na 96 uur debatteren

Eén ding had ik me voorgenomen toen ik het Zwarte Pieten-stuk schreef: het gaat niet om mijn gelijk, het gaat überhaupt niet om mij, het gaat om het bewustzijn dat er uitsluitingsmechanismen zitten in ‘kleinigheden’ als Zwarte Piet en dat een beetje omzichtigheid in collectieve uitingen dús op zijn plaats is.

Dat uitgangspunt – het gaat niet om mijn gelijk – had tot gevolg dat ik álle gesprekken aan moest gaan, het ging mij er immers niet om dat de verschillende groepen op een eilandje hun middelvinger naar elkaar zouden opsteken, maar dat er in de samenleving een vleugje bewustzijn doordringt van de problemen die stereotiepe beeldvorming oplevert. Dat doe je niet door te zeggen: ja doei, rot maar op met je andere mening, maar door zo open mogelijk het gesprek met elkaar aan te gaan. Er waren vier problemen bij dat open gesprek:

De Nederlanders

Er zijn veel Nederlanders onder mijn volgers die over het algemeen een veel beter, breder, langer en doorwrochter debat achter de rug hebben. Voor hen was mijn stuk een herhaling van zetten en ik denk zelfs dat ze de indruk kregen dat ik ter eigener eer en glorie nog eens een paar zetten terugging. Simpelweg omdat Nederlanders niet beseffen dat in Vlaanderen het debat over beeldvorming nog nauwelijks is begonnen.

De Vlamingen

Vlamingen zijn doorgaans geen debaters, in tegenstelling tot de Amsterdamse en Utrechtse kringen waarin ik de eerste dertig jaar van mijn leven doorbracht. Dat heeft tot gevolg dat er misschien wel veel mensen zijn die mijn mening delen, maar die laten zich vaak niet horen omdat ze niet betrokken willen raken bij de discussie. En als ze zich wel mengen, doen ze dat sneller achter de schermen, in de mail of in een privébericht. In Vlaanderen heb ik veel sneller het idee dat ik er alleen voor sta.

De retoriek

Een open gesprek met mensen die retorische valstrikken opzetten, is lastig. Proberen je punt te maken temidden van de ad hominems, glijdende schalen en manke vergelijkingen is frustrerend, voor je het weet ga je zelf mee in de schofferingen. Beleefd blijven tegen mensen die geen enkele moeite doen om beleefd tegen jou te blijven is een ware evenwichtsoefening. Twee keer heb ik de afgelopen dagen sarcasme met sarcasme beantwoord en twee keer had ik direct daarna al spijt.

De hoeveelheid

De reacties kwamen op talloze platforms binnen: twitter, twitter-dm, facebook, facebook-pm, mail, real life, de facebookpagina van De Standaard, de website van De Standaard en mijn eigen website. Omdat ik besloten had elk gesprek even serieus te nemen, moest ik een selectie maken. Ik kon immers niet honderden serieuze gesprekken tegelijk voeren. Daarom heb ik twee discussieplekken achterwege gelaten: de facebookpagina van De Standaard en de website van De Standaard. Op álle andere plekken heb ik waar mogelijk gereageerd met uitgebreide en genuanceerde antwoorden.

Inmiddels begint de stroom reacties op te drogen. Toen ik vanochtend wakker werd – dag 5 – lagen er nog maar vier berichten te wachten.

Mijn indruk na vier dagen heel intensief discussiëren is als volgt: onder mijn volgers en de lezers van De Standaard is het aantal mensen dat er ongeveer zo over denkt als ik iets hoger dan het Vlaamse en Nederlandse gemiddelde, gok ik. Maar de medestanders hielden zich veel stiller, waardoor mijn artikel zeker 90 procent negatieve of licht-negatieve reacties opleverde. Een overzichtje:

De starren

Je hebt de starre debaters die heel erg bezig zijn met traditie en ‘onze’ cultuur, of met ‘dan moeten die minderheden maar niet zo overgevoelig doen’ of met uitschelden, victimblamen, kleineren, discrimineren (‘ga terug naar je eigen land!’) en omdraaien (‘wij worden gediscrimineerd!’). Dat waren niet erg vruchtbare gesprekken, maar zelfs die correspondenties draaiden uiteindelijk wel uit op een rustig uitwisselen van argumenten.

De olie-op-het-vuur-verwijters

Je hebt de mensen die het in grote lijnen met me eens zijn, maar die door de hyperbolen in mijn stuk getriggerd raken en vinden dat ik door mijn ongenuanceerde houding olie op het vuur gooi. Die gesprekken liepen vaak met een sisser af omdat ik na mijn 850 woorden in De Standaard de ruimte nam om in heel veel extra woorden mijn hyperbolen toe te lichten.

De pick-your-battle-aanhangers

Die olie-op-het-vuur-verwijters overlappen deels met de pragmatische pick-your-battle-aanhangers: zij die vinden dat er belangrijkere problemen omtrent racisme zijn en er daarom geen bezwaar in zien kleinere problemen te bagatelliseren. Het mag duidelijk zijn dat ik dat wel problematisch vind.

De backlashers

Onder hen bevinden zich de mensen die van mening zijn dat types als ik de oorzaak zijn van de aantrekkingskracht van Trump, Dewinter en Wilders. Zij vinden dat we geen detailkritiek moeten leveren, omdat de populistenliefhebbers zich dan ‘om niks’ genoodzaakt zien hun vuilbekkende politici in het zadel te helpen. In die kringen vind je ook de mensen felle anti-racisten beschuldigen van het aanwakkeren van racisme. Al deze mensen wijzen naar een paradox die ik niet zal ontkennen, maar waarvan ik niet denk dat de oplossing ligt in de problemen van steeds dezelfde mensen bagatelliseren.

De ontkenners van identity-politics

Tot slot heb je de felle ontkenners van ‘identity politics’ die vinden dat mijn hele insteek een vergiftigd debat oplevert en die gruwelen van het discours van white privilege en white fragility dat ik in mijn artikel aansneed. Het moeilijke aan deze gesprekken was dat we uiteindelijk vaak wel hetzelfde doel nastreven (structurele uitsluiting een halt toeroepen) maar zij verafschuwen mijn analyse en ik snap niet waarom zij dit soort geprivilegieerdheid geen plaats geven in een ongelijkheidsdebat.

Of ik mensen heb weten te overtuigen van het belang van aandacht voor stereotiepe beeldvorming kan ik niet goed nagaan. Ik weet wel dat het debat in Nederland elk jaar een heel kleine verschuiving oplevert, richting meer bewustzijn en meer begrip voor de negatieve gevolgen van stereotypering (vergelijk 2013 met 2014 en 2015). Natuurlijk hoop ik dat de dialoog waar ik zojuist vier dagen aan besteed heb ook in Vlaanderen iets dergelijks teweegbrengt.

Twee dingen heeft mijn stuk zeker opgeleverd:

Steun

Steun aan mensen die niet of weinig gehoord worden. Elke keer dat ik stigmatisering en stereotypering aansnijd in mijn opiniestukken krijg ik brieven van mensen die blij zijn dat ik aan hun kant sta, of die opgelucht zijn dat ik hun gedachten heb verwoord zoals ze het zelf niet durven of kunnen. Opvallend vaak staat er iets als: ik probeer vaak aan vrienden uit te leggen waarom ik me gediscrimineerd voel, nu kan ik ze jouw stuk laten lezen. Dat lijkt me pure winst.

Dialoog

Een ding hoorde ik de afgelopen dagen erg vaak: ‘Ik heb zelden zo’n genuanceerde discussie gezien over dit onderwerp.’ En hoewel ik me goed kan voorstellen dat het geduld van de gediscrimineerden al tijden op is, denk ik dat het toch altijd daar om draait: dialoog, nuances, begrip, tijd. En hoeveel ik ook over me heen heb gekregen de afgelopen dagen, als er een opgelucht ‘wat is het gesprek hier open!’ klinkt, ben ik toch blij met hoe het is gegaan.

Zwarte Piet is wel een probleem

Wie Zwarte Piet afdoet als ‘geen probleem’, heeft een probleem, schrijft Maartje Luif: het probleem van het witte privilege.

‘Volkomen overbodig, dat Pietenpact’, zei N-VA-voorzitter Bart De Wever zaterdag bij de aankomst van Sinterklaas in Antwerpen. De neiging negatieve stereotyperingen af te doen als ‘geen probleem’ zie je niet alleen bij politici, maar ook in de talloze discussies op sociale media. Ik verbaas me over de ontkenners. Laat ik hun argumenten even overlopen.

‘Maar Zwarte Piet is toch zwart van het roet en dus niet racistisch?’

Op dat punt zijn de rangen niet gesloten. Jazeker, er zijn onderzoekers die beweren dat er geen connecties zijn tussen Zwarte Piet, het slavernijverleden en koloniale onderdrukking, maar er zijn er ook die, ongeacht de herkomst, onmiskenbaar tekenen van racisme zien, waaronder de VN-commissie tegen rassendiscriminatie. In feite gaat het er niet om wat de uitsluiter bedoelt, maar om wat de uitgeslotene ervaart. Als zwarte mensen lijden onder een karikatuur, is het niet relevant welke achtergronden het scheldwoord heeft. Als het hele systeem is gebouwd op witte mensen met witte voorkeuren en witte feestjes, waardoor er nergens normale rolmodellen opduiken, dan is het geen excuus dat een karikatuur goedbedoeld is, dan is de stereotypering een onderdeel van een systeem dat uitsluit.

‘Waarom moeten we onze cultuur aanpassen?’

Wie is ‘ons’? Horen de mensen die Zwarte Piet een nare stereotypering vinden ook bij ons? En zo nee, bewijst dat niet dat we steeds dezelfde minderheid uitsluiten?
Bovendien, als ik in deze tijden iets hoor over ‘onze’ cultuur, dan gaat dat doorgaans niet over ‘mijn’ cultuur van solidariteit. Wat opnieuw de vraag oproept: wie is ‘ons’?
Overigens is het maar goed ook dat we in weerwil van onze tradities wat gewoontes overboord gooien. Hoe waren we anders ooit van slavernij, louter mannenkiesrecht en de galgenvelden verlost geraakt?

‘Kunnen we het niet over écht racisme hebben?’

Het venijn van racisme ligt onder de oppervlakte: wit privilege. Wit privilege is de term voor het ongevraagde voordeel dat elk wit persoon heeft door geen ‘andere’ huidskleur te hebben. Het voordeel van minder snel aangehouden te worden, het voordeel van sneller werk te krijgen, het voordeel van niet met argwaan bekeken te worden, enzovoort. Door de luxe van dat privilege is het enige racisme dat de meerderheid ziet dat van de schaamteloze schreeuwers die openlijk uitsluiten. Dat is schandalig, vinden we, maar het systematische racisme laten we ongemoeid. We durven zelfs te zeggen dat als we niet langer ons gezicht schminken, we zwarte mensen uitsluiten, of potsierlijker: worden witte mensen in de hoedanigheid van een knecht niet net zo goed geridiculiseerd? Die vergelijking gaat mank. Witte mannen hebben niet jarenlang dezelfde patronen van misprijzen, onderschatting en wantrouwen moeten ondergaan als zwarte mensen. Alleen de witte meerderheid heeft de luxe onderscheid te maken tussen echt en onecht racisme. Daarom is het goed geen verschil te maken tussen het bedoelde ‘echte racisme’ van ‘echte racisten’ en ‘het onbedoelde niet echte racisme’ van ‘niet-racisten’. Er is racistisch gedrag, er zijn racistische stereotyperingen, er zijn racistische systemen. Zolang we goede bedoelingen als excuus zien, verandert er niks.

‘Waarom zouden we de wil van de minderheid moeten uitvoeren?’

Racisme is niet voor niets strafbaar, het is een aantasting van de grondrechten van mensen. Zolang er twijfel is, neem je in het geval van grondrechten het zekere voor het onzekere.
Daarbij: wit privilege betekent ook dat witte mensen bepalen hoe het racismedebat verloopt. Hebben ze er genoeg van? Dan stopt het. Vinden ze het weer eventjes belangrijk? Dan gaat het door. Vinden ze het niet erg genoeg, zoals Zwarte Piet? Dan is het geen racisme. In dat opzicht is het racismedebat een catch 22. Wordt het serieus genomen, dan is dat dankzij de witte meerderheid, wordt het niet serieus genomen, dan bestaat het niet. En ja, ik realiseer me dat ik – as we speak – mijn privilege gebruik en dat ik daar voorzichtig mee moet zijn.

‘We verpesten een kinderfeest!’

Ten eerste: welnee, kinderen willen cadeautjes, snoep, magie. Ze willen niet dat andere kinderen zich buitengesloten voelen. En als je ze op de mouw hebt kunnen spelden dat Zwarte Piet door de schoorsteen komt, dan is een plotwending over zijn uiterlijk niet het grootste probleem. Toen ik voor het eerst de Amerikaanse Pino zag – geel in plaats van blauw – dacht ik: wat een rare Pino. Daarna viel het me niet meer op.
Maar belangrijker: is het een kinderfeest van iedereen? Ook van de kinderen die getergd worden door karikaturale beeldvorming rond hun uiterlijk, die dankzij hun huidskleur een traject ingaan waarin te vaak niet serieus genomen worden centraal staat?

‘Het protest werkt alleen maar averechts!’

Daar is een woord voor: witte breekbaarheid. Mensen die worden gewezen op gedrag dat negatieve stereotyperingen in stand houdt, schieten in een kramp. ‘Maar ik ben toch geen racist!?’ ‘En mogen wij ook boos worden als de Pieten allemaal wit zijn?’ ‘Door dat gezeur heb ik alleen maar minder sympathie voor de anti-racisten.’ ‘Dit werkt averechts!’ In plaats van in te zien dat het tijd is om te luisteren, trekken de geprivilegieerden zich terug achter een muur van slachtofferschap. Waarmee ze de discussie naar zich toe trekken en we weer terug bij af zijn.

Omdat ik het verdienmodel van mijn opdrachtgever graag terwille ben, plaats ik mijn stukken vaak pas na een week door. Maar omdat er veel mensen reageren zonder het stuk gelezen te hebben, plaats ik het deze keer al een dag later. Dit opiniestuk verscheen op maandag 14 november 2016 in De Standaard.

 

Lieve papa, we moeten terughoudend zijn

Het opiniestuk ‘Wijs ook je nonkel eens op sluimerend racisme’ van MAARTJE LUIF (DS 4 augustus) riep veel reacties op. Voor velen waren de in het stuk genoemde voorbeelden over Zwarte Piet en het woord ‘neger’ geen kwestie van sluimerend racisme. De Nederlandse vader van Luif stuurde haar een mail over waarom ‘neger’ voor hem een neutraal woord is. Zijn uiteenzetting was feitelijk, helder en doorwrocht, maar in haar antwoord legde Luif uit dat dat voorbijgaat aan iets cruciaals: het is niet aan de witte meerderheid om te bepalen wat racisme is en wat niet.

Lieve papa,

Bedankt voor je mailtje. De feiten die je noemt kan ik uiteraard niet weerspreken of snel even nazoeken, maar omdat mijn argumenten op zo’n ander vlak liggen dan de jouwe is dat mijns inziens niet nodig. Ik zou zelfs willen zeggen dat jouw technische benadering een deel van het probleem is: gevoelens van uitsluiting hoef je natuurlijk niet te kunnen herleiden tot een betekenis in een woordenboek of een paragraaf in een geschiedenisboek, die kunnen ook ontstaan door de situaties waarin het woord tot nu steeds gebruikt wordt of werd. Het woord ‘neger’ heeft voor veel donkere mensen wel degelijk een zware lading, vermoedelijk ook omdat het woord vaak opduikt in situaties waarin je als donkere toch eerst en vooral ‘de neger’ bent.

Level playing field

Voor mij is het hetzelfde als met Zwarte Piet: het gaat erom dat je gevoeligheden van minderheden net zo serieus neemt als die van de meerderheid, en het is een kleinigheid om ermee te stoppen. Bij beide discussies is het geen ‘level playing field’, oftewel: zwarten hebben niet net zoveel ruimte om dit debat in hun voordeel te slechten. Dat lijkt me een extra reden om terughoudend te zijn in ons oordeel.

Daarnaast heb je bij veel vormen van discriminatie dat de meerderheid voor de minderheid bepaalt of het überhaupt gevoelig mag liggen: mannen die vrouwen vertellen wat wel en niet seksisme is, christenen die moslims vertellen wat wel en niet islamofobie is, of witten die zwarten vertellen waar ze wel en niet een vieze smaak van in hun mond mogen krijgen.

Racisme is een groot woord voor de uitsluiting die mensen door zo’n woord kunnen voelen, bovendien is het in het geval van dit woord (of Zwarte Piet) in 99 procent van de gevallen geen opzettelijke uitsluiting. Maar volgens mij zit daar het gevaar: mensen zijn minder bereid om zichzelf een spiegel voor te houden als het niet opzettelijk is. Het racisme op de arbeidsmarkt zit hem vermoedelijk grotendeels in onopzettelijk racisme. De onopzettelijke uitsluiter staat in zo’n situatie niet veel anders te doen dan op zijn tenen lopen – en dat is ook helemaal niet zo erg, zou ik zeggen.

Ga de discussie aan

Dit soort debatten wordt in Vlaanderen te weinig gevoerd. Er is alleen maar grote opluchting dat het Zwarte Pieten-debat steeds overwaait en er is een ijzingwekkend zwijgen bij de meerderheid over uitsluitende of racistische opmerkingen op tv en in kleine kring.

Jij bent het met me oneens over het woord ‘neger’ – en er zijn er veel meer – en uiteraard heb ik ook al brieven gekregen over Zwarte Piet, want zoals we allemaal weten is ook daarover lang niet elk weldenkend mens het met me eens. Een van de redenen dat ik ervoor heb gekozen in mijn column die controversiële onderwerpen te noemen, is dit debat, de mailwisseling die wij nu hebben.

We kunnen de maatschappelijke structuur waarbij sommige mensen zich geen deelnemers voelen alleen ter discussie stellen wanneer we ook zaken onder de loep nemen die voor de meerderheid niet vanzelfsprekend lijken. Ik verkeer niet in de illusie iedereen te kunnen overtuigen, maar ik vind het wel belangrijk dat we het erover hebben. Ik waardeer het dus heel erg dat je de discussie aangaat, hoewel ik me ook kan voorstellen dat je hierna weer stopt.

Liefs,

Maartje

Deze brief uit een langere correspondentie met mijn vader verscheen op dinsdag 9 augustus 2016 in De Standaard.

Wijs ook je nonkel eens op sluimerend racisme

Richt je niet alleen op de uitwassen van racisme bij clubjes die niet je vrienden zijn, schrijft Maartje Luif, want het ‘afvoerputje’ begint bij onszelf.

Vanochtend kreeg ik een Facebookverzoek van Michael, de jongen met wie ik dertig jaar geleden voor de eerste keer tongde. Ik had hem een paar jaar geleden al eens opgezocht op Facebook, hem ‘bevriend’ en hem meteen weer ‘ontvriend’ vanwege zijn rabiate migrantenhaat en zijn rechts-nationalistische geblaat. Maar kennelijk dacht hij dat mijn eenzijdige opzegging per ongeluk was en dus stond hij opnieuw bij de vriendschapsverzoeken.

Mijn eerste reactie was: nee zeg, niet weer dat racistische gedoe, maar toen dacht ik: wat als iedereen dat denkt? Wat als ik en mijn Facebookvriendjes in ons coconnetje blijven zitten? Wie spreekt dan die gasten aan die racistische praat verkopen op de Facebookpagina van de Vlaamse Verdedigings Liga na de dood van een vijftienjarige jongen uit Genk? Wie spreekt mijn Michael aan op zijn giftige denktrant? Wie probeert ze tot rede te brengen?

Aanpassen aan ‘onze’ waarden

‘Het afvoerputje’ worden sociale media en krantencommentaren vaak genoemd. Dat klinkt natuurlijk goed, een soort riool waar alleen het laagste van het laagste in terechtkomt en waar wij als propere pompbakvulling uiteraard niet bij horen. Wij zijn geen racist. Het afvoerputje: dat zijn de anderen.

Maar we mogen niet vergeten dat de grote brokken die we in het afvoerputje vinden – van die vieze brokken die je doen kokhalzen als je ze eruitvist – voortkomen uit de soep die we eerder zelf hebben bereid. Een soep waarin nationalisme, het afwijzen van andersdenkenden en het focussen op aanpassing aan ‘onze’ waarden en ‘onze’ samenleving tot een kookpunt is gebracht.

Natuurlijk kunnen we ons niet verantwoordelijk voelen voor alle schreeuwers en trollen op internet, maar we kunnen sluimerend racisme in en om het huis wel vaker ter discussie stellen en toegeven dat racisme niet alleen onder die ene tegel van de Vlaamse Verdedigings Liga te vinden is, maar ook op onze socialemediakanalen, op verjaardagsfeestjes en op ons werk. Het is gemakkelijk fulmineren tegen mensen die je niet kent omdat ze bij een schimmig nationalistisch clubje horen en dus godzijdank niet jouw vrienden zijn, maar we komen allemaal wel eens iemand tegen die het woord ‘neger’ of ‘zwartje’ nog steeds gebruikt, we kennen allemaal mensen die ondanks de afkeuring van het VN-Comité voor uitbanning van rassendiscriminatie het fenomeen Zwarte Piet geen enkel probleem vinden, of iemand die hamert op ‘onze’ waarden, ‘onze’ samenleving en daarmee eender welke ‘ander’ al bij voorbaat verdacht maakt.

De lieve vrede

Het afvoerputje begint bij onszelf, onze naasten en bekenden. Mensen met wie je, als je het belangrijk genoeg vindt, een gesprek kunt aangaan: je baas, je nonkel, mensen met wie je ooit tongde. Dat is niet gemakkelijk, want er zijn namelijk nogal wat obstakels bij het veranderen van mening. Zo doen onze hersenen er alles aan om onze eigen mening bevestigd te krijgen, ze sturen als het ware onze redeneertrant tot de feiten in onze richting wijzen. Daarnaast houdt ook de dwingende selectie van internetsoftware zoals het Facebook-algoritme ons veilig binnen de muren van onze eigen zeepbel. We krijgen meer te zien van zaken waar we enthousiast op reageren, en minder van de personen, media en organisaties waar we minder interactie mee hebben en zien onszelf zo steeds weer in het midden van de waarheid. En tot slot: we leggen een laten-we-het-wel-gezellig-houden-filter over onze contacten en beoefenen zo zelfcensuur ten behoeve van de lieve vrede.

Maar niettemin lijkt het de moeite waard om die kleine kans te benutten dat we een familielid, een vriend of een politicus bewust kunnen maken van het gevaar van uitsluiting. Wat is het alternatief? ‘Er is nog veel werk om tot een gedeeld burgerschap en een inclusieve samenleving te komen’, zei Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Maar hoe inclusief is het rechtse midden? Hoe gedeeld is het burgerschap in onze bubbel, ons coconnetje, met onze hyperfocus op nieuwkomers, moslims, immigranten en vluchtelingen, en onze mond vol van onze ‘eigen’ samenleving en onze ‘eigen tradities en waarden’? Komaan, nonkel Geert, neem nog een pint en laten we het eens hebben over wat dat is, gelijkheid. Komaan, Michael, tongen zit er niet meer in, maar een goed gesprek zie ik wel zitten. Komaan mensen, praat met elkaar!

Dit opiniestuk stond op donderdag 4 augustus 2016 in De Standaard.

Zet een hek om de natuur

Leg de bouwstop van Joke Schauvliege naast het huidige tempo waarin Vlaanderen vol geplamuurd wordt, en je beseft dat het om een geval van politieke spin gaat, schrijft MAARTJE LUIF.

Als Hollander dacht ik altijd dat België zo groen was. Ik verfoeide het platte Nederland met de industrieterreinen rond de snelweg, de natuurgebieden met overal afvalbakken en afrasteringen, de planologische controledwang en de neiging om tot op de meter te bepalen waar de natuur haar gang mag gaan. Natuur voelt minder als natuur als er een hek omheen staat.
Als ik in de Ardennen kwam, dacht ik: kijk, dít is pas natuur! Glooiende velden en uitgestrekte bossen waar je een hele dag kunt zwerven zonder een levende ziel tegen te komen. Geen hekjes, geen afvalbakken, geen stoepranden in het struweel. In gesprekken verwees ik graag en vaak naar België: zo zou het in Nederland ook moeten zijn! Niet zo aangeharkt en overgeorganiseerd, maar een beetje go with the flow.

Natuurlijk wist ik wel dat Nederland ook veel natuurschoon kent: de Waddeneilanden, Zeeland, de Hoge Veluwe, Waterland, de Drentse veengronden, de Utrechtse heuvelrug, het rivierengebied, het Groene Hart, de Friese meren. Maar het gevoel van ongerepte natuur is toch een stuk minder als je eerst je auto moet parkeren op een parking die elke dag wordt aangeveegd.

De tuin van Jean-Marie Pfaff

Tien jaar geleden verhuisde ik naar Vlaanderen en de eerste jaren bleef ik heerlijk in mijn Belgische ongereptenatuurdroom hangen. Natuurlijk, er stonden wat huizen in de bossen in Vlaanderen en dat is jammer als je een boswandeling maakt, maar ik kon het ook wel begrijpen: wie wil er niet in een bos wonen? En oké, het leek niet echt alsof er iemand een helder beleid voerde ten aanzien van het openbaar groen, maar was dat niet exact wat het Vlaamse platteland zo aantrekkelijk maakte? Dat je er geen tekentafel doorheen zag schemeren?

Maar naarmate de jaren vorderden, werd ik zachtjes doch dwingend uit mijn droom wakker geschud: Vlaanderen heeft weinig tot niets te maken met de Ardennen, er staan niet wat huizen in de bossen, maar in vrijwel alle bossen staan huizen. En er wordt niet weinig beleid gevoerd ten aanzien van openbaar groen, maar er wordt ronduit averechts beleid gevoerd. Denk aan het kafkaëske gedraai over de kapvergunning voor logistiek bedrijf Essers in Genk en de vaststelling dat bij de statistieken over de hoeveelheid bos in Vlaanderen de berm van de autostrade en de tuin van Jean-Marie Pfaff worden meegerekend door de Vlaamse overheid.

Gisteren passeerde er weer een voorlopig hoogtepunt: Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening Joke Schauvliege (CD&V) liet weten dat er in 2050 een bouwstop zal komen. De meeste media lieten zich gewillig meevoeren op deze politieke ‘spin’ van Schauvliege: ‘Schauvliege wil betonstop’, ‘Vlaanderen moet er radicaal anders uit gaan zien’, ‘Vaarwel rommelig Vlaanderen’. Terwijl het eerlijker en logischer zou zijn om in de kop te schrijven dat er nog meer dan honderdduizend voetbalvelden aan beton bijkomen. Want op dit moment worden er elke dag 9 voetbalvelden bebouwd. Als er in dit tempo tot 2050 wordt door gebouwd dan is dat 33 jaar x 365 dagen = 12.045 dagen x 9 voetbalvelden. Dat zijn 108.405 voetbalvelden.
Geert Noels vertelde op Twitter dat je de concrete jungle ook letterlijk kunt nemen. Belgen consumeren per hoofd van de bevolking per jaar twee keer zoveel cement, namelijk 600 kilo, als de Nederlanders, die 300 kilo per capita verbruiken.

Nog steeds krijg ik de kriebels van de Nederlandse voorliefde voor bedachte natuur, maar ik realiseer me steeds beter dat respect voor groene ruimte juist gebaat is bij al die bedachtzaamheid en afbakening. Ik zal niet zeggen dat in Nederland door de beleidsmakers nooit een loopje met de werkelijkheid wordt genomen, maar als ze beweren dat Nederland voor tweederde uit groene ruimte bestaat dan kan ik dat met eigen ogen zien.

Sinds we ons bewust zijn van de bouwwaanzin spelen mijn man en ik onderweg in Vlaanderen altijd het spelletje: vind een mooi groen uitzicht zónder huis. Dat is op zich al een tijdverdrijf om somber van te worden. Maar door de aankondiging van Schauvliege vrees ik dat het spelletje in de toekomst nooit meer een winnaar zal kennen.

Dit opiniestuk verscheen op dinsdag 24 mei 2016 in De Standaard.