Stukjes in het wild

Mijn stukjes in het wild verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Heden ten dage schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

We zullen krampachtig doen

De foto hierboven is de laatste foto van onze vorige vakantie voor die onbestaande werd. Over niet al te lange tijd gaan we het weer proberen.

Vermoedelijk zal het zo gaan: we rijden weg, we raken in paniek, we dreunen op waar we allemaal geld hebben verstopt, wat we met onze papieren hebben gedaan en dat het allemaal heus wel in orde komt, vervolgens zullen we bij de eerste rotonde (1 km verderop) in huilen uitbarsten, waarna onze vakantie eindelijk kan beginnen.

Tot april duurde het, de mentale nasleep van de adrenalinebom na de beroving van een jaar geleden. Tot april wisten we ons vaak geen raad met onszelf, elf maanden lang sliepen we weinig, kort, rommelig, licht. We voelden, stress, leegte en volte, en nog steeds zijn er tekenen van overdreven alertheid, van irrationele angsten en van gedeelde vrees voor het alledaagse. Maar het woord ‘gedeeld’ maakt veel goed, we staan er redelijk hetzelfde in, we hebben grotendeels last van dezelfde symptomen en we zijn ook allebei bereid om te relativeren als onze gemoedstoestand dat toelaat.

We gaan drie weken op vakantie. Inbrekers hoeven zich geen illusies te maken want we hebben een poezenoppas. Wijzelf maken ons ook geen illusies: het zal de eerste dagen niet meevallen. We gaan wederom op de bonnefooi rondtrekken, omdat dat nu eenmaal is wat we het liefste doen. We gaan wederom naar Zuid-Frankrijk met uitwijkmogelijkheden naar de rest van Zuid-Europa, en we zullen wederom moeten tanken op tolwegen. De situatie zal talloze keren van dien aard zijn dat we ongewild zullen terugdenken aan het hallucinante einde van onze vakantie vorig jaar. En elke keer zullen we onze stofwisseling moeten sussen: sshhh, stil maar, er is niks aan de hand, laat de adrenalinepomp maar weer los.

We zullen krampachtig doen, nutteloos krampachtig, lachwekkend krampachtig, vermoeiend krampachtig. We zullen bij elke benzinepomp tot op de wc onze hand op onze spullen houden, ik zal het hengsel van mijn schoudertas twintig keer om mijn enkel wikkelen als ik op een terras zit, we zullen ons geld over zoveel plekken verdelen dat we nog jarenlang onverwacht briefjes van twintig tegenkomen, bovendien zullen we iedereen in eerste instantie wantrouwen, en in tweede instantie ook. Dat zal hels vermoeiend zijn, maar onvermijdelijk.

De krampachtigheid zal ook de andere kant op werken: we zullen geforceerd proberen het geen invloed op onze vakantie te laten hebben, we zullen regelmatig denken: hee, die jongen lijkt op onze dief Marek, we zullen bang zijn maar stoer doen, en we zullen voortdurend opluchting voelen: kijk, ook dit is weer niet rampzalig afgelopen! Steeds opnieuw zullen we zwijgen over wat we denken, want die kutlul mag verdorie niet opnieuw het enige onderwerp van gesprek zijn.

En het mag misschien niet zo klinken, maar we hebben er verschrikkelijk veel zin in.

De totstandkoming van een en al projectie

Voorkennis gewenst? Lees het verhaal Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Het waren die spullen. Als ik in bed lig zie ik bovenop de klerenkast dozen vol verleden. Meestal staar ik gewoon wat naar die dozen, maar soms denk ik erdoorheen. Dan probeer ik me voor te stellen wat erin zit – dagboeken, foto’s, brieven, bewijzen van mijlpalen, oude dreads, polsbandjes van festivals en andere rekwisieten van een vervlogen leven – en dan vraag ik me af of de inhoud eigenlijk niet weg kan, en zo nee, wat ik er dan ooit nog mee zou doen, en zo ja, of ik dat zou kunnen, al mijn tastbare herinneringen bij het vuil zetten, en zo nee, wat dat over mij zegt, en zo ja, wat dat over mij zegt …

Dus het waren die spullen waardoor ik me begon af te vragen wat het betekende om geen kinderen te krijgen. Ooit waren die dozen een keuze voor mijn nageslacht: snuisterpotentie voor de liefhebber en in geval van desinteresse wegsmijtbaar. Nu ik geen kinderen zou krijgen, waren het veel meer gewoon dozen, met papieren, onleesbare handschriften, oud zeer, te weinig tijd om dat ooit allemaal nog eens te bekijken, en wat – moet – ik – er – in – hemelsnaam – mee.

Snuisterpotentie

Ik realiseerde me dat er eigenlijk niks was veranderd: ik lag in bed, ik had geen kinderen, die dozen stonden daar. Net als toen ik ze vulde. Alles was hetzelfde en toch was er iets veranderd. De dozen hadden hun snuisterpotentie verloren. In de dagen erna vroeg ik me af of het voor meer dingen gold, dat er door geen kinderen te krijgen niks was veranderd, maar dat er tóch iets was veranderd. Ik kwam tot de conclusie dat er eigenlijk best veel voorbeelden waren.

Ergens begin november vorig jaar schreef ik de eerste versie van het artikel dat vorige week in Volkskrant Magazine verscheen. Ik liet het aan mijn geliefde lezen en hij vond het mooi, raak en herkenbaar. Ik dubde of ik het op mijn website zou zetten, maar omdat ik al twee verhalen over ivf voor Volkskrant Magazine had geschreven, was het ook een optie het aan hen aan te bieden. Ik talmde nog wat: wie zat er te wachten op mijn persoonlijke gepeins over zoiets abstracts als verlies wanneer je er iets niet bij krijgt? Maar in december las ik het stuk nog eens en ik dacht: het is eigenlijk best mooi geschreven, en nou ja, hup, op hoop van zegen dan maar. Volkskrant Magazine reageerde enthousiast. Tot zover de aanloop.

Beduusd

Vorige week kreeg ik een mailtje. Dat het stuk zou verschijnen en of ik een exemplaar wilde ontvangen, dan had ik het misschien ook op de dag van publicatie, net als de Nederlanders. Vrijdag lagen er twee exemplaren in de bus met een briefje van de hoofdredacteur dat ze elk woord van het voorwoord meende.

Ik bladerde argeloos naar het voorwoord.

Ik was urenlang beduusd en omdat mijn week een aaneenschakeling van rotdagen was geweest, maakte mijn sombere hoofd kortsluiting. Het verhaal was prachtig geïllustreerd, het had een mooie plaats in het blad en het werd op de voorpagina ‘angekeild’. Kortom, van een losse gedachte, starend naar de dozen in bed, was het een succesverhaal geworden. En hoewel ik me complimenten heel slecht eigen maak, raakte ik er wel hyper van.

De volgende ochtend kon de rest van Nederland het lezen en dat werd gretig gedaan, bij het ontwaken was het al een van de ‘trending’ artikelen op Blendle en dat bleef het de hele week en er lagen al vroeg een stuk of wat mails. De eerste berichtjes waren overwegend kort, dankbaar, complimenteus en hartelijk. Ze kwamen van impulsieve mensen die zo vroeg al even wilden laten weten dat ze om wat voor reden dan ook blij waren met mijn stuk. In de loop van de zaterdag kreeg ik langere mails van lezers die het door hun hoofd hadden laten spelen en er nu wat dieper op ingingen, die vragen stelden, kanttekeningen plaatsten, maar die meestentijds toch vooral hun dankbaarheid en waardering uitspraken. Die zaterdag ontving ik honderden mails en berichtjes op sociale media, voor en achter de coulissen. Gelukkig overwegend positief, met een enkele valse noot. ’s Avonds kwamen de langste brieven, van mensen die er vermoedelijk toen pas rustig voor konden gaan zitten, of die de dag nodig hadden gehad om te bedenken wat ze ervan vonden, of die hun emoties net weer de baas waren. Dat waren lange teksten met levensverhalen, fertiliteitsgeschiedenissen, doorwrochte analyses, en niet zelden veel doorvoelde pijn.

Projectie

Toen ik naar bed ging en naar de dozen keek, waaide het in mijn hoofd. De dozen waren geen dozen meer, maar ook niet de vervlogen droom waarover ik schreef, het waren dozen van Pandora geworden, met levensverhalen van mensen van Ameland tot Vlissingen, met een kakofonie van de pijn van de ongehoorden, met een spiegelpaleis aan reflectie. Want dat was wat ik leerde: de reacties op dit stuk waren grotendeels projectie.

Ik ontving dankbare reacties van mensen met kinderen, mensen zonder kinderen, gewenst kinderlozen en ongewenst kinderlozen. Ik ontving brieven van mensen die zich gesteund voelden, die zeiden nu eindelijk mensen in hun omgeving te begrijpen, hun vriendin, hun zoon, hun collega, hun broer, mensen die zich helemaal herkenden, of maar deels, of helemaal niet. Mensen die niet gelukkig waren met hun kinderen, maar daar nu wat genuanceerder over dachten, of mensen die langzaam dreigden te vergeten wat een zeldzaam geluk het ouderschap kan zijn, mensen die me wilden helpen, wilden steunen, die me ivf-klinieken, therapieën, handboeken of lotgenotengroepen adviseerden. Mensen die zich zorgen om me maakten, die zeiden dat ik het niet zo donker moest zien, dat het leven heus nog wel wat voor me in petto zou hebben, mensen die niet wisten wat ze voelden, maar door mijn stuk ineens wel, mensen die nog kwader werden omdat niemand ze begreep, omdat niemand ze ooit vroeg wat ze meemaakten, mensen die het niet zo beleefden, maar door mijn stuk inzagen dat hun vrouw het misschien wel zo ervaarde. En een enkeling reageerde negatief: wat een egoïstisch stuk, of: dit geldt niet voor iedereen. En een journaliste met 8000 volgers op Twitter vroeg zich hardop af of ik niet véél te veel verwachtte en of die kinderen niet erg veel hadden moeten goedmaken.

Zondag bleven de reacties door druppelen, niet iedereen leest het Magazine op zaterdag. Ik was duizelig, want ik had besloten dat je bij zo’n onderwerp niet kunt doen alsof je neus bloedt, al die mensen die hun hart uitstorten en hun diepste gedachten delen, die kun je niet negeren. Dus op elk serieus te nemen bericht, reageerde ik. Maar toen ik dat besloot, wist ik natuurlijk nog niet dat me zo’n karrenvracht aan persoonlijke berichtjes te wachten stond. Ik kwam er gedurende het weekend ook steeds meer achter dat het spookte op mijn mailserver en dat het maar de vraag was of de reacties aan mij, maar ook mijn zo zorgvuldige geformuleerde replies, überhaupt probleemloos door het sijberse zouden gaan.

Die middag belde De Standaard, of ze mijn stuk in een kortere versie ook mochten plaatsen. Ik zei ja. Het artikel zou dinsdag verschijnen. De hele zondag en maandag kwamen er berichtjes binnen, terwijl mijn mailprobleem voortduurde, dus wat arriveerde was waarschijnlijk nog niet eens alles. Ik raakte langzaamaan wat reactiemoe. Van een artikel dat ontstond door een interessante en wezenlijke vraag, liggend in bed, starend naar die dozen, was dit ineens een product dat me boven het hoofd groeide. Ik was losgezongen van het spectrum waarop ik de reacties kon aftekenen. Ik had zelf niks meer te maken met de tekst, met de gedachten die ik had samengebald in zo mooi mogelijke zinnen. Het waren wezensvragen die al maanden als een computerbestandje binnen handbereik lagen, maar die ik mede daarom niet meer in mijn hoofd had. Ik was klaar met die gedachten, ze waren afgegraasd, afgerond; prima gedachten, niks meer aan doen.

Kutreacties

Fast forward naar dinsdagochtend. Met angst en beven opende ik bij het ontwaken mijn mail. Had de publicatie in De Standaard de kraan weer opengezet? Ik had al vaker ondervonden dat Vlamingen niet zulke brievenschrijvers zijn als Nederlanders, maar aangezien ik hier ooit in de zwartepietendiscussie verwikkeld raakte, weet ik dat ook een Vlaming zich soms gretig op de auteur van een artikel werpt. Maar nee hoor, er lag niks. Opgelucht begon ik aan de dag, maar die opluchting was van korte duur. Mijn mailbox haalde stotterend berichten binnen, niet zo veel als zaterdag, want het spook op de mailserver had een actieve dag, maar omdat De Standaard het bericht op Facebook plaatste en er dus via FB-message en Twitter-dm ook veel binnenkwam, zwelde de kakofonie toch weer aan. De mails en persoonlijke berichten waren natuurlijk moeilijk te mijden, maar de rest van de reacties besloot ik niet op te zoeken. Edoch, omdat het Facebook-algoritme veronderstelt dat ik geïnteresseerd ben in artikelen geschreven door ene Maartje Luif botste ik op de reacties op een artikel door haar geschreven. En die reacties waren deels opnieuw dankbaar en complimenteus, maar voor een veel groter deel dan zaterdag waren ze ook vrij giftig. Ik sloot het FB-scherm snel, maar helaas waren er toch al een stuk of wat nasty zinnetjes op mijn netvlies blijven plakken.

Ik had die dag een deadline, dus ik moest alle humbug uit mijn hoofd zien te verdrijven, met als gevolg dat ik na een uurtje besloot de geniepige stemmetjes die de kutreacties op mijn stuk in mijn hoofd hadden achtergelaten de mond te snoeren met een FAQ die ik op Facebook plaatste. Ik deed een greep uit het scala aan venijn en reageerde erop. Niet dat de critici het ooit zouden lezen, maar dan was het van mijn hart.

FAQ

Q: ‘Is die vrouw 43? En die denkt nog steeds dat kinderen de zin van het leven zijn?’
A: Nee, dat denk ik niet en dat staat ook niet in het stuk.
Q: ‘Wat een egoïstisch artikel.’
A: Yup, als je reflecteert op wat je in je persoonlijk leven mist, dan is een vleugje egoïsme onvermijdelijk.
Q: ‘Ik snap niet dat zo iemand niet een kind adopteert.’
A: Welnu, ik sta hier niet alleen in, ik heb een man. Die heeft ook nog dingen in te brengen. Bovendien is het voelen van een gemis niet afhankelijk van de bereidheid tot het aangaan van een ander avontuur. Daarnaast onderschatten de roepers aan de zijlijn de impact van een ellenlange fertiliteitsbehandeling. In de slipstream daarvan een adoptieprocedure beginnen, is niet iets dat je zomaar even doet.
Q: ‘Die verwachtte wel veel van kinderen, ze moesten wel erg veel voor haar goed maken.’
A: In een eerder stuk schreef ik over de duizend kanten van de medaille van mijn kinderwens. Dat stuk verscheen twee jaar geleden in Volkskrant Magazine. Daarin kun je lezen dat mijn verwachtingen nogal getemperd waren.
Q: ‘Ik herken er niks in, waarom staat er dan zo’n kop boven?’
Dat kan. Koppen zijn vaak generaliserend. Die kop is voor de welwillende lezer vermoedelijk best duidelijk.
Q: ‘Belachelijk stuk, ik herken me er helemaal niet in. Ik heb het gevoel dat ik alleen maar heb gewonnen.’
A: Ik had waarschijnlijk met evenveel liefde het verhaal Wat je wint als je geen kinderen krijgt, kunnen schrijven. Het is niet of-of, maar en-en. Dit was de invalshoek van dit verhaal, volgende keer weer een andere invalshoek.
Q: ‘En zij wil nu nog kinderen? Zo oud?’
A: Nope. En dat staat ook nergens.

Ziezo. Dat lucht op. Nog meer vragen?

Het klinkt gemakkelijk gezegd, maar het luchtte echt op. Ik was dan wel losgezongen van het verhaal en van alle mogelijke manieren om ernaar te kijken, maar ik verinnerlijk kritiek veel sneller dan complimenten, dus het was zaak om zo snel mogelijk korte metten te maken met de stemmetjes in mijn hoofd. De FAQ hielpen geweldig. Ik was het kwijt. DOEI!

Reactieproof

Tot op de dag van vandaag krijg ik reacties binnen, sommige mooi, sommige lelijk. In de Volkskrant van vandaag werd de brievenpagina geopend met een kutreactie. Heel even was ik verontwaardigd: 95 procent van de reacties op het stuk in VK Magazine was positief, waarom zou je dan alleen een negatieve brief plaatsen? Maar toen dacht ik aan het voorwoord van Corinne, dat was de ene kant van het spectrum, het was logisch dat ze daar nog een andere kant tegenover zetten.

Nu de week weer wat verder is, ik de meeste deadlines heb gehaald en ik in staat ben terug te kijken, ben ik niet meer reactiemoe, ik ben vooral reactieproof. Én blij dat ik voor honderden mensen een waardevol en in sommige gevallen razend belangrijk stuk heb geschreven

Iedereen die me dat liet weten: bedankt.

Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Illustratie: Krista van der Niet

Na een reeks onsuccesvolle ivf-behandelingen en de beslissing daarmee te stoppen, neemt schrijver Maartje Luif (43) de schade op.

1. De zin van het leven?

Mijn beste vriend besloot zo’n twaalf jaar geleden iemand te zoeken die zaad van hem zou willen hebben om zo de zin van zijn bestaan te verankeren. Na vijftig jaar was hij ervan overtuigd dat je níét voortplanten het meest zinloze was dat je kon doen, en dat zat hem niet lekker. Omdat hij geen vaste relatie wilde, leek zijn zaad ter beschikking stellen de enige logische optie. Zo gezegd, zo gedaan. Na enig speurwerk besloot hij bij te dragen aan het gezinsgeluk van twee vrouwen die hij via via had leren kennen. Zijn dochter is nu 11.

De gesprekken die we voerden over zijn motieven raakten me diep. Ik was destijds nog getrouwd met iemand die gesteriliseerd was, dus elk argument dat hij aandroeg vóór voortplanting maakte mijn leven zinlozer. Natuurlijk pareerde ik zijn betoog door zo nu en dan iets te roepen over de overbevolking of door de zinloosheid überhaupt van het leven aan te stippen. Maar als het uitgangspunt van het gesprek is dat alleen voortplanting een mens werkelijk drijft, dan zijn particuliere filosofietjes volkomen irrelevant.

Inmiddels ben ik een scheiding, een nieuw huwelijk, een reeks ivf-behandelingen en de beslissing om geen kinderen te krijgen verder, en de gesprekken zingen nog steeds rond in mijn hoofd. Want als hij gelijk heeft, dan is mijn kinderloze leven zinloos. En als hij ongelijk heeft, is de vraag wat dan wél de zin van het leven is aan de orde. In beide gevallen is de zin van het leven ver uit het zicht verdwenen.

2. Een motief om in leven te blijven

Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar toch: het leven lijkt meer waard te worden als er een nieuwe generatie bij komt. Veel ouders stoppen met roken als ze een kind willen of krijgen en blijven minder roken en drinken zolang ze hun nageslacht als voorbeeld dienen. Ze besluiten de K2 maar niet te beklimmen, omdat ze hun kroost willen zien opgroeien en zich verantwoordelijk voelen. De kinderlozen daarentegen moeten hun doodsangst halen uit de liefde voor… ja, voor wat? Voor zichzelf? Voor hun leven?

Godzijdank heb ik een partner voor wie ik in theorie met liefde overeind blijf. In theorie, want in de praktijk is een lichte neiging tot zelfdestructie mij niet vreemd. Op de momenten dat ik al mijn zelfbeheersing in de strijd moet gooien, benijd ik iedereen met een hoger doel dan dat miezerige ‘zelf’. Dan zou ik willen dat mijn stofwisseling mij ook in de richting van verantwoordelijkheidsgevoel dirigeerde, maar er lijkt geen stofje zo’n sterk verantwoordelijkheidsgevoel op te wekken als het stofje dat kinderen teweegbrengen.

Begrijp me niet verkeerd: ik neem me dagelijks voor me op eigen kracht met het leven te verzoenen. Maar het gevoel daarvoor twee keer zo hard te moeten werken als iemand met een levensvervullende buitenboordmotor is hardnekkig. Wat weer het vermoeden bevestigt dat voortplanting inderdaad de zin van het bestaan is.

3. EEN REDEN OM TE BEWAREN

Mijn moeder maakte tientallen fotoalbums voor haar kinderen en mijn beide ouders zijn van het type ‘ooit ga ik die dozen opruimen’. Ik combineer die genen met het schrijverschap. Mijn archief barst uit zijn voegen en ik bewaar voortdurend spullen waarvan ik me afvraag: voor wie?

Vroeger kon ik nog zeggen: voor mijn kleinkinderen. Nu denk ik in arren moede aan archeologen en wetenschappers, maar dat is niet lang vol te houden, want welke navorser zit er in hemelsnaam op mijn rommel te wachten?

De vraag wordt onvermijdelijk: wat heeft het voor zin spullen te bewaren? Niemand gaat mijn kleren dragen, zoals ik de psychedelische paars-oranje ribfluwelen jurkjes van mijn moeder droeg. Niemand zal de door de tand des tijds getekende foto’s van mijn opa en oma liefdevol bestuderen om er de kaaklijn of jukbeenderen van zichzelf in te herkennen. Niemand zal mijn vroegste liefdesbrieven met een mengeling van gêne en nieuwsgierigheid proberen te ontcijferen. Alles wat ik bewaar, is vooral een immense opruimtaak voor mensen die nooit zo betrokken zullen zijn als mijn kinderen zouden zijn.

In verhalen met tips voor kinderlozen wordt altijd benadrukt dat je ook van betekenis kunt zijn voor andermans kinderen. Dat is waar, maar dat zijn geen kinderen binnen handbereik. Het zou een fikse investering vergen om met andere kinderen zo’n band te krijgen dat ze staan te springen om mijn doos met vijftig dagboeken.

4. EEN KANS OM JE LEVEN TE HERBELEVEN

Mijn leven was een hell of a ride en ik ben vergeetachtig, met als gevolg dat ik veel dingen die ik leuk heb gevonden gewoon niet meer weet. Of het nu gaat om emoties, kennis of belevenissen: er was te veel om te onthouden en zolang die anekdotes niet toevallig weer voorbijkomen, zullen ze in de vergeetput van mijn herinnering tot stof vergaan.

Daarom kan ik jaloers zijn op ouders die hun staartdelingen vanonder het stof mogen halen om hun zoon of dochter met het huiswerk te helpen, die betrokken worden bij schoolpleinperikelen en die mogen nadenken over de inrichting van een studentenkamer.

Ik leen die herkenning nu bij anderen. Als ik een bevriend kind leer schaken en zie hoe het de paardensprong moet uittellen, weet ik weer hoe ik die zelf in het begin ook niet in één oogopslag zag. Als ik mijn nichtje hartjes zie typen naar haar verkering, weet ik weer hoe onvoorstelbaar belangrijk hartjes zijn voor een tiener. Als ik mijn petekind zie zitten op het ministoeltje waar ik ooit op zat, voel ik weer even de afdruk van het riet in mijn billen. Maar dat zijn incidenten, een grondige herbeleving van alle levensfasen zal aan mij voorbijgaan. Dat voelt als een verlies.

5. EEN MANIER OM DE WERELD TE CORRIGEREN

n het verlengde daarvan ligt het gevoel je idealen niet te kunnen uitdragen. Ik kan me voorstellen dat het voldoening geeft om je kinderen te vertellen waar de wereld beter van wordt. Helemaal als ze thuiskomen en iets idealistisch hebben gedaan – alsof je toch niet helemaal verstoken bent van invloed op de wereld. Want er worden zelden vraag-tekens geplaatst bij de bijdrage van kinderen aan de wereldvrede, terwijl de idealen van een volwassene voortdurend ten prooi vallen aan de vurige wens tot ontmaskering. Ben je niet hypocriet? Gekleurd? Ongeïnformeerd? Als kinderloze moet je je optimisme tegen de klippen op wegnuanceren, als ouder kun je het gevoel hebben dat er toekomst zit in wat jij belangrijk vindt.

6. AANSLUITING BIJ JE GENERATIE

Vrijwel al mijn vrienden van mijn leeftijd of ouder hebben kinderen, behalve ik. Er zijn er veel met onorthodoxe gezinsomstandigheden, maar er is in meer of mindere mate nageslacht, wat betekent: schoolse ritmen, volle weekends, beheerste uitspattingen en één focus: de kinderen veilig naar hun volwassenheid escorteren.

Dat vergt tijd. Tijd waarin ik ze niet zie en die ik alleen of met mijn man doorbreng. Gelukkig kan ik goed alleen zijn en ben ik graag met mijn man; die behoefte aan afzondering ligt mede ten grondslag aan mijn besluit de komst van een kind niet langer te forceren. Maar dat er een reeks babysitters aan te pas moet komen om het gesprek met mijn vrienden gaande te houden, heeft iets beklemmends.

7. KLEINHEID

Het leven van de kinderloze draait om wezensvragen. Er zijn te veel uren in de dag van de efficiënte volwassene om je te kunnen beperken tot elementaire zaken als slapen, eten en werken. Dus vraag ik me tot vermoeiens toe af wat ik zal doen met mijn tijd. Gelukkig heb ik een bewerkelijke kat en een tijdrovende schrijfhobby, maar een goede reden om het leven terug te brengen tot billen afvegen, cocktailprikkers in kastanjes pieren en wat neuriën naast een kinderbed, heb ik niet. Zoals het als niet-roker vreemd is op een feestje elk uur naar buiten te gaan, voelt het als kinderloze geforceerd strijkkralen, Electro of een adventskalender in huis te halen. Ik heb nu eenmaal weinig reden mijn volwassen sores te doorkruisen met al te simpele waaromvragen of monsters onder het bed. Terwijl dat soort kleinheid een prima antigif is tegen al te grote gedachten.

Natuurlijk weet ik dat ouders dit kunnen omdraaien: wij hebben nooit meer tijd voor wezensvragen! Ik begrijp dat dat misschien nog wel erger is. Maar de gelegenheid om je gepieker dagelijks door de verhakselaar van de kleinemensenproblemen te halen, is een zegen die ik als kinderloze met enige jaloezie aanschouw.

Hoewel ik nog elke dag pal achter mijn beslissing sta niet langer nageslacht te forceren, realiseer ik me steeds vaker dat het niet alleen een kwestie is van iets niet krijgen, wat veronderstelt dat de status quo gehandhaafd blijft. Nee, het is ook een kwestie van iets verliezen: motieven, drijfveren, inclusiviteit, belang en toegang tot de allerkleinste en allergrootste dingen des levens. Door niet met kunst- en vliegwerk een volgende generatie in elkaar te willen zetten, plaatste ik mezelf in een klap buiten een wereld die doorgaans wordt beschouwd vanuit het gezinsperspectief. Een wereld waarin wetten, gesprekken en verhalen draaien om een meerderheid van mensen met kinderen of mensen met nóg geen kinderen. Daar niet bij horen, vergt autonomie en acceptatie. Ik kan me voortaan nog aan weinig mensen spiegelen en in weinig verhalen herkennen. Door mijn beslissing voor een kinderloos bestaan word ik teruggeworpen op een keur aan wezensvragen, mede omdát er geen afleiding door mijn huis kruipt. En een leven zonder afleiding mag dan wel voorgoed om mij draaien, de wereld draait helaas nauwelijks om mensen zoals ik. Sinds ik mij niet verdubbelde, sta ik er meer dan ooit alleen voor.

Dit artikel verscheen op zaterdag 18 februari in Volkskrant Magazine en op maandag 20 februari in een kortere versie in De Standaard.

Problemen met de e-mail

Heb je de afgelopen paar dagen een e-mail naar me gestuurd – rechtstreeks of via deze site – en heb je geen antwoord van me gekregen? Dan is de kans groot dat je mail niet bij mij is aangekomen. In theorie zouden alle mailtjes nu weer moet arriveren, dus je kunt je bericht het beste even opnieuw verzenden.

Alvast bedankt,
Maartje

De Blije Bukster wordt vandaag 12 jaar

Elf jaar geleden plaatste ik dit verhaal voor het eerst. Sindsdien plaats ik elke 14 februari het verhaal van De Blije Bukster: een ode aan de dag dat ik mijn stoute schoenen aantrok, waarna ik mijn stoute veters en de perfecte man strikte. Wannes heette in 2005 op internet Yuri Maanzand

Vandaag twaalf jaar geleden was ik in staat van ex. En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri. Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij dezen: dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken; verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gíng ook nog even. Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, twaalf jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

Hoe ziet uw ik eruit?

Waarschuwing: het abstractiegehalte van dit stukje zal de pan uit swingen, maar dat moet u mij maar vergeven. Wij – u en ik – hebben het al vaker gehad over synesthesie en over de meest voorkomende kenmerken ervan (12, 3, 4) en ik heb ook al eens geschreven over andere aspecten van synesthesie, zoals het zien van pijn (5), maar dit keer gooi ik er nog een meta-laagje overheen.

Omdat ik onlangs een dag of acht op de bank lag met een nare griep en steeds dieper wegzonk in een soort ultrasupermetazelfreflectie, ‘zag’ ik de dingen ineens heel helder. Het was zo’n griep die je niet vloert, maar die je wel uitschakelt en dat zijn de ergste. Die dagen waarop je niet coherent kunt denken, lezen en schrijven, maar waarop je je ook niet slecht genoeg voelt om gedachtenloos onder zeil te zijn.

Op zulke dagen is alles buiten mij donker, en in mijn hoofd is het licht. Mijn ‘beleving’ begeeft zich – als ik het van buitenaf beschouw – als een lichtgevende verschijning in een hermetisch zwart vlak (zie foto hierboven), het licht is een soort visuele samenballing van mijn ‘zijn’. Hoe het er voor mij uitziet, is natuurlijk de omgekeerde versie van hoe het in werkelijkheid is: in mijn schedel reikt het licht niet ver, terwijl daarbuiten lichtbronnen te over zijn.

Het beeld van die lichte verschijning in het duister heeft twee ‘kanten’, er zijn dus eigenlijk twee beelden. 1. De buitenkant, wanneer ik mezelf, mijn gedrag en mijn handelingen observeer en daar iets van vind, en 2. de binnenkant, wanneer ik midden in mijn gedachten zit, nadenk, besluiten neem en handelingen en reflexen uitvoer.

De eerste dagen van zo’n griep kan ik nog zo nu en dan ‘naar buiten’ gaan. Ik kan mijn zorgen en gepieker (het licht) vanuit een helikopter (het donker) bekijken en ik kan er iets van vinden. Dat zijn de dagen dat ik beide beelden van mezelf nog kan oproepen: het beeld van de binnenkant en het beeld van de buitenkant. Het beeld met een perspectief vanuit het zwart en een beeld met perspectief vanuit het licht.

Dat klinkt alsof ik aan de paddo’s zit, of misschien als een metafoor, een poëtische beschrijving van mijn gemoedstoestand, maar het is letterlijk hoe mijn synesthetenbrein mij de perceptie van mijzelf presenteert, van mijn ik, mijn beleving, mijn zijn – anderen zouden het misschien mijn ziel noemen, of mijn geest.

Als je het plaatje hierboven in ogenschouw neemt dan ziet het er best gezellig, die gedachten van mij. En zo ervaar ik het beeld ook: prima schedelpannetje, knus, warm, gezellig, niks meer aan doen. Maar na een paar dagen griep is er nog maar één beeld: dat van de binnenkant. Ik trek dan als het ware vanuit het zwarte vlak naar het licht, en ik krijg een volkomen andere projectie van wat mijn beleving is. Midden in het ik, het zelf, die beleving, die geest, die ziel, blijkt alles eeuwigdurend wit, met steeds verspringende lijnen, draden, strepen en verbindingen. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Het zwart uit het beeld van buitenaf is verdwenen, daar is niets, maar dan ook niets meer van over. Wat ook betekent dat er geen weg terug is, vergelijkbaar met iemand die onder het ijs is geschoven en het wak niet meer ziet. De gezelligheid is weg, het warme licht is koud licht geworden, de beweging is in your face, en net als je denkt dat je doorhebt hoe de belijning loopt, is het beeld alweer veranderd. Alles kaatst af, ketst weg en verspringt, en geen seconde is er rust. Op momenten dat ik goed in mijn vel zit en samenhang ervaar, lopen de lijnen veelal gelijk met nog te volgen gedachten, maar na dagen van hoesten, slaaptekort, koortsige toestanden en nul komma nul aanspraak kan ik het gekets alleen maar machteloos aanschouwen. Ik weet niet meer waar het over gaat of wat ik ermee moet doen.

Nu ik weer beter ben en mijn ‘geest’ weer onder controle heb, weet ik niet meer hoe het voelde om opgesloten te zitten in het chaotische wit, zoals je ook van pijn vergeet hoe erg het precies was als het eindelijk achter de rug is. Maar ik weet nog wel hoe het eruitzag, ik, mijn zelf, en dat was vrij traumatisch.

Waar ik nieuwsgierig naar ben: ziet u uw ik ook? En bent u synestheet? Of ziet iedereen zijn ik? En hoe ziet uw ik er dan uit? Heeft die ook meerdere verschijningsvormen?

Mijn conservatieve hoofd en het uitgebeende bosschage

Terwijl ik dit schrijf kleppert er een specht tegen een boomstam en toen ik vanochtend opstond was een bosuil zijn territorium aan het afbakenen met zijn oehoegeroep, kortom: ik heb geen klagen. Toch is dat exact wat ik ga doen, want als het om natuur gaat ben ik behoudend; als er een dier in mijn tuin zit dan beschouw ik dat als een definitieve factor. Wanneer ik bijvoorbeeld een eekhoorn zie, heb ik vanaf dat moment een eekhoorn in de tuin, ontdek ik een egel, dan betekent dat dat ik een tuin met egels heb, en zie ik padden, dan zitten er dus padden in de tuin. Voor mij is dat dan geenszins van tijdelijke aard, voor mij is dat voorgoed.

De afgelopen week werd mijn wens om alles bij het oude te houden danig op de proef gesteld. Toegegeven, ik voel me gauw tekortgedaan als het op dieren aankomt. Ik herinner me dat ik in de zomer maandenlang uit mijn humeur was omdat de kleine vogeltjes uit het vroege voorjaar zich niet meer lieten zien. En Wannes en ik breken al de hele winter als het gevroren heeft het ijs in de vijver, omdat in onze verbeelding de kikkers die er een zomer lang van ‘bommetje’ deden nu ergens in de diepte hun winterslaap houden. Dat is een uiterst onzekere aanname, maar in onze conservatieve hoofden is het ondenkbaar dat we ineens een tuin zonder kikkers zouden hebben.

Ruim twee weken geleden kregen we een brief dat de domeinwachters de wilgen die schuin achter onze tuin groeien weg zouden halen, omdat er gevaar was voor vallende takken bij harde wind, bovendien waren de dennen ernaast ‘zieltogend’, dus die zouden ook gekapt worden. De brief was schrikken, want dat zijn de bomen van het eksternest. Het eksternest dat twee jaar geleden leidde tot een eindeloze strijd tussen eksters en kraaien. Het eksternest dat bij verschillende voorjaars- en najaarsstormen sneuvelde en vervolgens met grote volharding weer opnieuw in elkaar werd gevlochten. Het eksternest dat ik in mijn jaaroverzicht prees, omdat het in 2016 ineens wél alle stormen doorstond. Bovendien wonen er rechts eekhoorns, in de buurt van de te vellen wilgen en dennen. We weten niet exact waar ze hun hol hebben, want wij zien ze altijd alleen langs stiefelen op weg naar een voorraad, maar de mare gaat dat eekhoorns altijd in de nabijheid van een naaldboom wonen. Dus denken we dat ze bij de ‘zieltogende’ dennen wonen. De dennen die op de nominatie stonden om tegen de vlakte te gaan.

Omdat Wannes en ik allebei geruime tijd griep hadden, zagen we geen kans onze verontwaardiging om te zetten in protest, dus brak de ochtend van het cirkelzagen zonder pardon aan. De dag ervoor zag het er nog uit zoals op de foto hierboven (pijl bij het eksternest).

Na twee dagen toonde mijn koortsige hoofd mij dit:

Ik probeer het te aanvaarden. Het eksternest is weg, en hoewel de lage bomen er nog wel staan, is de ekstervergadering die daar elke ochtend plaatsvond tot nader order verplaatst naar andere oorden. Toen de bomen een paar dagen weg waren signaleerden we een eekhoorn, maar of dat betekent dat ze nog in de buurt wonen of dat we hier te maken hebben met een gewoontedier dat op termijn alsnog zijn conclusie zal trekken, is onbekend.

Ik probeer het te aanvaarden, hoewel ik niet meer naakt in mijn slaapkamer kan staan zonder de gordijnen dicht te doen, omdat we plotseling zichtbaar zijn voor mensen uit het domein. Ook zullen de prikkels uit het overvolle zwembad dat achter de omgehakte bomen ligt niet langer gedempt worden door de wind in de wilgen en het zomerse groen. Bovendien zal de ochtendzon in augustus de toch al hevige hitte op ons terras stevig aanwakkeren.

Maar praktisch als ik ben, tel ik mijn zegeningen. Ik was al niet zo heel dol op de eksters en kraaien, dus nou ja, good riddance. Daarnaast hoorden we altijd al spechten, maar sinds de kraaien en eksters hun interesse in het bomenrijtje achter de tuin hebben verloren, zijn het er veel meer. Kennelijk waren ze nogal bang voor hun grote broers. En stel dat de eekhoorns toch blijven (ik duim!), dan hoef ik niet langer aan te zien dat ze door de eksters en kraaien in een hoek gedreven worden. Dat scheelt veel bekommernis.

Toch vermoed ik dat mijn conservatieve hoofd de schok traag zal verwerken. Liggend in bed zal ik de associatie met het boek The wind in the willows missen. Zittend op het tuinbankje zal ik de prachtige contouren van de wuivende wilgen steeds opnieuw vergelijken met het uitgebeende bosschage van nu, en ik zal de ochtend prijzen dat ik niet meer op mijn horloge tik omdat de eksters te laat zijn voor de vergadering.