Stukjes in het wild

Mijn stukjes in het wild verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Heden ten dage schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

Mijn kapoen

Tradities, ik heb er weinig mee. Als ik vroeger twee keer achter elkaar dezelfde weg naar school fietste, was ik al verveeld. Ik hield van feestjes om het feestje, niet omdat het een traditie was. Het besef dat je kerst slechts met kerst zou kunnen vieren en de wetenschap dat we alleen in de trein een rolletje Topdrop kregen, vond ik eerder beknellend dan geruststellend.

Vandaag krijg ik een Nieuwsjaarsbrief van mijn metekind. Tot twaalf jaar geleden wist ik niet wat een Nieuwsjaarsbrief was en tot drie jaar geleden wist ik niet hoe het voelde om er zelf een te krijgen.

Nieuwsjaarsbrieven zijn een traditie in Vlaanderen. Doorgaans worden ze op 1 januari of in de dagen daarna voorgelezen door kinderen aan hun peters en meters. Traditioneel eindigen ze met Uw kapoen. Vaak kauwen scholen de brieven voor, maar leuke kinderen en leuke ouders maken er iets eigens van.

Het is het eerste jaar dat mijn metekind verstaanbaar kan praten, in volzinnen die ik helemaal begrijp, dus ik kijk ernaar uit. Want ik heb dan wel weinig met tradities, maar ik heb wel veel met kinderen die hun plankenkoorts in de ogen kijken, ik heb veel met het geaarzel vooraf, ik heb veel met de rode wangetjes, ik heb veel met de deemoed van kleuters die het ongemak leren kennen en ik heb veel met de trots achteraf. Het zijn de eerste tekenen van de goede moed die hij later o zo hard nodig zal hebben.

Lees hier het stukje over hoe ik meter werd: Mijn kippenvel strekte zich uit tot ver over de cultuurkloof.
Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild, dit is dag 3.

Mosselelasticiteit

Foto: mossel op het pad.

Ze hebben de grote vijver leeggepompt. Voor het eerst in decennia kwam het slijk aan de oppervlakte en deze winter lieten de tientallen aalscholvers het provinciaal domein links liggen, want als er niets te duiken valt, duiken ze wel ergens anders. 

Alles veranderde. De meerkoeten vertrokken naar de kleine visvijver, de eenden zochten ruzie in de watertjes achter het zwembad, en in de grote vijver – bij ons thuis ook wel het meer genoemd – zagen we ineens dagenlang vijf witte zilverreigers balanceren op één been, want die houden wél van enkeldiep water.

Ook de kraaien veranderden. In plaats van kleine vogeltjes op te jutten en hun forsbollen te tonen aan volwassen eksters zagen we ineens een heel andere dagbesteding: mosselen eten. En dat is nog geen sinecure als kraai, want de flinke snavel waarmee ze eikeltjes in de grond verstoppen of jonge meesjes uit hun nest plukken, blijkt niet handig genoeg voor het open bikken van een vasthoudende mossel.

Minutenlang hebben we de afgelopen maand mogen aanschouwen hoe ze de verharde paden gebruikten als breekijzer. Hoe ze eerst de mosselen uit de modder opdiepten, of er een afpakten van een zwakke meeuw, hoe ze er vervolgens mee naar een verhard pad vlogen, hoe ze de schelp krachtig neerkwakten, hoe ze erbij landden en checkten of de mossel zich al gewonnen had gegeven en hoe ze als dat niet zo was de mossel weer in hun snavel namen, een stukje omhoog vlogen en de schelp weer zo hard mogelijk tegen de grond ketsten.

Als de mossel na een keer of tien eindelijk scheurtjes vertoonde, begon het leukste gedeelte: het getrek aan het elastiekerige vlees. Pootje erop, mosselvlees tussen de snavel en dan – poing – poing – poing – steeds opnieuw de nek zo ver mogelijk naar achteren. De kleine mosselen gaven zich over, dan zag je het vlees – pok – in het oog van de kraai schieten, maar de elasticiteit van een wat grotere mossel is immens en de nek van een kraai niet zo heel lang en draaibaar, dus de grote mosselen bleken tergend.

Dat getrek zorgde voor onrust in de pikorde. Soms had een kraai al eindeloos veel werk in de mossel gestoken en dan kwam er een belangrijkere kraai voorbij die zijn pootje nonchalant op de schelp zette en dan was het voor niets geweest. En soms profiteerden de eksters van de onrust onder de mosselminnende kraaien.

Wekenlang lagen de paden bezaaid met schelpengruis, wekenlang stonden we dagelijks roerloos te kijken naar de verovering van de standvastige zoetwatermosselen, maar inmiddels loopt de vijver weer vol en zijn de schelpen bijna op. De eekhoorns zullen binnenkort weer op pad gaan, de mezen zullen nestelen en de kraaien zullen vergeten hoe een mossel smaakte. Vanochtend trof ik een easy mossel op het pad, eentje die keurig open was geschoten, mogelijk al bij de eerste poging. Misschien was het de laatste, want ik zag alweer een aalscholver.

Foto: de grote vijver vanochtend.

Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig dagen stukjes in het wild, dit is dag 2.

Donor in het diepst van mijn gedachten

Foto: 1990

Was ik veertien? Zestien? Achttien? Ik weet het niet meer, maar ik weet nog wel dat ik een raar gevoel in mijn buik kreeg toen ik mijn donorcodocil met de post ontving. Voor het eerst stond het zwart op wit: ik ging dood.
Ik wist wel dat ik doodging, ik was namelijk al duizend keer doodgegaan. Dat is wat hypochonders doen: doodgaan, oefenen voor het fatale moment. Maar door dat berichtje van de overheid met afspraken voor de dag die me de das om zou doen, haperde mijn tienerhart toch een ogenblik.
Ik had het codicil zelf aangevraagd, want ik was een donor in het diepst van mijn gedachten. Ik moest zelfs wachten voor ik officieel geregistreerd mocht worden en naar mijn oordeel was het meer dan eens kantje boord. De dag dat de envelop binnenkwam, was ik daarom ondanks het rare gevoel in mijn buik ook opgelucht: nu zou dat gesterf van mij tenminste nog ergens toe dienen.
In het begin vond ik het raar om het contract over mijn overlijden altijd bij me te hebben, maar algauw zat het me als gegoten en na verloop van tijd begon ik zelfs een zekere verantwoordelijkheid te voelen naar de volgende eigenaar van mijn binnenkant. Aan mezelf als ontvanger van andermans organen dacht ik eigenlijk nooit. Organen ontvangen leek me voorbehouden aan mensen die niet steeds stierven.
Hoewel ik mijn tas en portemonnee zo nu en dan verloor door criminaliteit en slordigheid, ontsprong het donorcodicil altijd de dans. Het geplastificeerde kaartje in paars en geel begon om te krullen, raakte zijn glans kwijt, en in de digitale wereld ook zijn betekenis, maar ik bleef het al die jaren bij me dragen. Als een herinnering aan een oude vriend, iemand met wie ik zoiets intiems als de dood had gedeeld. Twee jaar geleden, bij de vakantieberoving, raakte ik het pasje definitief kwijt. Het had een kwarteeuw bevestigd wat ik altijd al dacht, namelijk dat ik dood zou gaan. En het had me de talloze keren dat ik het hoekje omging het gevoel gegeven dat het allemaal niet voor niks was. Nu stond ik er weer voorgoed alleen voor.

Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake besloot ik nog eens op de golf mee te varen. Veertig dagen stukjes in het wild, dit is dag 1.
• De aanleiding voor dit stukje. Eerste Kamer stemt in met donorwet: in 2020 is elke Nederlander orgaandonor, tenzij bezwaar wordt aangetekend
• De directe aanleiding kwam van Esther.

De Blije Bukster wordt vandaag 13 jaar

Twaalf jaar geleden plaatste ik dit verhaal voor het eerst. Sindsdien plaats ik elke 14 februari het verhaal van De Blije Bukster: een ode aan de dag dat ik mijn stoute schoenen aantrok, waarna ik mijn stoute veters en de perfecte man strikte. Wannes heette in 2005 op internet Yuri Maanzand

Vandaag twaalf jaar geleden was ik in staat van ex. En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri. Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij dezen: dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken; verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gíng ook nog even. Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, dertien jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

De beste wensen

Vorig jaar maakten we de kikkers in al onze ijverigheid dood, deze winter laten we alles op zijn beloop. We zijn niet gaan kijken, hebben het ijs geen strobreed in de weg gelegd en pas als de kikkers uit hun winterslaap ontwaken, zullen we weten hoeveel witte buiken er op de bodem van de mortelbak blijven liggen.

Dit jaar begon ik aan een cursus Natuurgids.
‘Waarom wil je zoiets wreeds als de natuur bestuderen’, vroeg mijn beste vriend.
Wannes zegt dan: ‘Maar het is toch ook mooi, dat natuur?’
Ik twijfel nog. Hoe meer kennis je hebt, hoe beter je weet dat er weinig moois aan is. Tien eitjes van een pimpelmees in je nestkast is al een stuk minder leuk als je bedenkt dat – als de eitjes al uitkomen – slechts 10 procent het eerste jaar overleeft.

In mei mochten we dat aan den lijve ondervinden toen we dachten dat het leuk was om getuige te zijn van het uitvliegen van de pimpelmeesjes op ons terras. (tip: kijk tot het einde)

Overigens bleek er ook een naar binnen te zijn gevlogen (daar kwamen we na het filmpje achter). Toen ik een hoop gefladder in de keuken hoorde, deed ik de deur open om te gaan kijken. Net op het moment dat ik de deur opende, hield aan de andere kant een paniekerige minimees zich tussen de deur en de deurpost op. Dat overleefde het arme beest wel (zie foto) maar veel sterker zal hij er niet door zijn geworden.

Ze zijn niet te vermijden, de witte buiken en bijna-dodelijke deurposten. En ook in 2018 zullen er eksterbaby’s door hun moeder gevoed moeten worden. Such is life.

Ik wens iedereen in 2018 een goede vlucht en smakelijk eten.

Vorig jaar maakte ik ook een dierenfilmpje om de jaarwisseling luister bij te zetten.

We zullen krampachtig doen

De foto hierboven is de laatste foto van onze vorige vakantie voor die onbestaande werd. Over niet al te lange tijd gaan we het weer proberen.

Vermoedelijk zal het zo gaan: we rijden weg, we raken in paniek, we dreunen op waar we allemaal geld hebben verstopt, wat we met onze papieren hebben gedaan en dat het allemaal heus wel in orde komt, vervolgens zullen we bij de eerste rotonde (1 km verderop) in huilen uitbarsten, waarna onze vakantie eindelijk kan beginnen.

Tot april duurde het, de mentale nasleep van de adrenalinebom na de beroving van een jaar geleden. Tot april wisten we ons vaak geen raad met onszelf, elf maanden lang sliepen we weinig, kort, rommelig, licht. We voelden, stress, leegte en volte, en nog steeds zijn er tekenen van overdreven alertheid, van irrationele angsten en van gedeelde vrees voor het alledaagse. Maar het woord ‘gedeeld’ maakt veel goed, we staan er redelijk hetzelfde in, we hebben grotendeels last van dezelfde symptomen en we zijn ook allebei bereid om te relativeren als onze gemoedstoestand dat toelaat.

We gaan drie weken op vakantie. Inbrekers hoeven zich geen illusies te maken want we hebben een poezenoppas. Wijzelf maken ons ook geen illusies: het zal de eerste dagen niet meevallen. We gaan wederom op de bonnefooi rondtrekken, omdat dat nu eenmaal is wat we het liefste doen. We gaan wederom naar Zuid-Frankrijk met uitwijkmogelijkheden naar de rest van Zuid-Europa, en we zullen wederom moeten tanken op tolwegen. De situatie zal talloze keren van dien aard zijn dat we ongewild zullen terugdenken aan het hallucinante einde van onze vakantie vorig jaar. En elke keer zullen we onze stofwisseling moeten sussen: sshhh, stil maar, er is niks aan de hand, laat de adrenalinepomp maar weer los.

We zullen krampachtig doen, nutteloos krampachtig, lachwekkend krampachtig, vermoeiend krampachtig. We zullen bij elke benzinepomp tot op de wc onze hand op onze spullen houden, ik zal het hengsel van mijn schoudertas twintig keer om mijn enkel wikkelen als ik op een terras zit, we zullen ons geld over zoveel plekken verdelen dat we nog jarenlang onverwacht briefjes van twintig tegenkomen, bovendien zullen we iedereen in eerste instantie wantrouwen, en in tweede instantie ook. Dat zal hels vermoeiend zijn, maar onvermijdelijk.

De krampachtigheid zal ook de andere kant op werken: we zullen geforceerd proberen het geen invloed op onze vakantie te laten hebben, we zullen regelmatig denken: hee, die jongen lijkt op onze dief Marek, we zullen bang zijn maar stoer doen, en we zullen voortdurend opluchting voelen: kijk, ook dit is weer niet rampzalig afgelopen! Steeds opnieuw zullen we zwijgen over wat we denken, want die kutlul mag verdorie niet opnieuw het enige onderwerp van gesprek zijn.

En het mag misschien niet zo klinken, maar we hebben er verschrikkelijk veel zin in.