Stukjes in het wild

Mijn 'stukjes in het wild' verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Tegenwoordig schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

  • Stukjes in het wild

    De structuur van asfalt

    Het onhandige aan mijn vak is dat ik er moeilijk reclame voor kan maken, omdat ik een over­dre­ven discrete schrijf­coach ben. Als de auteurs die ik begeleid iets moois maken en successen boeken, wil ik niet roepen dat ik daar de hand in had, omdat ik mijn eigen invloed niet wil over­schat­ten, maar ook omdat ik niet wil dat ik iets van de glans afhaal door het woord schrijf­coach te laten vallen. Daarom publi­ce­ren mensen verhalen zonder dat ik er al te nadruk­ke­lijk mee aan de haal ga, daarom boeken mijn pupillen successen zonder dat iemand weet dat ik meelas, meedacht of mee­schreef. Maar als iemand me in het dankwoord uit­druk­ke­lijk noemt, dan wil ik wel een klein stukje van het gordijn opzij trekken. Voor een vriend Het begon tijdens een cursus non‐fictie schrijven. ‘Ik wil een verhaal maken over een vriend,’ zei de cursist. Die vriend was iemand wiens zoon de diagnose autis­me­s­pec­trum­stoor­nis had gekregen, waardoor de vader zelf op zoek was gegaan naar zijn eventuele diagnose. Prima idee, zei ik. En zo geschied­de. We zetten het verhaal over de vriend in de steigers, de cursist research­te, kwam terug met materiaal, en bouwde een aanzet voor een verhaal. Maar…

  • Stukjes in het wild

    Brand­ge­vaar

    Het afgelopen jaar ontdekte ik iets wat ik altijd al dacht: ik mag niks fout doen. Ik kwam erachter dat ik de theorie van mogen worstelen en ploeteren best ken, maar dat ik in de praktijk volkomen blokkeer als ik een iets‐minder‐goede versie van mezelf dreig te zijn. Dat is een slechte houding als free­lan­cer: als je blokkeert blijft de kachel niet branden, en als je blokkeert omdat je jezelf onge­loof­lijk hard aanpakt, heb je kans dat je zelf als brandhout in de haard belandt. Ik werp mezelf graag op als ruim­har­tig en rea­lis­tisch, maar als het om het netto resultaat van mijn leven gaat, ben ik een zuinige boek­hou­der die niet kan wachten tot ze de aan­stich­ter van de disbalans een afran­se­ling kan geven. Een onbarm­har­ti­ge houding waarmee ik mezelf danig demo­ti­veer, die mijn cre­a­ti­vi­teit verstikt en die gro­ten­deels zinloos is. Al sinds het ontstaan van Het Eiland Neus heb ik één keer per jaar een nervous breakdown. Daar kom ik doorgaans redelijk snel uit, maar het afgelopen jaar lukte het niet meer. Het deed me denken aan mijn hamster, Babbel, die in zijn rad soms plot­se­ling ophield met lopen en dan ach­ter­waarts over de kop ging om ver­vol­gens…

  • Over natuur,  Stukjes in het wild

    Vijf dingen die ik leerde in mijn cursus Natuur­gids

    1. Iedereen die iets zeker weet, moet je wan­trou­wen De natuur is als voetbal: iedereen heeft er een mening over, maar bijna niemand weet waarover hij het heeft. Als ik naar mezelf kijk: ik wist mijn hele leven hoe een merel klonk, tot ik te maken kreeg met mensen die écht weten hoe een merel klinkt. Toen besefte ik dat ik jarenlang allerlei zwart­kop­pen, tuin­flui­ters en soms zelfs rood­borst­jes op een merel­hoop­je had gegooid. De natuur­gids­cur­sus leidde voort­du­rend tot nede­rig­heid: wat de ene lesgever ons leerde, stelde de volgende weer in vraag en wat wij zeker dachten te weten, lag negen van de tien keer toch een beetje anders. 2. Spoor­zoe­ken en vinden Je kunt als natuur­gids niet alles weten en je kunt in een natuur­gids­cur­sus niet alles leren. Dat is frus­tre­rend, maar een fact of life waar je aan kunt wennen. Wat ik wel heb geleerd is om de omgeving te obser­ve­ren: wat zie je, hoor en ruik je? En wat mag je dan in deze tijd van het jaar ver­wach­ten aan planten en dieren? Een omgeving door­gron­den, is als spoor­zoe­ken: open plekken, jonge scheutjes, bloeiend kruid, bast‐ en blad­scha­de, druppels, pluisjes, zaadjes, eitjes, knaag­tand­jes en voet­af­druk­ken, alles telt…

  • Over journalistiek,  Stukjes in het wild

    Een krant kan het nooit goed doen

    Op Twitter stelde Maarten Jan mij een vraag. Ik ken Maarten Jan niet, maar in zijn bio staat ‘zegt weinig, vraagt veel’ en dat vind ik een mooi uit­gangs­punt. Dus hier een serieus antwoord op zijn vraag. ‘Als ik een artikel in de krant zie over een onderwerp waar ik veel vanaf weet (bij­voor­beeld gaming), is het altijd rampzalig slecht. Geldt dit ook voor andere onder­wer­pen en hoe komt dit?’ Laat ik beginnen met te zeggen dat de vraag te groot is om te beant­woor­den, want wat is slecht? Welk aspect vind je slecht? De invals­hoek? De vergaarde infor­ma­tie? De selectie? De schrijf­stijl? Hoe bepaal je of je niet te veel verwacht? Welke media heb je gecon­su­meerd voor je die mening had? In hoeverre had je andere media moeten raad­ple­gen? En als het artikel voor jou niet de juiste aanpak of inhoud had, zou het voor een ander wel de juiste aanpak of inhoud kunnen hebben? Oftewel: behoor je tot de doelgroep? Vragen, vragen, vragen die je eigenlijk allemaal eerst nauwgezet zou moeten langs­lo­pen voor je een gedegen antwoord kunt geven. Dus alles wat ik antwoord, zal geheid een nieuwe vraag oproepen en elke analyse geeft slechts een fractie weer…

  • Stukjes in het wild

    De geur van buiten

    We moeten het eens hebben over de geur van buiten. Een zoetzure stoflucht die om mensen en dieren hangt die net van buiten komen. De geur van buiten is het best te ruiken als je zelf niét net van buiten komt, en de geur van buiten is om die reden ook een geur die je vooral bij anderen ruikt en minder bij jezelf. Hoewel deze meneer de ver­kla­ring zoekt in geosmine, een chemische ver­bin­ding die wordt aan­ge­maakt door bacteriën en die onder meer leidt tot de geur die je na regen kunt ruiken (genaamd ‘petrichor’) denk ik dat de geur van buiten niet dezelfde geur is als de geur na regen. Hoewel ik niet uitsluit dat de geur van buiten een voor‐ of nastadium is van die regengeur. Ik hou niet van de geur van buiten. Sterker: ik vind de geur van buiten vies. Het is me te weeïg en te robuust. Ik herinner me dat ik dat als kind een van de ver­ve­lend­ste aspecten vond van iemand gedag zoenen: die geur van buiten. Onlangs rook Wannes naar buiten en ik trok een wat vies gezicht. Hij keek me verbaasd aan en ik zei dat hij te veel naar buiten…

  • Stukjes in het wild

    Ble­ke­to­ma­ten­in­to­le­ran­tie

    Dat zachte zanderige vlees. Te koud, te nat, te wak, te smaakloos. Het velletje te taai, te veel contrast met het vrucht­vlees. Je proeft de koel­kas­ten tussen hier en Spanje, de lief­de­loos­heid van de groot­grut­ter en de snelheid waarmee de plant het water uit de grond tussen dat vel heeft gepompt. Op de School voor Jour­na­lis­tiek volgde ik het keuzevak De Tomaat, over de ver­hou­din­gen tussen Nederland en Duitsland. De naam van het vak was afgeleid van een han­dels­ak­ke­fiet­je in 1992 waarbij Neder­land­se tomaten in Duitsland door de beroerde kwaliteit tot Was­ser­bom­be werden omgedoopt. We wisten toen nog niet hoe erg het 25 jaar later zou zijn. Zo erg dat ik mijzelf bij elk broodje buiten de deur terugvind met twee vingers in mijn beleg in een poging die koude rode flubbers ertus­sen­uit te halen. In het vliegtuig, in de trein, in het café, op het station, net zolang frie­me­lend tot al die witmelige vle­zig­heid weg is. En dan te bedenken dat ik niets liever eet dan een broodje met tomaat. Zo jammer. • Ik doe mee aan 40 dagen bloggen. Dit is dag 24.

  • Stukjes in het wild

    Wat een dag

    Foto: Vézelay, 1991 1. Ooit besloot ik dat ik me altijd zou laten inter­vie­wen als iemand een verzoek deed, want als wij jour­na­lis­ten al geen inter­views meer willen geven, wie moet het dan wel doen? Ik had twee voor­waar­den: 1. de vragen moeten gaan over iets waarvan ik zelf vind dat ik deskundig genoeg ben 2. door een afschrik­wek­ken­de ervaring met een tele­vi­sie­pro­gram­ma in het verleden hoef ik nooit mee te werken aan per­soon­lij­ke inter­views. Over zie­len­roer­se­len doe ik alleen nog met eigen pen verslag. Dus ik gaf van de week een interview: ‘Vrou­wen­dag beste dag om géén com­pli­ment­jes uit te delen’ 2. Ik stopte in 2000 voor het eerst met roken, sindsdien rook ik af en aan wel en niet. Toch is er weinig veranderd sinds ik dertig jaar geleden begon met roken: ik ben ook als ik niet rook nog steeds verslaafd. Vandaag stop ik weer en gek genoeg heb ik er zin in. Dat lijkt me een valkuil. 3. Syn­es­the­sie was in het nieuws. Als syn­es­the­sie in het nieuws is, stroomt mijn mailbox altijd vol met media die mij willen inter­vie­wen. Omdat het vaak tv-programma’s zijn en ik wat came­ra­schuw ben, werk ik meestal alleen achter de…

  • Stukjes in het wild

    Volledig overtuigd van mijn eigen boor

    Van mijn ouders kreeg ik een paar dozen met oud school­ge­rief mee. Tien­tal­len schrif­tjes tot aan de leeftijd dat ik slordig met mijn spullen begon om te gaan. Van­zelf­spre­kend zijn de oudste schrif­tjes het leukste; die waarin ik nog nau­we­lijks abstrac­tie­ver­mo­gen heb en opdrach­ten verkeerd begrijp, waarin je ziet dat ik er met rode wangetjes mee bezig geweest moet zijn. In 1980 leerde ik lezen en schrijven op een typische Montessori‐manier, met veel visuele prikkels. In een aantal schrif­tjes moest ik woorden foutloos opschrij­ven en ernaast tekenen wat ze bete­ken­den. Al bladerend door die honderden inter­pre­ta­ties van de wer­ke­lijk­heid stuitte ik op de boor van de foto hierboven. Hoewel begin jaren tachtig de glo­rie­ja­ren waren van de workmate en mijn vader gewoon een elek­tri­sche boor­ma­chi­ne gebruikte, was dat kennelijk voor mij wat een boor was. Dat is opvallend, maar waar­schijn­lijk had ik kort daarvoor een handboor leren gebruiken. Een groot deel van mijn kin­der­ja­ren bracht ik zon­dag­och­ten­den het liefste door met drie dingen: ver­keers­par­ken van Playmobil bouwen, meezingen met J.J. de Bom voorheen de Kin­der­vriend én figuur­za­gen. Met car­bon­pa­pier trok ik Bambi, Sneeuw­wit­je of een van mijn andere idolen over, ver­vol­gens boorde ik met een handboor een gaatje op de…

  • Stukjes in het wild

    Maartjes foefjes: houten lepel tegen overkoken

    Omdat ik zelfs op de meest roman­ti­sche momenten geneigd ben praktisch te doen, leek een life­hack­ru­briek me echt iets voor mij. Maar ik vind lifehack een rotwoord, daarom: foefjes. Voor de Belgen: een foefje is een trucje, een slim­mig­heid­je. Heb je ook behoefte aan een prak­ti­sche oplossing voor iets? Leg mij je vraag voor, dan denk ik met je mee. Vandaag: een houten lepel tegen het overkoken. Soms koken voe­dings­wa­ren zoals pasta, rijst en aard­ap­pe­len over. Dat is vrijwel altijd een slechte dag voor degene die het fornuis moet schoon­ma­ken. Meestal kookt het water over omdat er schuim op komt dat veel meer ruimte inneemt dan je van tevoren had ingeschat. Dat schuim heeft te maken met bij­voor­beeld zetmeel‐ en vet­deel­tjes in aard­ap­pe­len, pasta en rijst, die de grens tussen lucht en water opzoeken en zo belletjes maken (hier vind je een zorg­vul­di­ge toe­lich­ting – pdf). Om te voorkomen dat het schuim boven de rand uitstijgt, kun je een houten lepel op de rand leggen. Doordat de belletjes tegen het hout botsen en kapot spatten, blijft de schuim­berg laag. Op de foto hierboven heb ik een deksel op de pan, maar dat is niet nodig, je kunt het effect ook…

  • Over natuur,  Stukjes in het wild

    Eat that, ekster

    We wilden de mezen iets bieden dat niet in twee flinke happen door een kraai of ekster verorberd kon worden, dus toen we ergens van die silootjes vonden, schaften we die aan. Voedersilo’s hebben heel kleine snoep­gaatjes zodat kraai­ach­ti­gen hun snavel er niet in krijgen. Tenminste, dat is het idee. Vorig jaar maakte ik een video met daarin een iets beter beeld van wie er zoal komt eten. • Er wordt veertig dagen geblogd in blogland, dit is dag 18.

  • Stukjes in het wild

    Zondag

    Mijn waak­zaam­heid rust niet. De inspan­nin­gen die ik moet leveren om mijn diverse span­nings­bo­gen naar beneden te halen, is soms boven­men­se­lijk. Zie het als een regenboog: ik kamp altijd met een halve boog en moet er een mentaal keu­ken­trap­je bij halen om het einde af te buigen naar een hele, naar de pot met goud. Mijn waak­zaam­heid belet me werkelijk te geloven dat een hele boog tot de moge­lijk­he­den behoort. Is het nature of nurture? Ben ik dom of onmachtig? Is het werkelijk mogelijk om je span­nings­boog zonder haringen en scheer­lij­nen naar beneden te trekken? Elke dag weer? En waarom heeft niemand mij dat geleerd? Mijn waak­zaam­heid is zo cynisch, dat ze naar me knipoogt als ik probeer te doen alsof ze niet bestaat. Juist op de momenten dat ik mijn mentale keu­ken­trap­je heb getrot­seerd, het uiteinde heb vast­ge­pakt en probeer de boog zonder extra mankracht of doping af te buigen, juist dán is de ver­lei­ding groot om te denken dat ik de mindgame aan het verliezen ben. Non­cha­lan­ce is des duivels oorkussen en als een verslapte span­nings­boog iéts niet doet, is het wel naar de hemel reiken, dus daar trap ik mooi niet in. Mijn waak­zaam­heid heeft een nieuw…

  • Stukjes in het wild

    Cute overload: het aantal ver­keers­lich­ten in de vijfde stad van Vlaan­de­ren

    Leuven is de vijfde stad van Vlaan­de­ren en toch zijn er maar zes kruis­pun­ten met ver­keers­lich­ten binnen de ring. Waarvan sommige nau­we­lijks een kruispunt mogen heten. Dit bij­voor­beeld: Of dit: Ik hou van Leuven. Ik was na dertig jaar Amsterdam heel erg toe aan een stad voor beginners en Leuven is de beste stad voor beginners die er is. Leuven is bedoeld voor mensen die een stad nog verkeerd om houden als ze erop gaan spelen, zoals begin­nen­de gita­ris­ten doen met een gitaar. Nu kun je zeggen: ja, maar dat is niet eerlijk, want in de Benelux zijn alleen maar steden voor beginners. En dat is waar. Maar in de categorie Steden voor Beginners mag Leuven onder het kopje Aller­ge­schiktst voor Absolute Beginners. België is een uit­smeer­land. Alle bebouwing is uit­ge­smeerd over de hele opper­vlak­te, want niemand wil ‘omhoog’ wonen, dus heeft België heel weinig grote steden. Ik zal de situatie even ver­ge­lij­ken met Nederland: De tweede stad van Nederland (Rotterdam) heeft 639.587 inwoners, de tweede stad van België (Gent) heeft er 259.083. Leuven, de achtste stad van België en de vijfde stad van Vlaan­de­ren heeft 100.291 inwoners tegenover 201.703 voor de achtste stad van Nederland, Almere. In zekere zin…

  • Stukjes in het wild

    Gouwe ouwe: mijn lezers draaien alle kanten op

    In mei 2009 (al bijna tien jaar geleden!) vroeg ik mijn lezers of ze óók buik­draai­den in bed. De ant­woor­den bleken ver­ras­send geva­ri­eerd, net als als jullie beeld van de de man‐vrouw‐verhouding in de Bende van Groot­moe­ders Kastje. Mede daarom herplaats ik het stukje met de ant­woor­den. Wat een ver­ras­sing. Ik ben niet vreemd. Helemaal niet zelfs. Ik ben zo gemiddeld als wat. Maar u ook, u bent ook zo gemiddeld als wat. De vraag of u rug‐ of buik­draait, is namelijk grofweg geëindigd in een gelijk­stand voor alle opties. Er waren 37 res­pon­den­ten die ik elk bij een categorie heb ingedeeld: buik­draai­en, rugdraai­en of beide. Hier zijn de cijfers: Buik­draai­en: 13 mensen Rugdraai­en: 13 mensen Beide: 11 mensen Kortom: wat u ook doet, u bent niet vreemd. Toch is dat voor velen moeilijk voor te stellen. Veel mensen schreven iets bij hun antwoord als ‘natuur­lijk’ of ‘hoe anders?’. En de redenen waarom op een andere manier draaien onple­zie­rig of zelfs levens­ge­vaar­lijk zou zijn, waren ook niet van de lucht. Over buik­draai­en “Buik­draai­en is net zoiets als ver­drin­ken.” “Als ik eens flink wil zuchten dan ga ik via mijn buik.” “Via mijn buik, dat is zo’n lekker warm en veilig gevoel.”…