Stukjes in het wild

Mijn 'stukjes in het wild' verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Tegenwoordig schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

  • Stukjes in het wild

    Toch nog wat te verliezen

    Al in de zandbak zeiden we dat we nooit zouden trouwen. Onze moeders waren van de generatie haren op je benen, en de mantra ‘zorg dat je nooit afhan­ke­lijk wordt van een man’ was alom tegen­woor­dig in de maat­schap­pij. Op de lagere school en mid­del­ba­re school idem dito: ik, mijn vrienden, we waren ervan overtuigd dat we nooit zouden huwen. We zouden ons niet over­le­ve­ren aan het juk van het systeem, we riepen dat echte liefde zich niet liet vangen in wetgeving of een aan­spreek­ti­tel. En wat voegt het toe? Die enorme smak geld die je neerlegt om die ene keer een feestje te geven? Je moest harts­toch­te­lijk­heid toch altijd vieren? Nee, wij zouden er niet aan beginnen. Toch trouwde ik twee keer en veel gene­ra­tie­ge­no­ten met mij. Omdat echte liefde dan wel niet in wetgeving te vangen was, maar erf­rech­ten en andere deel­rech­ten wel, omdat ik geen prin­ci­pi­ë­le bezwaren had tegen lang­du­ri­ge ver­bin­te­nis­sen, inte­gen­deel, en omdat het buik­ge­voel uit mijn zand­bak­tijd misschien niet de beste basis was voor beslis­sin­gen op latere leeftijd. Vandaag vijf jaar geleden trouwde ik met degene voor wie ik zeven jaar eerder al meer offerde dan mijn zand­bak­ac­ti­vis­me. Ik had mijn job opgezegd, mijn huis…

  • Over natuur,  Stukjes in het wild

    Het viel niet mee

    De vorige keer had ik het over een grote pad, zo’n dikke, knob­be­li­ge. Die over­leef­de het. Eer­gis­te­ren ging het om een kleintje. Tenminste dat dacht ik toen ik in het donker op het trapje naar de kelder stond. Er zat iets onder mijn slipper, iets dat de grootte had van die schattige padjes die hier altijd over het terras hopsen. Het was te donker om te kijken, dus ik schudde van schrik met mijn voet, slingerde mijn slipper het verre donker in en zag me genood­zaakt op één blote voet mijn slipper uit de duis­ter­nis te redden. In mijn hoofd was het terras inmiddels bezaaid met baby­pad­jes die zich gewillig door mijn ontblote voet zouden laten pletten, waardoor ik me na vier stappen over bobbelige rom­mel­tjes (WAT WAS DAT?!) afvroeg of dat natte dat ik voelde pad­den­bloed was. Onder mijn terug­ge­von­den slipper kleefde geen babypadje, maar ik was er aller­minst van overtuigd dat dat mijn onschuld bewees. Als mijn haastig ingezette horlepiep mijn slipper meters verder had doen neerkomen, dan was dat vermeende babypadje onder mijn voetzool ver­moe­de­lijk ook gelan­ceerd. Gis­ter­och­tend daalde ik het trapje naar de kelder af. Er lag een blaadje. In de vorm van een kikker. Of…

  • Stukjes in het wild

    De koningin is dood

    Aretha is dood. De Queen of Soul wordt ze genoemd, en zo ervaar ik haar ook: als mijn koningin. Ze is mijn koningin veel meer dan Juliana, Beatrix, Maxíma, Paola en Mathilde ooit zullen zijn. Toen Prince en David Bowie stierven, mijn andere jeugd­hel­den, was ik geraakt, vol van her­in­ne­rin­gen, super­me­lan­cho­lisch en ronduit ver­drie­tig. Bij Aretha voel ik dank­baar­heid, superveel dank­baar­heid. Dat gevoel is afstan­de­lij­ker dan bij Bowie en Prince, maar zo gaat dat bij royalties. Het zit zo: in den beginne had je de Dolly Dots en Doe Maar, die met posters mijn muren bekleed­den, die mij leerden meezingen en fan leerden zijn. Maar daarna werd mijn focus algauw een rommeltje. Van mijn negende tot mijn twaalfde cirkelde ik van Bob Marley naar Michael Jackson, en van Wham! naar Sting en The Police. Ik hield van alles door elkaar, was ver­schrik­ke­lijk nieuws­gie­rig naar steeds weer nieuwe muziek en bleef rond mijn dertiende haken bij soul en R&B. Van de vriend van mijn zus, die in een soulband speelde, kreeg ik cas­set­te­band­jes met platen van Aretha Franklin, Wilson Pickett en King Curtis, en mijn moeder had een lang­speel­plaat van Aretha en een drie­dub­be­le soul­ver­za­mel­el­pee waarop Natural Woman stond. Daar werd…

  • Stukjes in het wild

    Scha­duw­ja­gen

    Sinds vorig jaar ziet onze kat schaduwen. Vroeger sloeg ze er geen acht op, zoals alle katten die ik ooit had. Schaduwen waren soms heel even inte­res­sant, maar alleen als we er een spel van maakten, een jacht­ac­ti­vi­teit, en slechts als er sprake was van een uiterst zwarte afge­te­ken­de schaduw die vinnig over de muur of de vloer bewoog. Tegen­woor­dig heeft Choco álle schaduwen ontdekt, ook de schaduw van mijn hoofd voor de iPad, ook de flik­ke­rin­gen op tv en ook de zwakke grijze wazen die jij en ik over het hoofd zouden zien. Het is ver­moei­end. Onze stuifpoes stuift al erg veel door het simpele bewegen van tastbare dingen, zoals mensen, meubels of deuren, en nu ze bijna vijftien is, begint ze dus ook de stuiven van lichtval, of het gebrek daaraan. Het heeft iets grappigs: je zit haar op te vrijen, achter haar oor, onder haar kin, ze is blij, tevreden, vol overgave en dan hop! Dan is ze weg. Want er bewoog iets achter jou. Haar fas­ci­na­tie voor schaduwen is groter dan haar behoefte aan affectie en dat vind ik opmer­ke­lijk. Nimmer had ik een poes die liever achter vage schimmen aanging dan stevig gelief­koosd te worden.…

  • Stukjes in het wild

    Tegen het inner­lij­ke dreinen

    Als het slecht met mij gaat, is onont­koom­ba­re afleiding mijn enige redding. Mijn gepieker is zo diep­ge­wor­teld dat er op sommige momenten niets anders op zit dan mijn hoofd in beslag te laten nemen. Iets doen dat zoveel her­sen­ca­pa­ci­teit vreet dat er geen geheugen meer over is om te herkauwen. Lezen werkt dan niet. Boeken con­fron­te­ren me met mezelf, met hoe ik in het leven sta. Kan ik me meten met de hoofd­per­so­nen? De denktrant van de schrijver? Heb ik zuivere motieven? Visies? Relaties? Boeken leiden ook tot beroeps­de­for­ma­tie: wat gaat er goed in dit verhaal? Wat niet? Hoe zou dat beter kunnen? Bij kranten en tijd­schrif­ten is dat nog erger, lezen is huiswerk. Niet alleen haal ik elke tekst langs mijn inner­lij­ke kwa­li­teits­me­ter, ook is de er altijd de vraag: wat kan ik hiervan leren? Heb ik dit misschien later nodig bij mijn eigen stukken? Wandelen werkt al beter, maar geeft me toch nog te veel ruimte om rondjes te rennen in mijn hoofd. Het helpt dat ik het afgelopen jaar heb geleerd om alles te deter­mi­ne­ren wat ik zie. Om het inner­lij­ke dreinen tegen te gaan, loop ik rond met een denk­beel­dig aan­wijs­stok­je: zomereik, Canadese eik, uit­ge­bloei­de look-zonder-look,…

  • Stukjes in het wild

    Stollende

    Maandag zou de eerste dag van de rest van mijn leven zijn. Alle rommelige dagen van deze zomer lagen achter me en ik zou eindelijk ruimte en tijd hebben om mijn bijeen geschraap­te goede moed te bundelen tot een pro­duc­ti­vi­teit van heb-ik-jou-daar. Maar in plaats daarvan waad ik al dagen door de warmte. Ik check gordijnen, rolluiken, ramen en kieren meermaals per dag, zonder al te veel resultaat. Elk streepje licht betekent een streepje op de ther­mo­me­ter en er zijn te veel streepjes licht. Een huurhuis laat zich moeilijk dicht­tim­me­ren. Vandaag wordt het 37 graden. Dan is het in theorie net zo warm buiten mij als in mij, maar op mijn reizen naar Zuid-Europa maakte ik dat vaker mee en dat moment van evenwicht is me nooit opge­val­len – dat ogenblik dat vooral zou moeten bestaan uit wat je niét voelt. Jac­que­li­ne de Vree schreef op Twitter dat onze hersenen niet smelten, maar dat de eiwitten in je brein stollen. Onom­keer­baar, bij 42 graden al. Aha, dacht ik, er zit begin­nen­de Foe Yong Hai in mijn hoofd, of een kar­bo­naad­je. Nog 5 graden en het gerecht is klaar. Onom­keer­baar klaar. Dus de reden dat ik zo slecht pres­teer­de op de…

  • Stukjes in het wild

    Gespe­cu­leer

    Eer­gis­te­ren liep ik door het bos en stapte ik bijna op een pad. Sindsdien denk ik om de paar uur even aan hoe dat hád kunnen zijn. Want ik had echt een stevig tempo, zo’n de-paden-op-de-lanen-in-tempo, met zwaaiende armen en een vast­be­ra­den trek om mijn mond. En ik mag dan niet veel wegen, voor een pad is het algauw te veel. Het was een wonder dat ik hem zag, want hij leek nog het meeste op een afge­val­len blad. Op een paar cen­ti­me­ter van zijn freeze plantte ik mijn voet, en toen ik uitriep ‘hee, een pad!’ sprong hij weg met zo’n onbe­hol­pen pad­den­sprong. Het is een slechte gewoonte om van dingen die wel goed afliepen te bedenken hoe het zou zijn geweest als dat niet zo was. Ik voel de bobbel onder mijn schoen, ik beleef levendig het moment dat ik erop ga staan, totdat er iets moet gebeuren met die bobbel. Wat gebeurt er met een pad waarop je gaat staan? Knapt hij uit elkaar? Wordt hij uit­ge­smeerd? Of geeft hij mee? Als een Nike Air-bounceje? Ik ben blij dat ik het niet weet, maar ook weer niet, want dat gespe­cu­leer de hele dag is ook niet alles.…

  • Stukjes in het wild

    Lijn 9

    beeld: Jan Oos­ter­huis CC BY-SA 3.0 Als kleuter kwam ik eens een meisje tegen dat nog nooit in een tram had gezeten. Ik dacht dat ze een grapje maakte, want voor mij was de tram na de fiets het tweede ver­voer­mid­del in mijn bestaan. Mijn ouders hebben nooit een auto gehad, dus lijn 9 ontsloot voor ons de wereld. Het was de enige tram die dichtbij stopte en het was doorgaans de route naar afwis­se­ling en vrije tijd. Aan lijn 9 waren nau­we­lijks ver­plich­tin­gen verbonden, die lagen voor­na­me­lijk op andere assen. Lijn 9 was de tram naar de rond­vaart­boot, naar Artis, naar het Tro­pen­mu­se­um, het was de tram naar films in Tusch­in­ski, of in de Cineac, naar de veel te grote reus in het Amster­dams His­to­risch Museum, naar de Bijenkorf, V&D en het Water­loop­lein. Het was de tram naar op vakantie met de trein, naar vrije tijd, naar anders. Het was de tram van de rust naar de drukte, van de huizen naar de winkels, van het dorp naar de wereld. Lijn 9 was de tram waarin ik leerde glippen (zwart­rij­den), maar waarin ik dat ook weer afleerde toen een con­tro­leur me eens dreigend toesiste dat een valse naam opgeven…

  • Stukjes in het wild

    De structuur van asfalt

    Het onhandige aan mijn vak is dat ik er moeilijk reclame voor kan maken, omdat ik een over­dre­ven discrete schrijf­coach ben. Als de auteurs die ik begeleid iets moois maken en successen boeken, wil ik niet roepen dat ik daar de hand in had, omdat ik mijn eigen invloed niet wil over­schat­ten, maar ook omdat ik niet wil dat ik iets van de glans afhaal door het woord schrijf­coach te laten vallen. Daarom publi­ce­ren mensen verhalen zonder dat ik er al te nadruk­ke­lijk mee aan de haal ga, daarom boeken mijn pupillen successen zonder dat iemand weet dat ik meelas, meedacht of mee­schreef. Maar als iemand me in het dankwoord uit­druk­ke­lijk noemt, dan wil ik wel een klein stukje van het gordijn opzij trekken. Voor een vriend Het begon tijdens een cursus non-fictie schrijven. ‘Ik wil een verhaal maken over een vriend,’ zei de cursist. Die vriend was iemand wiens zoon de diagnose autis­me­s­pec­trum­stoor­nis had gekregen, waardoor de vader zelf op zoek was gegaan naar zijn eventuele diagnose. Prima idee, zei ik. En zo geschied­de. We zetten het verhaal over de vriend in de steigers, de cursist research­te, kwam terug met materiaal, en bouwde een aanzet voor een verhaal. Maar…

  • Stukjes in het wild

    Brand­ge­vaar

    Het afgelopen jaar ontdekte ik iets wat ik altijd al dacht: ik mag niks fout doen. Ik kwam erachter dat ik de theorie van mogen worstelen en ploeteren best ken, maar dat ik in de praktijk volkomen blokkeer als ik een iets-minder-goede versie van mezelf dreig te zijn. Dat is een slechte houding als free­lan­cer: als je blokkeert blijft de kachel niet branden, en als je blokkeert omdat je jezelf onge­loof­lijk hard aanpakt, heb je kans dat je zelf als brandhout in de haard belandt. Ik werp mezelf graag op als ruim­har­tig en rea­lis­tisch, maar als het om het netto resultaat van mijn leven gaat, ben ik een zuinige boek­hou­der die niet kan wachten tot ze de aan­stich­ter van de disbalans een afran­se­ling kan geven. Een onbarm­har­ti­ge houding waarmee ik mezelf danig demo­ti­veer, die mijn cre­a­ti­vi­teit verstikt en die gro­ten­deels zinloos is. Al sinds het ontstaan van Het Eiland Neus heb ik één keer per jaar een nervous breakdown. Daar kom ik doorgaans redelijk snel uit, maar het afgelopen jaar lukte het niet meer. Het deed me denken aan mijn hamster, Babbel, die in zijn rad soms plot­se­ling ophield met lopen en dan ach­ter­waarts over de kop ging om ver­vol­gens…

  • Over natuur,  Stukjes in het wild

    Vijf dingen die ik leerde in mijn cursus Natuur­gids

    1. Iedereen die iets zeker weet, moet je wan­trou­wen De natuur is als voetbal: iedereen heeft er een mening over, maar bijna niemand weet waarover hij het heeft. Als ik naar mezelf kijk: ik wist mijn hele leven hoe een merel klonk, tot ik te maken kreeg met mensen die écht weten hoe een merel klinkt. Toen besefte ik dat ik jarenlang allerlei zwart­kop­pen, tuin­flui­ters en soms zelfs rood­borst­jes op een merel­hoop­je had gegooid. De natuur­gids­cur­sus leidde voort­du­rend tot nede­rig­heid: wat de ene lesgever ons leerde, stelde de volgende weer in vraag en wat wij zeker dachten te weten, lag negen van de tien keer toch een beetje anders. 2. Spoor­zoe­ken en vinden Je kunt als natuur­gids niet alles weten en je kunt in een natuur­gids­cur­sus niet alles leren. Dat is frus­tre­rend, maar een fact of life waar je aan kunt wennen. Wat ik wel heb geleerd is om de omgeving te obser­ve­ren: wat zie je, hoor en ruik je? En wat mag je dan in deze tijd van het jaar ver­wach­ten aan planten en dieren? Een omgeving door­gron­den, is als spoor­zoe­ken: open plekken, jonge scheutjes, bloeiend kruid, bast- en blad­scha­de, druppels, pluisjes, zaadjes, eitjes, knaag­tand­jes en voet­af­druk­ken, alles telt…

  • Over journalistiek,  Stukjes in het wild

    Een krant kan het nooit goed doen

    Op Twitter stelde Maarten Jan mij een vraag. Ik ken Maarten Jan niet, maar in zijn bio staat ‘zegt weinig, vraagt veel’ en dat vind ik een mooi uit­gangs­punt. Dus hier een serieus antwoord op zijn vraag. ‘Als ik een artikel in de krant zie over een onderwerp waar ik veel vanaf weet (bij­voor­beeld gaming), is het altijd rampzalig slecht. Geldt dit ook voor andere onder­wer­pen en hoe komt dit?’ Laat ik beginnen met te zeggen dat de vraag te groot is om te beant­woor­den, want wat is slecht? Welk aspect vind je slecht? De invals­hoek? De vergaarde infor­ma­tie? De selectie? De schrijf­stijl? Hoe bepaal je of je niet te veel verwacht? Welke media heb je gecon­su­meerd voor je die mening had? In hoeverre had je andere media moeten raad­ple­gen? En als het artikel voor jou niet de juiste aanpak of inhoud had, zou het voor een ander wel de juiste aanpak of inhoud kunnen hebben? Oftewel: behoor je tot de doelgroep? Vragen, vragen, vragen die je eigenlijk allemaal eerst nauwgezet zou moeten langs­lo­pen voor je een gedegen antwoord kunt geven. Dus alles wat ik antwoord, zal geheid een nieuwe vraag oproepen en elke analyse geeft slechts een fractie weer…

  • Stukjes in het wild

    De geur van buiten

    We moeten het eens hebben over de geur van buiten. Een zoetzure stoflucht die om mensen en dieren hangt die net van buiten komen. De geur van buiten is het best te ruiken als je zelf niét net van buiten komt, en de geur van buiten is om die reden ook een geur die je vooral bij anderen ruikt en minder bij jezelf. Hoewel deze meneer de ver­kla­ring zoekt in geosmine, een chemische ver­bin­ding die wordt aan­ge­maakt door bacteriën en die onder meer leidt tot de geur die je na regen kunt ruiken (genaamd ‘petrichor’) denk ik dat de geur van buiten niet dezelfde geur is als de geur na regen. Hoewel ik niet uitsluit dat de geur van buiten een voor- of nastadium is van die regengeur. Ik hou niet van de geur van buiten. Sterker: ik vind de geur van buiten vies. Het is me te weeïg en te robuust. Ik herinner me dat ik dat als kind een van de ver­ve­lend­ste aspecten vond van iemand gedag zoenen: die geur van buiten. Onlangs rook Wannes naar buiten en ik trok een wat vies gezicht. Hij keek me verbaasd aan en ik zei dat hij te veel naar buiten…