Stukjes in het wild

Mijn stukjes in het wild verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Heden ten dage schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

Mijn conservatieve hoofd en het uitgebeende bosschage

Terwijl ik dit schrijf kleppert er een specht tegen een boomstam en toen ik vanochtend opstond was een bosuil zijn territorium aan het afbakenen met zijn oehoegeroep, kortom: ik heb geen klagen. Toch is dat exact wat ik ga doen, want als het om natuur gaat ben ik behoudend; als er een dier in mijn tuin zit dan beschouw ik dat als een definitieve factor. Wanneer ik bijvoorbeeld een eekhoorn zie, heb ik vanaf dat moment een eekhoorn in de tuin, ontdek ik een egel, dan betekent dat dat ik een tuin met egels heb, en zie ik padden, dan zitten er dus padden in de tuin. Voor mij is dat dan geenszins van tijdelijke aard, voor mij is dat voorgoed.

De afgelopen week werd mijn wens om alles bij het oude te houden danig op de proef gesteld. Toegegeven, ik voel me gauw tekortgedaan als het op dieren aankomt. Ik herinner me dat ik in de zomer maandenlang uit mijn humeur was omdat de kleine vogeltjes uit het vroege voorjaar zich niet meer lieten zien. En Wannes en ik breken al de hele winter als het gevroren heeft het ijs in de vijver, omdat in onze verbeelding de kikkers die er een zomer lang van ‘bommetje’ deden nu ergens in de diepte hun winterslaap houden. Dat is een uiterst onzekere aanname, maar in onze conservatieve hoofden is het ondenkbaar dat we ineens een tuin zonder kikkers zouden hebben.

Ruim twee weken geleden kregen we een brief dat de domeinwachters de wilgen die schuin achter onze tuin groeien weg zouden halen, omdat er gevaar was voor vallende takken bij harde wind, bovendien waren de dennen ernaast ‘zieltogend’, dus die zouden ook gekapt worden. De brief was schrikken, want dat zijn de bomen van het eksternest. Het eksternest dat twee jaar geleden leidde tot een eindeloze strijd tussen eksters en kraaien. Het eksternest dat bij verschillende voorjaars- en najaarsstormen sneuvelde en vervolgens met grote volharding weer opnieuw in elkaar werd gevlochten. Het eksternest dat ik in mijn jaaroverzicht prees, omdat het in 2016 ineens wél alle stormen doorstond. Bovendien wonen er rechts eekhoorns, in de buurt van de te vellen wilgen en dennen. We weten niet exact waar ze hun hol hebben, want wij zien ze altijd alleen langs stiefelen op weg naar een voorraad, maar de mare gaat dat eekhoorns altijd in de nabijheid van een naaldboom wonen. Dus denken we dat ze bij de ‘zieltogende’ dennen wonen. De dennen die op de nominatie stonden om tegen de vlakte te gaan.

Omdat Wannes en ik allebei geruime tijd griep hadden, zagen we geen kans onze verontwaardiging om te zetten in protest, dus brak de ochtend van het cirkelzagen zonder pardon aan. De dag ervoor zag het er nog uit zoals op de foto hierboven (pijl bij het eksternest).

Na twee dagen toonde mijn koortsige hoofd mij dit:

Ik probeer het te aanvaarden. Het eksternest is weg, en hoewel de lage bomen er nog wel staan, is de ekstervergadering die daar elke ochtend plaatsvond tot nader order verplaatst naar andere oorden. Toen de bomen een paar dagen weg waren signaleerden we een eekhoorn, maar of dat betekent dat ze nog in de buurt wonen of dat we hier te maken hebben met een gewoontedier dat op termijn alsnog zijn conclusie zal trekken, is onbekend.

Ik probeer het te aanvaarden, hoewel ik niet meer naakt in mijn slaapkamer kan staan zonder de gordijnen dicht te doen, omdat we plotseling zichtbaar zijn voor mensen uit het domein. Ook zullen de prikkels uit het overvolle zwembad dat achter de omgehakte bomen ligt niet langer gedempt worden door de wind in de wilgen en het zomerse groen. Bovendien zal de ochtendzon in augustus de toch al hevige hitte op ons terras stevig aanwakkeren.

Maar praktisch als ik ben, tel ik mijn zegeningen. Ik was al niet zo heel dol op de eksters en kraaien, dus nou ja, good riddance. Daarnaast hoorden we altijd al spechten, maar sinds de kraaien en eksters hun interesse in het bomenrijtje achter de tuin hebben verloren, zijn het er veel meer. Kennelijk waren ze nogal bang voor hun grote broers. En stel dat de eekhoorns toch blijven (ik duim!), dan hoef ik niet langer aan te zien dat ze door de eksters en kraaien in een hoek gedreven worden. Dat scheelt veel bekommernis.

Toch vermoed ik dat mijn conservatieve hoofd de schok traag zal verwerken. Liggend in bed zal ik de associatie met het boek The wind in the willows missen. Zittend op het tuinbankje zal ik de prachtige contouren van de wuivende wilgen steeds opnieuw vergelijken met het uitgebeende bosschage van nu, en ik zal de ochtend prijzen dat ik niet meer op mijn horloge tik omdat de eksters te laat zijn voor de vergadering.

Jarig (met liefs voor mijn moeder)

‘Ik dacht nog: ik weet helemaal niet meer hoe je eruitziet’, zei ze.

Als je emigreert is schuldgevoel een tweede natuur. Je bent nergens bij, je kunt nergens mee helpen, je bent er niet op belangrijke momenten en niemand weet nog hoe je eruitziet. En dat is in elk geval niet hun schuld, dus go figure.

Mijn moeder zegt vaak. ‘Ik had er best bij willen zijn.’ Of: ‘Ik had je best wel willen verzorgen.’ Of: ‘Ik had je wel willen helpen.’ En hoewel de meeste zinsconstructies suggereren dat ík iets misloop, is het schuldgevoel over wat zij allemaal misloopt allesverzengend. Want als je vertrekt ontneem je mensen de kans om zich om je te bekommeren, om je te koesteren en om je te verzorgen. Als je ziek bent kunnen ze je niet soigneren, als je jarig bent niet feliciteren, en in het allerergste geval weten ze gewoon helemaal niet meer hoe je eruitziet.

43 jaar geleden kon zij niet zien aankomen dat ze zich zo onthand zou voelen op een dag als vandaag. Dus plaats ik vandaag, op mijn verjaardag, even een fotootje voor mijn moeder. Zodat ze in elk geval nog weet hoe ik eruitzie. Met heel veel liefs.

Mijn invloedrijkste tieneralbums

Zomer 1989, 15 jaar.

Weer een spelletje met muziek. De vorige keer zocht ik de mooiste nummers bij dertig thema’s, deze keer de invloedrijkste albums tussen mijn 14e en 18e. Voor mij dus tussen begin 1988 en eind 1991. Ik schreef op Facebook aan Maarten en Seppe van wie ik het idee jatte (en die het zelf hier vandaan hadden): ‘Tien … godallemachtig … de helft van de platen die ooit belangrijk zijn geworden, heb ik toen ontdekt. Het is gekkenwerk. En toen ik 14 was luisterde ik ook nog eens totaal andere muziek dan toen ik 18 was. Maar ik zal verder niet morren, streng zijn en gewoon aan de slag gaan. Verdorie.’

Dat doe ik dus maar. Nog een paar disclaimertjes. Ik meen opgevangen te hebben dat je bij het einde van je middelbare school moet ophouden, daarom heb ik Pearl Jam, Red Hot Chili Peppers, Nirvana, Rage Against the Machine en zulks eruit gelaten. Officieel vallen die nét binnen die vier jaar, maar eind 1991 hadden die mijn hart nog niet of nauwelijks veroverd. Ook heb ik Prince niet genoemd, want ik draaide alle albums die hij tot dan toe had gemaakt helemaal grijs, dus dan zou de top tien in een keer vol zitten. Ik heb bij de video’s wederom vooral gelet op twee dingen: 1. Is het wel de uitvoering die ik zo mooi vind? en 2. Is de geluidskwaliteit aanvaardbaar? Daarom zitten er filmpjes tussen met belachelijk beeld: niet op letten alsjeblieft.
Ik probeer ook een ranking aan te leggen: hoe invloedrijk was de muziek? Bovendien doe ik mijn best om het meest invloedrijke nummer van de plaat te kiezen. Gedoe!

10. Niemand in de stad – De Dijk

Hoe? Via de vriend met wie ik op mijn zestiende ging samenwonen. Hij had toen ik in 1989 verkering met hem kreeg als een van de weinige vrienden een cd-speler én ook een paar cd’s (geen grapje: niet iedereen met een cd-speler had cd’s, want die waren rete-duur). Een daarvan was Niemand in de stad van De Dijk.

Wat? Ik herinner me dat ik De Dijk vanaf het begin af aan niet helemaal serieus nam. Ik vond het wat kinderlijke muziek, en als ik iets niet van plan was, dan was het wel mijn muzieksmaak in de omgekeerde richting ontwikkelen. Maar in het Amsterdam van eind jaren tachtig/begin jaren negentig kon je niet om De Dijk heen. Dus hoewel ik hun muziek zelf vrijwel nooit opzette, kroop de plaat toch onder mijn huid. Begin jaren negentig maakte ik voorgerechten en toetjes in een Amsterdams eetcafé. Dit was de plaat die de afstand overbrugde tussen mij en de hardcoregabberkoks met wie ik in de keuken werkte: dit vonden we allemaal goed.

En nu? Ook een plaat die je nooit bewust hebt opgezocht kan een deel van jezelf kan worden. Toch zet ik deze cd nog steeds nooit op.

Waarom dit nummer? Dit nummer is me waarschijnlijk het meeste bijgebleven omdat het een van de minst ‘grappige’ nummers is; niet de gimmick, maar de tekst en de muziek dragen het. En in het kader van ‘zestienjarige Maartje wil niet langer J.J. De Bom, maar Maartje wil Led Zeppelin’ trok een rechtgeaard bluesnummer me vermoedelijk meer aan dan de cartooneske teksten waar deze plaat verder vol mee staat.

https://www.youtube.com/watch?v=ShP3vJogxeQ

 

(meer…)

Jaaroverzicht 2016

https://www.youtube.com/watch?v=y7dyFyxSZOg

 

Omdat mijn werk vrijwel alleen maar bestaat uit lezen en schrijven, probeer ik tijdens vrije dagen mijn letterconsumptie een beetje te beperken. Dan doe ik doorgaans dingen die ik minder goed kan, zoals websites maken, muziek, tekeningen, of een kruidentuin. Deze kerstvakantie besloot ik iets te doen met de 148 video’s die 2016 me had opgeleverd. In 2010 deed ik ook al eens zoiets en ik herinnerde me dat het bevredigend was om al je filmpjes uit één jaar nog eens te bekijken met een goede reden.

Het probleem is: ik kan niet alleen niet goed monteren, het materiaal dat ik mezelf aanlever is ook nog eens tamelijk waardeloos. Zo ben ik een ouderwetse staandbeeldfilmer, ik zie slecht waardoor ik bij bruine beesten in bruine natuur niet voldoende scherpstel. De iPhone-camera weet zich geen raad met 80 procent van de lichtsituaties en ik kan enorm slecht overweg met de iPhone-video-interface (zie het einde van dit filmpje) waardoor ik de beste beelden vaak net niet heb. Kortom: dit filmpje is een worsteling met alles wat ik niet kan. Geniet ervan.

Zet je geluid aan, je scherm groot en let goed op.

Everything she wants

Mijn oudere zus en ik kunnen inmiddels goed met elkaar overweg, maar dat is ooit anders geweest. Vier jaar verschil en een diametraal ander karakter leidden nogal eens tot slaande ruzies en uiteindelijk tot een ietwat vroeg vertrek mijnerzijds. Harmonieuze momenten bestonden bij ons uit op vreedzame wijze elk wat voor onszelf doen, want samen spelen was niet onze sterkste kant en onze ouders waren al dik tevreden als we elkaar niet verbaal of fysiek te lijf gingen. Echte vriendschap leek een optie uit het ongerijmde.

Ik was de jongste en tot mijn twaalfde de meest bedeesde en ik verlangde intens naar een connectie met mijn zus, maar wist bij God niet hoe ik dat aan moest pakken. Mijn leven bestond uit Monchhichi, lego en Kinderen voor Kinderen, haar leven bestond uit stiekem roken, oogpotlood en jongens. Daartussenin lagen vier onoverbrugbare jaren. Om haar terwille te zijn stelde ik me deemoedig op als we samen waren. Ik liet de koptelefoon afpakken, de afstandsbediening en de televisiegids, en ik keek en luisterde mee naar dingen die ik niet begreep in de hoop dat die vier jaar ineens vervlogen zouden zijn.

In eerste instantie moesten we alleen de audio-installatie en de tv delen, maar met de komst van de videorecorder was er nog een apparaat dat diplomatie en afspraken vereiste. Bovendien had mijn vader één videoband voor ons samen gereserveerd waarop we clipjes mochten opnemen. Dus stelde ik me opnieuw deemoedig op en protesteerde ik niet als zij clipjes van de lekkere kerels van Wham! opnam over mijn zo zorgvuldig opgenomen Greatest love of all van Whitney Houston.

Vorig jaar sprak ik met mijn zus over die tijd van die videoband. Ik vertelde dat het een van de weinige periodes was dat we samen dansjes instudeerden. ‘O ja?’ zei ze. ‘Dansjes? Daar kan ik me helemaal niets van herinneren.’ Ze wist nog wel van het steeds vooruitspoelen en scherp zetten voor weer een nieuwe clip, en van onze trofeeën: clips van Madonna, Wham! en Michael Jackson. En later: hoe trots we waren op de lange versies van We all stand together van Paul Mc Cartney en Thriller. Maar die dansjes, nee, die kon ze zich niet herinneren.
‘Weet je dan ook niet meer dat we samen urenlang het dansje uit Everything she wants hebben geoefend voor de tv?’
‘Nee’, zei ze.
Ik googelde de clip en zag ons weer staan op onze sokken op het krakende parket.

https://www.youtube.com/watch?v=Yf_Lwe6p-Cg

 

We wachtten. Pas op 3.35 kwam het dansje. Het duurde zeven seconden.
En nee, ze wist er echt niets meer van.

Zeven seconden. Een dansje van niks. Toen ik er langer over nadacht, realiseerde ik me dat onze woonkamer het helemaal niet toeliet om urenlang naast elkaar pirouettes te draaien. Een incidentele toer zou misschien nog goed af kunnen lopen, maar eindeloos om je as draaien met twee onstuimige lijven van 10 en 14? Nee.

Kortom: ergens in mijn hoofd waren zeven incidentele seconden, een onbeduidend ogenblik, uitgegroeid tot een wekenlange verbintenis tussen mij en mijn zus. Het had me vertrouwen gegeven, kracht, hoop en vriendschap. En het had me het vermoeden bezorgd dat het ooit zo kon zijn als het nu is.

Daar moest ik gisteren aan denken toen ik hoorde dat George Michael was overleden. Dat je dansjes in je hoofd moet verzamelen, tegen de klippen op. En dat je met iedereen kan dansen, wekenlang. En dat het ook als het niet waar is, altijd nog waar kan worden.

Lieve Janneke, ik hou van jou.

Bij het afscheid van twee andere muzikale helden schreef ik dit jaar ook iets:
David Bowie: Sweet thing
Prince: Op zoek naar Prince

Geen katachtige

Gang door, langs de dansvloer, trap op, zaal in, trap af, andere gang, andere zaal, omdraaien, terug, en dat steeds opnieuw. Ik kijk op mijn telefoon. 22:30. Negen uur reizen, meer dan honderd euro aan reis- en verblijfkosten en dan na twee uur weggaan? Kan dat? Ik denk aan al die keren dat ik op feestjes, concerten en evenementen door het gedruis cirkelde op zoek naar een nog leuker feest, concert of evenement. Paradiso, Roxy, Dansen bij Jansen, Melkweg, de AB, het Depot. Een leven lang langs hallen, wc’s en garderobes naar boven- of benedenzalen in de illusie dat om de volgende hoek de avond wél is zoals ik me had voorgesteld. Huisfeestjes: voorkamer, achterkamer, gang, keuken, tuin of balkon. Of Lowlands: van de Alpha naar de X-Ray, naar de India, naar de Charlie. Steevast op weg naar het gevoel waar ik op hoop, de gesprekken die ik droom en de mensen die exact passen in de illusies die ik over de gebeurtenis koester.
22:35. Welke kant loop ik op? De gang in en dan de trap op? En zo ja, welke trap? En zo nee, eerst naar het achterzaaltje? Of de dansvloer over? En waarom dan? Wat denk ik aan te treffen?
Ooit tekende ik in Artis een panter die in de uren dat ik toekeek ongeveer tweehonderd keer langs het hek heen en weer liep in de schijnbare hoop dat er onderweg iets zou veranderen. Ik had daar drie dagen buikpijn van. Maar ik ben geen katachtige, er is geen hek en even verderop is de bushalte.

Niet meer naar buiten

Als Wannes en ik niet uitkijken, zien we soms dagenlang niemand. Dan eten we twee weken uit de voorraad, halen we slechts een frisse neus in het uitgestorven park achter de tuin en laten we broodkruimels achter op sociale media ten teken dat we nog leven.

De afgelopen week was het weer raak. We hadden twee kansen om iemand te zien: 1. we gingen een kerstboom kopen en 2. we gingen een plumeau kopen. Bij kans 1 waren we in de Aveve. Het was een doordeweekse ochtend, waardoor het stil was in de winkel, want de rest van de wereld had andere verplichtingen. Met de uitverkoren boom naderden we de kassa, waar het ineens heel druk bleek. Er stond een lange rij en Wannes en ik sloten geduldig met kar en boom achteraan. Het kassameisje riep er nerveus een collega bij die op haar dooie akkertje aan kwam wandelen. ‘Ge moogt ook bij mij aansluiten’, zei ze in het voorbijgaan.

Omdat we achteraan stonden, maakten Wannes en ik geen aanstalten om van rij te wisselen. Maar toen er bij de nieuwe kassa uiteindelijk slechts twee karren aansloten en ik nog vijf karren voor ons telde, leek wisselen de enige juiste optie. Kom, zei ik tegen Wannes, en ik wilde nét schuin oversteken toen het echtpaar voor ons hetzelfde besloot. Ik zag pas dat ze hun winkelkar schuin hadden gezet toen ik al zowat in de andere rij stond. Na een blik op hun verbouwereerde gezichten zei ik: o, gaat u maar! Maar het was te laat, de man was rood aangelopen en maaide met zijn arm in mijn richting alsof hij wilde zeggen: nu hoeft het niet meer, kust toch mijn kloten! Ik maakte nog eens een gebaar om ze voor te laten, maar de man stond hoofdschuddend en met samengeknepen lippen te doen alsof hij het niet meer zag, terwijl hij me door zijn ooghoek nog steeds in de gaten hield. Dat bleef hij doen, terwijl ik opgelaten een kerstboom probeerde af te rekenen. De rest van de dag zag ik die witte samengeperste lippen en het kust-mijn-kloten-armgebaar in herhaling voorbij komen.

De volgende dag, kans 2, gingen we naar de Action om daar een plumeau te zoeken die ik jaren geleden zwart op wit aan iemand had beloofd. Ik vond de plumeau en wilde nog iets anders van een hoge plank pakken. Ik ging op mijn tenen staan, strekte mijn arm, pakte het product en liet mijn hielen weer zakken; op iemands teen. Ik schrok, keek achter me en zag dat een ongeduldige vrouw mij basketbalgewijs had omringd om op exact dezelfde plek ook iets van de hoge plank te pakken. Ik had haar teen onmogelijk kunnen vermijden, maar toch was zij degene die oogrolde, haar lippen op elkaar perste en mij een kwaaie blik toewierp, om mijn excuses vervolgens zó ostentatief te negeren dat ik mijn woorden het liefste met dezelfde ademteug weer had ingeslikt. Thuis had ik moeite om haar demonstratieve rug uit mijn hoofd te zetten.

In de krant las ik over boze witte mannen, onderbuikgevoelens en luisteren naar de mensen die vinden dat ze iets tekort komen. Ik opende de voorraadkast en zei opgelucht: ‘Liefje, we hoeven voorlopig niet meer naar buiten toch?’