Stukjes in het wild

Mijn stukjes in het wild verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Heden ten dage schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

A 30 Day Song Challenge

Op Twitter gaat er al een een tijdje een lijstje rond aan de hand waarvan mensen dertig dagen lang elke dag een nummer plaatsen op basis van een categorie.
Geduld, dat zijn de anderen, dus ik ga niet eens proberen die liedjes dertig dagen op te sparen, ik zet ze er in één keer op. Ik heb bij de video’s vooral gelet op twee dingen: 1. Is het wel de uitvoering die ik zo mooi vind? en 2. Is de geluidskwaliteit aanvaardbaar? Daarom zitten er filmpjes tussen met belachelijk beeld: gewoon niet op letten. Luisteren!

1. A song you like with a color in the title

Muse – Supermassive Black Hole

https://www.youtube.com/watch?v=LOb7ZlshY4Q

 

Ik maakte in 2010 een jaaroverzicht met dit liedje erachter gemonteerd (zie filmpje). Ik dreig vaak over Muse heen te groeien, maar de bombast is zo perfect dat het ondoenlijk is het lelijk te gaan vinden.

Spotify-linkje.
(meer…)

Uitgezucht en weggezucht

Normaal is het al lang niet meer, solidair zijn. In de jaren negentig, toen het gif van de neoliberalisering al werd geïnjecteerd maar de mensen zelf nog gewoon deden alsof barmhartigheid en medemenselijkheid vanzelfsprekend was, viel je nog niet in negatieve zin op als je uitgesproken solidair was met minderheden. Nu is dat anders, solidariteit wordt zonder al te veel scrupules in de kaartenbak onder ‘aanstellerij’ geschaard.

Solidariteit hoeft natuurlijk niet leuk te zijn, daarvoor is het te principieel, maar toen ik in de jaren negentig als journalist mijn eerste stukken schreef over structurele uitsluiting veroorzaakte dat zelden de kramp die ik nu aantref wanneer mijn stukken inleving in andere mensen vergen. Niet dat mijn lezers destijds erg enthousiast reageerden als ik met onderzoek blootlegde hoeveel uitsluiting er vooral op beleidsniveau gaande was, maar ik werd op een enkele kwaaie brief na zelden ‘uitgezucht’ op basis van mijn weinig opbeurende boodschap.

Tegenwoordig word ik voortdurend uitgezucht en weggezucht. Ik schreef er precies een jaar geleden een column over, dus dat aspect ga ik niet nog eens herhalen, maar neem van mij aan: de mensen zijn te moe voor openlijke solidariteit. Ze willen nog net op een fatsoenlijke partij stemmen en wat geld overmaken naar wat goede doelen, maar verder willen ze niet al te veel lastiggevallen worden met problemen die openlijke solidariteit en een zekere ongemakkelijkheid vereisen.

Ik doe het niet voor de lol, die problemen steeds opnieuw aansnijden, ik doe het omdat ik bang ben voor gezapigheid. Ik vrees dat we al Netflixend vergeten dat meegaan in de status quo een keuze is vóór het systeem zoals het nu is. Ik ben bang dat solidariteit langzaam gaat betekenen ‘het ten onrechte opnemen voor mensen die kennelijk niet voor zichzelf kunnen zorgen’.

Afgelopen maandag wond ik me enorm op over de berichtgeving over de vermiste meisjes die in Portugal bleken te zijn. Overal werd de afkomst van de man die zich in hun nabijheid bevond zonder enige aanleiding genoemd. Omdat het een goed journalistiek gebruik is te zorgen voor evenwichtige beeldvorming, besloot ik een soort zwartboek aan te leggen van voorbeelden van onvoorzichtige etikettering. Uiteraard omdat het mijn vak is, ik ben al 22 jaar bezig met journalistiek, diversiteit en beeldvorming, maar ook omdat ik het opvallend vind dat zo weinig mensen zich erover opwinden. ‘De 35-jarige Marokkaanse verdachte’ begint zo’n veelvoorkomende frase te worden dat het ons niet eens meer opvalt dat het er staat.

We weten hoe beeldvorming de wereld verandert, dit jaar meer dan ooit. En toch steunen weinigen mijn strijd voor evenwichtige beeldvorming. Mijn vrienden en kennissen laten zich met tientallen tegelijk horen als ik een foto plaats van mezelf in een opblaasbadje, maar als ik een beeldvormingsdiscussie opwerp blijft het verontrustend stil. Dan mag ik blij zijn als ik op Facebook en Twitter samen tot vijftien schouderklopjes kom.

Maar ik blijf het doen in de hoop dat solidariteit ooit weer een goed idee wordt, en in de hoop dat er in elk geval een paar mensen langer over nadenken dan ze anders hadden gedaan.

Voor mijn nieuwe site Stigmatiseren kun je leren, over stigmatisering in nieuwsverslaggeving: klik hier.

Na 96 uur debatteren

Eén ding had ik me voorgenomen toen ik het Zwarte Pieten-stuk schreef: het gaat niet om mijn gelijk, het gaat überhaupt niet om mij, het gaat om het bewustzijn dat er uitsluitingsmechanismen zitten in ‘kleinigheden’ als Zwarte Piet en dat een beetje omzichtigheid in collectieve uitingen dús op zijn plaats is.

Dat uitgangspunt – het gaat niet om mijn gelijk – had tot gevolg dat ik álle gesprekken aan moest gaan, het ging mij er immers niet om dat de verschillende groepen op een eilandje hun middelvinger naar elkaar zouden opsteken, maar dat er in de samenleving een vleugje bewustzijn doordringt van de problemen die stereotiepe beeldvorming oplevert. Dat doe je niet door te zeggen: ja doei, rot maar op met je andere mening, maar door zo open mogelijk het gesprek met elkaar aan te gaan. Er waren vier problemen bij dat open gesprek:

De Nederlanders

Er zijn veel Nederlanders onder mijn volgers die over het algemeen een veel beter, breder, langer en doorwrochter debat achter de rug hebben. Voor hen was mijn stuk een herhaling van zetten en ik denk zelfs dat ze de indruk kregen dat ik ter eigener eer en glorie nog eens een paar zetten terugging. Simpelweg omdat Nederlanders niet beseffen dat in Vlaanderen het debat over beeldvorming nog nauwelijks is begonnen.

De Vlamingen

Vlamingen zijn doorgaans geen debaters, in tegenstelling tot de Amsterdamse en Utrechtse kringen waarin ik de eerste dertig jaar van mijn leven doorbracht. Dat heeft tot gevolg dat er misschien wel veel mensen zijn die mijn mening delen, maar die laten zich vaak niet horen omdat ze niet betrokken willen raken bij de discussie. En als ze zich wel mengen, doen ze dat sneller achter de schermen, in de mail of in een privébericht. In Vlaanderen heb ik veel sneller het idee dat ik er alleen voor sta.

De retoriek

Een open gesprek met mensen die retorische valstrikken opzetten, is lastig. Proberen je punt te maken temidden van de ad hominems, glijdende schalen en manke vergelijkingen is frustrerend, voor je het weet ga je zelf mee in de schofferingen. Beleefd blijven tegen mensen die geen enkele moeite doen om beleefd tegen jou te blijven is een ware evenwichtsoefening. Twee keer heb ik de afgelopen dagen sarcasme met sarcasme beantwoord en twee keer had ik direct daarna al spijt.

De hoeveelheid

De reacties kwamen op talloze platforms binnen: twitter, twitter-dm, facebook, facebook-pm, mail, real life, de facebookpagina van De Standaard, de website van De Standaard en mijn eigen website. Omdat ik besloten had elk gesprek even serieus te nemen, moest ik een selectie maken. Ik kon immers niet honderden serieuze gesprekken tegelijk voeren. Daarom heb ik twee discussieplekken achterwege gelaten: de facebookpagina van De Standaard en de website van De Standaard. Op álle andere plekken heb ik waar mogelijk gereageerd met uitgebreide en genuanceerde antwoorden.

Inmiddels begint de stroom reacties op te drogen. Toen ik vanochtend wakker werd – dag 5 – lagen er nog maar vier berichten te wachten.

Mijn indruk na vier dagen heel intensief discussiëren is als volgt: onder mijn volgers en de lezers van De Standaard is het aantal mensen dat er ongeveer zo over denkt als ik iets hoger dan het Vlaamse en Nederlandse gemiddelde, gok ik. Maar de medestanders hielden zich veel stiller, waardoor mijn artikel zeker 90 procent negatieve of licht-negatieve reacties opleverde. Een overzichtje:

De starren

Je hebt de starre debaters die heel erg bezig zijn met traditie en ‘onze’ cultuur, of met ‘dan moeten die minderheden maar niet zo overgevoelig doen’ of met uitschelden, victimblamen, kleineren, discrimineren (‘ga terug naar je eigen land!’) en omdraaien (‘wij worden gediscrimineerd!’). Dat waren niet erg vruchtbare gesprekken, maar zelfs die correspondenties draaiden uiteindelijk wel uit op een rustig uitwisselen van argumenten.

De olie-op-het-vuur-verwijters

Je hebt de mensen die het in grote lijnen met me eens zijn, maar die door de hyperbolen in mijn stuk getriggerd raken en vinden dat ik door mijn ongenuanceerde houding olie op het vuur gooi. Die gesprekken liepen vaak met een sisser af omdat ik na mijn 850 woorden in De Standaard de ruimte nam om in heel veel extra woorden mijn hyperbolen toe te lichten.

De pick-your-battle-aanhangers

Die olie-op-het-vuur-verwijters overlappen deels met de pragmatische pick-your-battle-aanhangers: zij die vinden dat er belangrijkere problemen omtrent racisme zijn en er daarom geen bezwaar in zien kleinere problemen te bagatelliseren. Het mag duidelijk zijn dat ik dat wel problematisch vind.

De backlashers

Onder hen bevinden zich de mensen die van mening zijn dat types als ik de oorzaak zijn van de aantrekkingskracht van Trump, Dewinter en Wilders. Zij vinden dat we geen detailkritiek moeten leveren, omdat de populistenliefhebbers zich dan ‘om niks’ genoodzaakt zien hun vuilbekkende politici in het zadel te helpen. In die kringen vind je ook de mensen felle anti-racisten beschuldigen van het aanwakkeren van racisme. Al deze mensen wijzen naar een paradox die ik niet zal ontkennen, maar waarvan ik niet denk dat de oplossing ligt in de problemen van steeds dezelfde mensen bagatelliseren.

De ontkenners van identity-politics

Tot slot heb je de felle ontkenners van ‘identity politics’ die vinden dat mijn hele insteek een vergiftigd debat oplevert en die gruwelen van het discours van white privilege en white fragility dat ik in mijn artikel aansneed. Het moeilijke aan deze gesprekken was dat we uiteindelijk vaak wel hetzelfde doel nastreven (structurele uitsluiting een halt toeroepen) maar zij verafschuwen mijn analyse en ik snap niet waarom zij dit soort geprivilegieerdheid geen plaats geven in een ongelijkheidsdebat.

Of ik mensen heb weten te overtuigen van het belang van aandacht voor stereotiepe beeldvorming kan ik niet goed nagaan. Ik weet wel dat het debat in Nederland elk jaar een heel kleine verschuiving oplevert, richting meer bewustzijn en meer begrip voor de negatieve gevolgen van stereotypering (vergelijk 2013 met 2014 en 2015). Natuurlijk hoop ik dat de dialoog waar ik zojuist vier dagen aan besteed heb ook in Vlaanderen iets dergelijks teweegbrengt.

Twee dingen heeft mijn stuk zeker opgeleverd:

Steun

Steun aan mensen die niet of weinig gehoord worden. Elke keer dat ik stigmatisering en stereotypering aansnijd in mijn opiniestukken krijg ik brieven van mensen die blij zijn dat ik aan hun kant sta, of die opgelucht zijn dat ik hun gedachten heb verwoord zoals ze het zelf niet durven of kunnen. Opvallend vaak staat er iets als: ik probeer vaak aan vrienden uit te leggen waarom ik me gediscrimineerd voel, nu kan ik ze jouw stuk laten lezen. Dat lijkt me pure winst.

Dialoog

Een ding hoorde ik de afgelopen dagen erg vaak: ‘Ik heb zelden zo’n genuanceerde discussie gezien over dit onderwerp.’ En hoewel ik me goed kan voorstellen dat het geduld van de gediscrimineerden al tijden op is, denk ik dat het toch altijd daar om draait: dialoog, nuances, begrip, tijd. En hoeveel ik ook over me heen heb gekregen de afgelopen dagen, als er een opgelucht ‘wat is het gesprek hier open!’ klinkt, ben ik toch blij met hoe het is gegaan.

Duisterder

We kregen bericht van een van de verzekeringen die mogelijk de schade van de beroving zou dekken en jawel, ‘coulancehalve’ zullen ze de helft van de geleden schade vergoeden. Ik kan hier heel lang uitweiden over hoe onlogisch het is om je maar voor de helft aansprakelijk te voelen, of hoe jammer het is dat we dus toch nog veel schade uit eigen zak moeten betalen, maar ik kan ook vertellen hoe groot de opluchting is – klaar nu, dóór –  en hoe leuk het is aan Wannes’ gezicht te zien dat hij het als een cadeautje beschouwt. Want door de hardvochtige houding van veel verzekeraars krijg je vaak het gevoel dat je een ongelooflijke mazzelaar bent die vooral niet moet vergeten zijn handjes dicht te knijpen.

Het bericht over de coulance van de verzekering kwam op de dag dat Trump werd verkozen. We gingen naar de winkel om troosteten in te slaan en ik maakte een pan erwtensoep die in niets deed vermoeden dat Wannes en ik maar met zijn tweeën zijn. Op de helft van mijn eerste kom soep hoorde ik heel hard ‘knerps’. Ergens achterin mijn mond was een stuk van mijn kunstgebit afgebroken. De dag kon dus tóch nog duisterder.

Ik belde naar de verzekering en na veel vijven en zessen was de conclusie: ook dit keer zou ik maar de helft terugkrijgen, omdat ik sinds ik een kunstgebit heb niet elk jaar voor controle naar de tandarts ben gegaan én omdat ik nog maar 42 ben. Dus omdat ik veel te jong niet op het idee ben gekomen de tandarts volkomen onzinnig lastig te vallen met een brandschoon en perfect compleet gebit, heb ik nu geen recht op de normale terugbetaling. Kortom het geld van de ene verzekering kan gelijk naar het gat dat de andere verzekering slaat. De dag kon dus tóch nog duisterder.

 

Bye bye dreadlocks

Ze zijn eraf. Na vijftien jaar trouwe dienst heb ik er gisteren de schaar in gezet. In 2007 heb ik ze er ook al eens afgehaald, maar toen ben ik vrij snel nieuwe gaan maken. Deze keer vermoed ik dat dat niet gaat gebeuren. Wel zal ik net als toen weemoedig zijn, een rouwproces doormaken. Want het is slikken, het afscheid van mijn silhouet, mijn special feature, mijn avatar. Na meer dan een derde van mijn leven ben ik ineens onherkenbaar. Maar ik ben ook eindelijk verlost van de hoofdpijn, van een pond haar dat 24/7 aan mijn hoofdhuid trok of op mijn fontanel balanceerde, en van het groot onderhoud dat een dikke bos dreadlocks nu eenmaal vergt.

eerste_knip_dreadlocks_1

Knip!

De opluchting is gigantisch. Ik kon eindelijk ontspannen toen na al die jaren het douchewater rechtstreeks mijn hoofdhuid masseerde. Mijn adem stokte de eerste keer dat Wannes me gisteren over mijn bol aaide en ik daadwerkelijk iets vóélde. Het sliep opmerkelijk vrij, zo zonder het gewicht van een flinke mango boven me op het kussen. Het is bevrijdend om een muts op te zetten en niet het idee te hebben dat het een twééde muts is. Het blijkt verrassend aangenaam om een lus van een schort over mijn hoofd te leggen en nergens mee in de knoop te komen. En halleluja, er is gewoon niet langer een extern gewicht dat slingert, dempt en trekt, dat aandacht vraagt en afstand schept.

zonder_dreadlocks

Nu gaan sommigen van jullie natuurlijk zeggen: neeeeeeeee! Dat deden jullie de vorige keer ook, en toen ik afscheid nam van de naam Zezunja vonden veel mensen dat eveneens een slecht plan. Mijn lezers zijn aartsconservatief. Maar bedenk: jullie hoeven alleen maar naar plaatjes van mij te kijken, ik kijk zelden naar plaatjes van mij, dus ik kan slechts voelen. En, boy, het voelde in het geheel niet goed meer.

Kortom: laten we het vieren! Ik ben bevrijd!

Meer lezen over mijn dreadlockperikelen?

10 jaar dreadlocks. Of: hoe ik mijn haar werd 2011
Dreadlock Holiday of: Spoorboekje van een impulsieve daad 2007
Postuum Lustrum 2006
De schaar erin 2006

Akoestiek

We betreden het erf van de hoeve. Als Wannes de deur van de stal opendoet, valt de akoestiek als een glasbak over me heen. Later vertelt hij dat het bij hem werkt als bij een computerventilator: het komt op, eerst zachtjes en traag, maar dan steeds sneller en luider, tot het niet te negeren oorverdovend is. Bij mij werkt dat anders: het slaat me in mijn gezicht, al die stemmen, kopjes, borden, glazen en lachsalvo’s, het noopt me tot inademen, waarna ik niet meer in staat ben die adem kwijt te raken.

Ik neem plaats op een plastic stoel en stel me voor hoe mijn billen een deel van het geluid nu smoren, en hoe ik als ik hele grote billen zou hebben al het geluid kon smoren. Het lucht me een ogenblik op, maar het lawaai breekt er onmiddellijk weer doorheen. Geen gedachte is ongenaakbaar, geen seconde vrij van ruis. We zijn er met anderen, dus direct weer vertrekken zou raar zijn, niettemin staan mijn reflexen in de richting van de deur. Met moeite denk ik een stolpje om mij heen. Op de randjes van de plastic stoel, langs mijn armen, rond mijn schouders, met dubbel glas bij mijn oren. Het lukt me om het geluid terug te brengen tot het gewobbel dat je hoort als je in bad je hoofd net onder de waterspiegel laat zakken, maar het vergt veel inspanning en na een paar seconden is het werkelijke geraas weer terug. Mijn adem heeft zich vastgezet tussen mijn hoge schouders en mijn middenrif, en ik raak bevangen door een machteloos gevoel dat ik alleen ken van bij de tandarts. Die uren dat je de marteling weerloos ondergaat. Maar bij de tandarts is de pijn lokaal. De strijd is stuurbaar, want er is een front, in je mond, alle hens aan dek op dat ene punt. Bij stemmen in ongestoffeerde ruimtes is de tegenstander overal. Zelfs als je je handen tegen je oren zet, infiltreren de vijandelijke troepen met gemak het midden van je hoofd. Mijn voeten, benen, buik, nek, alles wordt in de uren die volgen gestut door de adem die ik inhoud. Als we na een paar uur vertrekken, voel ik me alsof ik drie dagen heb doorgebracht in een Center Parcs-zwembad. Buiten, in de gedempte wereld van nat gras, lukt het me niet mijn buikspieren te ontspannen.

Thuis rol ik me op in bed. Ik sluit mijn ogen, maar alle hoge tonen van de dag zeilen als tafelhockeyschijven door mijn hoofd. Het doet me denken aan de periode van lichtblindheid een paar jaar geleden, toen ik zelfs als ik mijn ogen sloot nog urenlang flitsen zag. Dat beangstigende gevoel dat er ook in een lege, stille, donkere kamer geen plek is waar je zintuigen je met rust zullen laten. Maar ik weet dat dit iets anders is, geen ziekte aan mijn oren, maar iets met maximale belasting en dat moment dat de spreekwoordelijke druppel de oppervlaktespanning een oplawaai geeft. Terwijl ik onder de geluiden in mijn hoofd door denk, neem ik me voor het afgelopen half jaar van te grote projecten, deadlines en onheil te zien voor wat het was: een periode waarna je naar je lichaam moet, uh, luisteren.

Achtervolging

Foto: Andrew Prickett

De avond viel over de parkeerplaats toen ik met het winkelkarretje naar de overkapte karretjesverzamelplek liep. Er kwam een auto aan die mij in mijn flank zou raken als ik niet zou inhouden of doorlopen, dus zette ik het op een hollen. Rammelderammel. Met gestrekte armen stormde ik de karretjesverzameltunnel in. Omdat ik te veel films heb gezien, stelde ik me in een flits voor dat de auto achter me aan zou komen, het tunneltje in, met plankgas tussen de hekjes onder het boogdakje om mij te verpletteren. Ik verkrampte en versnelde, rechtte mijn armen nog wat meer en sloeg net niet over de kop toen mijn karretje niet rinkelend ín het achterste karretje verdween, maar er – kedeng! – tegen knalde. Het bleek de karretjesverzamelplek van een andere winkel. Nonchalant fluitend draaide ik de zwenkwieltjes om en glimlachte naar Wannes die in de auto op me wachtte. Intussen vroeg ik me af of ik ooit uitgelegd zou krijgen hoe vreselijk spannend deze paar seconden waren geweest.