Stukjes in het wild

Mijn stukjes in het wild verschenen sinds 2003 op zezunja.nl. Heden ten dage schrijf ik in het wild op maartjeluif.com.

Leren stoppen

Doorgaan zou gemakkelijker geweest zijn. Zoals ik bij Lost deed. Er klopte al seizoenen niks meer van – the hatch, de ijsbeer, de Dharma Initiative, alles was zijn logische einde al lang voorbijgegleden – maar ik keek door tot en met seizoen 6. Dat was niet alleen omdat ik te lui was om de knoop door te hakken, het was ook omdat ik het niet voor mogelijk hield dat de makers hun product zo zouden verkwanselen. Ik kende de deceptie toen alleen nog maar van 24, maar ik had dat altijd verklaard door die 24 afleveringen per seizoen. Dat waren er gewoon te veel. Lost werd mijn tweede deceptie.

In de jaren die volgden, bewaakte ik mijn tijd. Voelde ik de deceptie komen, dan kwam de stop-optie in beeld. Nu wil het noodlot dat ik getrouwd ben met een omnivoor met een grenzeloze liefde voor film en beeldverhalen in álle vormen, ook de slechte. Stoppen is derhalve niet alleen grenzen stellen aan de absorptie van flauwekul door mijn brein, maar het is ook een streep door gedeeld tijdverdrijf. Wannes had nog best verder gewild toen het zuidelijke accent van Sookie voor mij niet langer opwoog tegen de esoterische onzin die we op ons bordje kregen in True Blood, hij kon nog meer superpowers verdragen toen ik besloot dat mijn suspension of disbelief op sterven na dood was en ik het volgende seizoen van Hero’s liet voor wat het was. Hij vond de karakters in de Tudors ook wat vlak, maar hij had nog niet overwogen te stoppen op het moment dat ik er genoeg van had, en na vijf seizoenen Homeland begreep hij mijn weerzin tegen die eeuwige herhaling heel goed, maar hij had nog best even verder gekund.

Mede daarom ben ik zo blij als ik een serie begin waarvan ik het gevoel heb dat we gedurende langere tijd dezelfde kijkbehoefte hebben. En mede daarom ben ik zo teleurgesteld als blijkt dat het verkwanselen van een product door de makers helemaal niet zo zeldzaam is als ik dacht. Begin dit jaar besloot ik dat ik seizoen 4 van House of Cards niet hoefde te zien. Die twaalf uur van mijn leven waren me liever dan de voorspelbare beelden die ik na die langelange twaalf uur aan de verzameling in mijn hoofd toe zou kunnen voegen. Hetzelfde gold voor Fargo en Les Revenants: mooie verhalen die één seizoen prima werkten, maar die hun tijdrovendheid niet langer goedmaakten.

Eergisteren besloot ik dat het genoeg was met Game of Thrones seizoen 6. Na drie afleveringen zei ik tegen Wannes: ik ben van géén van deze verhaallijnen nog benieuwd hoe het afloopt, ik weet inmiddels absoluut niet meer wie er dood is, hoe lang al en waarom ook alweer precies, en ik erger me zó aan de dialogen dat ik de vormgeving – het enige aan de serie dat voortdurend van topkwaliteit is – niet eens meer zie. Bovendien heeft Tyrion nog niet een goede grap gemaakt.

En zo kwam het dat Wannes zaterdagavond twee afleveringen zonder mij keek, waarmee mijn keuze onverbiddelijk werd. Doorgaan zou gemakkelijker geweest zijn, maar stoppen is iets dat ik moet leren. Er zullen alleen maar meer series komen die de vraag opwerpen: is dit acht, tien, twaalf of – godbetert – meer uur van mijn leven waard?

Volgend jaar ga ik voor het eerst in mijn leven echt gedisciplineerd zijn. Na een leuk eerste seizoen van Stranger Things zal ik het tweede niet eens beginnen. Ik heb ervan genoten, zeer zeker, al was het maar omdat de storyboards van jarentachtigfilms in dikke neuronen zijn uitgehouwen in mijn beeldtaalarchief waardoor ik van bijna elk shot kon zeggen in welke film het voorkomt. Maar dat is één keer leuk. Nog een seizoen iconische bmx-kaders herkennen of dikkejongetjesrollen duiden zou een herhaling van zetten zijn, en dan is zo’n Alieneske-verhaallijn gewoon niet genoeg om mij op de knieën te dwingen.

Het is een beetje als een reis naar Griekenland niet boeken en dan zeggen dat je 600 euro hebt verdiend, maar toch: ik heb in twee dagen achttien uur aan mijn leven toegevoegd en ik ben er erg mee in mijn nopjes.

Uren zonder sjoege

Het zwarte gat had ik natuurlijk aan zien komen. Het stond in mijn agenda met krullerige accolades: vanaf 31 augustus – zwart gat. Tot zaterdagmiddag had ik twee kwarktaarten, een appeltaart, een gewone cake, en walnotencake, een appelcake, een rijstsalade met feta, een aardappelsalade met augurk, een pastasalade met kruidenkaas, een couscoussalade met spekjes, drie soepen, makreelmousse, tzatziki, hummus, en tig dipsausjes gemaakt. Om twee uur zette ik het mes voor de laatste keer in iets voedzaams, om drie uur begon het feest en drie dagen later tuimelde ik in het zwarte gat. Ik had uitgekeken naar het zwarte gat. Voor het eerst deze zomer echt wezenloos zijn, geen idee wat ik buiten mijn werk om zou moeten doen. Uren zonder sjoege, dagen zonder doel.

Vandaag is het 1 september, dus alle Belgische kinderen gaan weer naar school. Dat betekent dat de drukte in het Provinciaal Domein achter mijn huis afneemt en de drukte op de weg voor mijn huis toe. Het betekent ook dat de meeuwen, ganzen en aalscholvers weer komen, en dat de kikkers aan hun laatste kwaak toe zijn. De tijd is weer aan mij. Het zwarte gat mag nog wel even duren, maar ik ken mezelf. Ergens in deze ledigheid tuig ik een plan op, waar ik mezelf mee overval en dan tilt mijn taakspanning mij weer over alle zwarte gaten heen. Ik zal er van een afstand verlangend naar kijken, naar die gaten, op zoek naar iets wezenloos, naar uren zonder sjoege en dagen zonder doel, maar ik zal er niet bij kunnen.

Het is het ongeduld, het perfectionisme, de bewijsdrang – aan wie? – en de eeuwige verveeldheid die het onmogelijk maken om eens rustig af te dalen en gedurende langere tijd de gezapigheid van het niets toe te laten. Het is misschien de reden dat ik mijn vork zo vol met hooi stouw: de belofte daarna een paar dagen zo verlamd te zijn dat er geen onrust ontstaat in die uren zonder sjoege. Omdat ik weet dat ik de wezenloosheid alleen dan toelaat: als ik echt niet meer kan.

Hoe het verhaal van mijn vakantie onbestaande werd

Toen ik aan de zomer begon was ik moe, nu de zomer langzaam uitdooft ben ik nog steeds moe. Of nee, moeier. Moeier dan ervoor, moeier dan zou moeten.

Sinds april werkte ik aan een taaladviesproject voor jongeren dat in oktober af moet zijn voor de Taalunie, ik schreef allerlei stukken op verzoek van De Standaard, ik ben een manuscript aan het afronden met een schrijfcoachleerling en ik begon aan drie nieuwe schrijfprocessen met nieuwe leerlingen. Daarnaast werd mijn moeder 70 en maakte ik voor haar een nogal tijdrovend cadeau, ik verplaatste alle meubels in mijn woonkamer, ruimde de kelder zo grondig op dat de kat er niet meer in durft, en als klap op de vuurpijl geef ik eind deze week een iets te groot feestje, omdat ik dit jaar tien jaar in België woon en – vandaag! – drie jaar getrouwd ben. Tel daarbij op de duizenden handelingen die we verrichtten om de gevolgen van de beroving te normaliseren en je kunt je misschien voorstellen hoe moe ik ben. En dan te bedenken dat het het eerste jaar in jaren was dat ik nog eens een zomervakantie had ingepland.

In normale tijden zou ik nu happend naar adem aan de de oppervlakte hangen, maar dankzij de beroving zijn dit geen normale tijden. Het voelt aanmatigend om er een diagnose op te plakken, maar ik geloof dat ik deze zomer PTS-klachten te pakken had. Ik schaam me kapot om het zo te noemen, want hee, wat hebben we nu eigenlijk meegemaakt? Maar stofwisselingstechnisch kan ik op geen andere manier verklaren hoe ik er in de maanden juni en juli aan toe was. In die acht uur dat we erover deden om vaste grond onder de voeten te krijgen, heeft de angsthormoonpomp zo open gestaan dat ik nu, elf weken later, nog steeds de restjes uit mijn bloedbaan aan het bezemen ben.

In juni sliep ik slecht, kon ik nog geen krantenartikel uitlezen en was ik in niets anders geïnteresseerd dan mijn taakspanning: laat mij maar iets doen, iets langdurigs, iets dat nooit stopt, zodat ik de knikkerbaan van gedachten niet af hoefde.

Mijn verhaal opschrijven hielp goed, hoewel het ook confronterend was om elke keer te zien hoe hyper ik de dagen ervoor schreef. Bij deel 20 was ik in een heel andere toestand dan bij deel 1, waardoor de eerste hoofdstukken zorgden voor hartkloppingen als ik ze teruglas.

Onze tweede poging tot vakantie strandde op een dag met 28 millimeter regen, maar dankzij mijn onvolprezen ouders was er poging 3. Zij hadden midden juli voor een week een prachtig huis gehuurd in Frankrijk waar we met zijn zevenen naartoe gingen. Nu vind ik met andere mensen op vakantie gaan nauwelijks ontspannen, hoe lief die anderen mij ook zijn, maar niettemin was die week wel precies wat Wannes en ik nodig hadden: lezen, mooi weer, lekker eten en weinig tot niets hoeven.

Het internet zorgde de afgelopen maanden voor ambivalentie: enerzijds hebben tientallen mensen ons een hart onder de riem gestoken, anderzijds waren dit de maanden waarin ik trollen en bullies beter leerde kennen dan me lief was. De trollen omdat ik in de Standaard schreef over feminisme, de N-VA en racisme en dan kruipen die als vanzelf uit hun holen, bullies omdat mijn relaas over de beroving op mijn weblog op Twitter door de filmmakers Martin Koolhoven en Willem Bosch publiekelijk werd afgedaan als gênant, pathetisch en decadent en hun grote volgersschare daar gretig op inhaakte.

In mijn hoofd kon ik het allemaal vrij gemakkelijk relativeren, zoals ik ook de beroving zelf rationeel al vrij snel tot redelijke proporties had teruggebracht, maar omdat mijn hart en hormoonhuishouding voor zichzelf waren begonnen, vormde het digitale boegeroep toch een obstakel in het herstel.

Ooit dacht ik dat ik stressbestendig was, omdat ik kok was geweest en zonder schelden tussen de 50 en 100 couverts uitgaf, maar nu ik 42 ben, weet ik dat stressstoornisjes mijn achilleshiel zijn. De oorzaak (en het gevolg) van die gevoeligheid voor stress is dat ik niet mild ben voor mezelf en dat is precies het haakje waaraan die bullies bleven hangen, want mezelf pathetisch noemen daar ben ik toevallig heel goed in.

Inmiddels heeft mijn gezond verstand het gewonnen van de pesters en vind ik het vooral verbazend dat mensen met enig aanzien zich geroepen voelen iemand van een willekeurig weblog te kakken te zetten. Dat heeft misschien iets te maken met de actie die – lieve lieve – Aafke Romeijn voor ons opzette. Die haalde een bedrag met drie nullen op met een crowdfundingsactie omdat ze zelf ooit veel vertrouwen had teruggekregen toen mensen voor haar geld ophaalden na een beroving. Dat soort acties kun je natuurlijk vrij gemakkelijk afdoen met ‘er zijn ergere dingen in de wereld, dus waar zeiken die mensen over?’

Die actie boezemde mij en Wannes dan ook angst in. We hadden het moeilijk met hoe we op de beroving reageerden, waren allebei te rationeel om het normaal te vinden dat we niet sliepen, waren allebei teleurgesteld dat we zoiets niet gewoon even incasseerden, waren allebei te gevoelig om het aan te kunnen als niemand iets zou willen storten, dan zou het een populariteitspoll zijn, een peiling naar onze gunfactor, maar we waren ook allebei bang dat we ons heel ongemakkelijk zouden voelen als het een groot succes werd. Dus hielden we ons afzijdig, wat trouwens ook heel onbeleefd leek. Achteraf gezien heeft Aafke gelijk gehad, het succes van haar actie werkte zalvend. Het verzachtte het gezeik van de stoerdoeners, hoewel het de vraag is of de pesters niet juist getriggerd werden door die actie.

We hebben al eens uitgebreid bedankt, maar toch wil ik het hier nogmaals doen. Niet alleen het geld, maar ook de enthousiaste reacties van de lezers van mijn relaas hebben veel gewicht in de schaal gelegd toen we ons evenwicht zochten. Ik schreef het al eerder: als schrijfcoach raad ik niemand aan om onder invloed van een adrenalinecocktail een verhaal te schrijven, het doet je stijl geen goed, maar jullie hadden daar hoegenaamd geen problemen mee, en dat was heel plezierig.

De beroving is inmiddels nog steeds niet afgewikkeld. Na drie aangiftes in drie verschillende landen en allerlei geregel met banken, providers en consulaten, hebben we deze week de nieuwe bril van Wannes opgehaald. Nu rest ons alleen nog het verzekeringsgedoe. We dachten dat we geen reisverzekering hadden – omdat we zo weinig op reis gaan waren we dat stomweg vergeten – maar we bleken dankzij onze familiale verzekering verzekerd te zijn voor diefstal op reis. Edoch, er zijn geen sporen van geweld of inbraak en dan krijg je niks. De verzekeringsmevrouw erkende dat de polis op dat punt oneerlijk is: de meeste reisdiefstallen gaan niet gepaard met geweld, dus de meeste mensen hebben niks aan die verzekering. Maar ja, zij kon er ook niet meer van maken. Het lijkt erop dat ik via mijn vaders reisverzekering ook verzekerd was, maar het zal nog even duren voor we weten of die verzekering zich niet ook Houdini-gewijs aan zijn verantwoordelijkheid onttrekt.

Dankzij de actie van Aafke kan het feestje van zaterdag doorgaan en hebben we de afgelopen maanden in elk geval de bureaucratische mallemolen kunnen betalen zonder onszelf op water en brood te hoeven zetten en dat maakt deze zomer een stuk dragelijker dan wanneer we er geestelijk bovenop hadden moeten komen in de schaduw van een gigantisch financieel probleem.

Tot slot: ik zal proberen weer wat meer te schrijven. Mijn stofwisseling kan de bullies en trollen weer aan, en ik vond het heel feestelijk die duizenden mensen op mijn blog de afgelopen maanden. Ik ben nog steeds niet 100 procent de oude, met de concentratie van een Jack Russell en acute hartritmestoornis als er maar een kopje omvalt, maar ik heb geen tijd en geld om langer rust te nemen. Het mag duidelijk zijn dat deel 21 van Hoe onze vakantie onbestaande werd niet meer zal komen. Ik weet niet of er nog vragen zijn en of ik nog losse eindjes heb laten liggen, maar mocht dat zo zijn: het reactieveld is geduldig.

En om de Zangeres Zonder Naam te citeren: Bedankt lieve mensen!

Lees hier deel 1, 2345678910111213141516171819 en 20 van Hoe onze vakantie onbestaande werd.

Hoe onze vakantie onbestaande werd (20)

Lees eerst deel 1, 23456789101112131415161718 en 19.

Wat heb je een omslachtige titel voor je serie gekozen, zei mijn vader laatst. En hij had natuurlijk gelijk, het is een omslachtige titel. Maar als ik erover nadenk kom ik toch steeds op dat punt terecht: ineens was de vakantie – poef – weg.

Ik vergelijk het graag met iets dat me ooit overkwam: ik woonde alleen en ik had hoge koorts. Na een paar uur slapen, stond ik op. Ik liep van mijn bed naar de keuken, eindeloos traag, om mijn bonkende hoofd, lage hartslag en trillende lijf terwille te zijn. Ik wilde een kopje thee zetten. Heel langzaam pakte ik het handvat van het keukenkastje boven me dat vervolgens met oorverdovend geraas bovenop mij stortte. Alle borden, alle kopjes, alle schaaltjes, alle glazen donderden over mij heen. Het is dat soort beduusdheid dat ons overviel toen we zingend door de Spaanse zon reden en die onbezorgde stemming in een oogwenk – poef – niet meer bestond.

Maar er is meer met die titel. Als zelfstandige – en zeker als schrijver – loopt je vrije tijd nogal snel over in werk. Wannes en ik werken de helft van het jaar in het weekend door, op feestdagen zijn we vrijwel altijd aan de slag, en meer dan twee of drie keer per jaar een week vrij kunnen we ons meestal niet veroorloven, al was het maar omdat onze opdrachtgevers niet hetzelfde ritme hebben, waardoor onze vrije tijd zelden gelijk loopt.

Als je onze motieven uitkleedt, is een van de belangrijkste redenen dat Wannes en ik geld verdienen: het moment dat we weer los mogen laten. Vermoedelijk kun je daar op retorisch niveau allemaal drogredenen uithalen, maar ik kom daar toch telkens op uit. Ik werk om zo snel mogelijk weer op vakantie te kunnen gaan.

Maar als wij drie weken op vakantie willen, inclusief voorbereiding en uitsuizen, moeten we dus heel wat kunst en vliegwerk aan de dag leggen. Dat deden we van december tot mei: alle zeilen bijzetten, plannen tot we groen zagen en werken tot we erbij neervielen. Met als gevolg dat we nogal uitgewoond op vakantie vertrokken, maar wel in de wetenschap: we hebben een goddelijke periode van drie weken om de stress en de vermoeidheid kwijt te raken. Drie weken leren loslaten onder het toeziend oog van hagedissen, roofvogels en de personages van de boeken die we zouden lezen: ik voorzag een geheid succes.

Die drie weken werden zes dagen. Toen kwam het spreekwoordelijke keukenkastje vol servies over ons heen vallen. Daarna volgden drie dagen terugreizen, en nog drie dagen van geregel en gedoe, en toen zei ik tegen Wannes: zullen we die laatste week toch gewoon nog op vakantie gaan?

Ik heb Wannes zelden zo zenuwachtig gezien als op dat moment. En mijn brein maakte ook kortsluiting, want ik had al een paar dagen met de gedachte gespeeld, maar nu ik het uitsprak leek het net alsof ik het ook echt wilde. En dat was de vraag: wilde ik het wel? Durfde ik het wel? Zou ik me kunnen ontspannen in een wereld vol gevaar? Of zou ik alleen maar spelen dat ik op vakantie was?

Twee dagen hebben we getwijfeld. Niet alleen omdat we twijfelden aan onze durf en onze vakantiegevoelbereidheid, maar ook omdat we nog zoveel moesten regelen, omdat we nog steeds een uitvallende telefoon hadden, omdat Wannes geen rijbewijs had en eigenlijk niet mocht rijden, omdat we geen identiteitsbewijs hadden en dus niet wisten waar we precies mochten gaan en staan, en bovenal: omdat het overal in de wijde omgeving ongelooflijk zeikweer was. Regen, regen, en nog eens regen.

Maar donderdagavond hakten we de knoop door: we zouden zaterdag neerstrijken op een betaalbare camping in de buurt van Han sur Lesse, want daar was de weersvoorspelling vanaf zaterdag goed te doen. We zouden ons een dag of zes laven aan de natuur, de zon en terrasjes en op die manier zou de week niet voorbijgaan in de waas van thuis, maar in het avontuur van een nieuwe reis.

We regelden een poezenoppas, zetten de campingspullen die nog allemaal ingepakt waren weer in de auto, maakten een mapje met alle documenten die moesten verklaren waarom we zo weinig documenten hadden, wachtten tot het zaterdagochtend was en vertrokken vol goede moed naar Ave-et-Auffe.

Daar gebeurde wat de bedoeling was: in plaats van dagen die een sprintje trokken naar het einde van mijn out-of-office-reply ervaarden we elk uur een nieuw avontuur. De tent zo snel mogelijk opzetten voor de regen, terrasjes zoeken uit de regen, telefoonbereik zoeken waarmee we zicht kregen op het einde van de regen, en verwerken dat het weerbericht ineens nog veel meer regen voor ons in petto had. Omdat het zondag droog zou blijven en ik toch wel vrij hardnekkig mijn vakantie wilde terugkapen, interpreteerde ik elke teleurstellende voorspelling met een optimisme die me eigenlijk niet past.

Zondag lazen we urenlang in een aarzelend zonnetje (zie foto), we kookten een maaltijd met zicht op de stieren in de wei naast ons en we dronken een glaasje cognac in de kou van de schemering. We wisten inmiddels dat het maandag zou stortregenen, en hoewel de hoeveelheid regen van een maand op één dag was voorspeld, reikte ons optimisme tot in de sterren. Onze tent stond goed en was waterdicht. We zouden ons boek meenemen, ons nestelen in een café en ons door de dag heen lezen. ’s Avonds zouden we uit eten gaan, zodat we niet in de regen hoefden te koken, en vervolgens zou de herinnering aan de zondvloed dinsdag, woensdag en donderdag in de zon vervagen.

Maar toen ik maandagochtend heel vroeg wakker werd, een beetje telefoonbereik had en het weerbericht bekeek, stelde ik vast dat we niet alleen die dag een zwembad op onze kop zouden krijgen, maar dat ook de dagen erna ineens veel regen voorspeld werd. Ik zette koffie en ging met drie truien, een sjaal, beenwarmers en twee broeken voor de tent zitten. Daar staarde ik wat naar de stieren in de wei, de kwetterende vogeltjes, de wolken die steeds dreigender werden. Had ik zin in vier koude, natte dagen? Waren de Ardense cafeetjes leuk genoeg om een week lang te schuilen voor de regen? Was onze perfecte tent perfect genoeg voor 96 uur hondenweer? Waar deed ik dit ook alweer voor?

Om een uur of negen zouden er emmers water uit de lucht vallen, dus als we wilden vertrekken moest de tent voor die tijd ingepakt zijn. Ik maakte Wannes wakker, gaf hem een kop koffie en liet hem het weerbericht zien. Hoewel Wannes niet van het heldere soort is als hij opstaat, drong het ook tot hem door dat de verhouding zoek was: een dag zondvloed om daarna nog drie dagen gewone regen te doorstaan. Om kwart over acht besloten we dat we zouden vertrekken. Jammer dan, tweede poging tot vakantie ook niet gelukt, volgende keer beter.

Hoewel het pas de derde keer was dat we de tent afbraken en het logge gevaarte een stuk minder snel opgeruimd is dan de vlotte trekkerstentjes die we tot nu toe altijd hadden, lukte het ons toch om alle rommel in drie kwartier in de auto te proppen. Volkomen bezweet rekenden we af. Toen we de camping afreden begon het regenen.

Maandagmiddag, een week nadat we thuiskwamen uit Spanje, kwamen we thuis uit de Ardennen. We hadden nog zes dagen vrij, maar geen idee hoe we die konden benutten, want thuis lag de rompslomp te wachten, thuis leken de dagen een rechte lijn te trekken naar het einde van mijn out-of-office-reply, en thuis was toch altijd weer gewoon thuis.

Wordt vervolgd.

Hoe onze vakantie onbestaande werd (19)

Lees eerst deel 1, 234567891011121314151617 en 18.

Het verschil tussen wat er moest gebeuren en waar ik energie voor had was zelden zo groot als de eerste ochtend thuis. Voor ons doemde een kluwen op van bellen, mailen, langsgaan, navragen, opzoeken, aangeven, declareren, deblokkeren, regelen, zeuren en wachten, terwijl we leeg waren. Leger dan ooit.

Nadat ik ’s ochtends vroeg het een en ander van me af had geschreven, dronken we koffie en maakten we een plan de campagne. Het was nog niet eenvoudig om de volgorde van de dingen te bepalen. Zo voelde een simkaart als de hoogste prioriteit, want hoe wil je dingen met verzekeringen en ambassades regelen zonder te bellen of gebeld te kunnen worden? Maar hoe kom je aan een simkaart als je geen identiteitsbewijs hebt? En hoe kwam ik aan een identiteitsbewijs nu er geen consulaat meer is in Brussel en ik zonder identiteitsbewijs theoretisch niet zou mogen reizen? En hoe kwamen we beiden aan nieuwe documenten als we alleen een aangifte in het Catalaans hadden? We hebben niet al te beste ervaringen met de Leuvense bureaucratie (zie ook het verhaal van ons samenwooncontract 1, 2, 3, 45 en andere ervaringen met de dienst buitenlanders o.a. 1) dus een Catalaanse aangifte leek ons een slecht begin. En al die documenten, nieuwe bankkaarten, nieuw paspoort, nieuw rijbewijs, nieuwe bril, zouden we alles kunnen betalen? We hadden nog veel geleend geld over, maar we konden niet goed overzien hoeveel het allemaal zou kosten. Waren die bankkaarten dan niet prioriteit? Omdat ook het apparaatje voor internetbankieren was gejat, konden we niet kijken of onze rekening was geplunderd. Moesten we daar niet eerst achteraan? Was dat niet het belangrijkste? Maar ja, als het zo was, dan was het toch al te laat. En de vraag was: zou de bank ons toegang tot onze geblokkeerde rekening geven op basis van een kopietje van mijn Nederlandse paspoort? Vast niet. Dus dan moesten we toch eerst naar de gemeente, waar het vrijwel zeker zou vastlopen op die Catalaanse aangifte. Misschien konden we het beste eerst naar de Belgische politie gaan, inlichtingen vragen, en ons dan pas melden op het stadskantoor.

Bij het maken van het plan hadden we een groot probleem. Wannes’ computer was bij thuiskomt direct vastgelopen. Normaal zouden we daar ernstige buikpijn van krijgen, want die mega-iMacs zijn onbetaalbaar en zonder computer is Wannes in feite werkloos, maar nu ondergingen we het gelaten. Kennelijk is er een grens aan waar je je druk om kunt maken. Niettemin kostte het veel energie, raakte het probleem de eerste dagen niet opgelost, en hadden we dus zo goed als geen toegang tot de gegevens die in zijn archief lagen opgeslagen, Bovendien hadden we een computer minder om dingen mee uit te zoeken. Dat was onhandig en vermoeiend. Met mijn MacBook maakten we uiteindelijk een ellenlange planning. Om de chaos te beteugelen zal ik jullie de chronologie van de ritjes naar bureaus en kantoren, van de tientallen mails, telefoontjes en afspraken, en van de talloze vergaderingen die Wannes en ik belegden besparen. Maar omdat de dat-meen-je-niets niet van de lucht waren, zoals altijd als je bent overgeleverd aan de grillen van de administratie, neem ik jullie mee langs een paar hoogtepunten in ons bureaucratische traject.

De politie

In het eerste deel van deze serie schreef ik heel optimistisch: Godzijdank mochten we de Catalaanse aangifte in zijn geheel nog eens afleggen bij de Leuvense politie, want ik zag het alweer gebeuren: een bankkaart aanvragen met een Catalaans berovingsbewijs of dagen wachten op een vertaler of van die dingen. De volgende stap is nieuwe identiteitsbewijzen.
Mijn optimisme is inmiddels wel wat getemperd, want achteraf bleek dat de Leuvense agent die ons hielp werkelijk alles fout had gedaan wat hij fout kon doen. Hij had veel te weinig genoteerd, hij had vakjes niet aangevinkt waarvan wij uitdrukkelijk hadden gevraagd of ze niet aangevinkt moesten worden, waardoor men op het stadskantoor begon te morren dat de vakjes niet waren aangevinkt en er gedoe dreigde. De agent belde Wannes zelfs een dag later uit zijn bed (belde? ja, zie onder het kopje De telefoons) met de vraag: kunt u nog eens vertellen hoe de beroving precies in zijn werk ging? Wannes beet hem toe dat hij later moest terugbellen, maar uiteindelijk hebben we zelf maar weer gebeld, want het zou die agent natuurlijk verder worst wezen. Nog later bleek dat deze politieman dan wel had beweerd dat hij onze identiteitskaarten had ‘gesignaleerd’, iets wat de Catalaanse politie ook al zou hebben gedaan, maar volgens de Nederlandse én de Belgische ambtenaren die we verderop in het proces tegenkwamen, was dat in het geheel niet gebeurd.

Omdat de verzekeringskwestie nog niet is afgerond is het niet duidelijk of de agent uiteindelijk wel genoeg heeft genoteerd, hij wilde ons geen afschrift geven van het proces-verbaal, alleen een blaadje met een verwijzing naar het proces-verbaal. Dus we zullen zien of hier een Wordt vervolgd op zijn plaats is.

De politiekwestie beperkt zich overigens niet tot de Leuvense politie, want toen ik een nieuw Nederlands paspoort wilde regelen, bleken een Catalaanse en een Leuvense aangifte niet te volstaan. Ik moest een Nederlandse aangifte meebrengen, van een Nederlands politiebureau. Dus trokken we zonder identiteitskaart slash reisdocument naar Maastricht waar we de politie opnieuw vertelden wat er was gebeurd. Dat niemand dan vraagt hoe het kan dat je zonder identiteitskaart over straat gaat en de landsgrens oversteekt, is een mooi voorbeeld van de juridische fictie waarvan deze kwestie bol staat.

Maar om een lang verhaal kort te maken (haha, goeie!): de politie-agent gaf ons een document ter vervanging van het identiteitsbewijs en hij gaf Wannes een document waarmee hij een nieuw rijbewijs kon aanvragen. Die eerste dagen was dat voldoende.

De gemeente

Voor Leuvense begrippen ging het aanvragen van een nieuwe identiteitskaart voor Wannes en een nieuw bewijs van duurzaam verblijf voor mij nog redelijk soepel. maar zoals verwacht verliep het proces wel heel traag. Het zou twee weken duren voor we onze nieuwe identiteitskaarten mochten verwachten en toen ik later voor mijn Nederlandse paspoort een verklaring van woonst nodig had, duurde het opnieuw vijf dagen voor ik een printje met een handtekening van iemand kon komen ophalen.

Wel namen ze het aangiftedocument van Wannes’ rijbewijs in om een nieuwe te kunnen aanvragen. Dat betekent dat u eigenlijk niet mag rijden, zei de ambtenaar met een vette knipoog. België: waar de juridische fictie naadloos overgaat in doelgericht de wet overtreden. Maar hij had een punt met zijn knipoog: hoe moesten we die tourtjes langs instanties ooit zonder auto voor elkaar krijgen?

Conclusie: de Leuvense ambtenarij viel niet mee, maar ook niet tegen. En eigenlijk was dat al pure winst.

De telefoons

Het verhaal van de telefoons begint eigenlijk al voor de vakantie. Want ruim voor we vertrokken, had Wannes een nieuwe tweedehands iPhone besteld. Hij had er tot dan toe een uit 2011 waar inmiddels stoom uit kwam als je hem aanzette, dus hij had erg uitgekeken naar een telefoon die niet minuten deed over elke opdracht die je gaf. Omdat het pakketje niet op tijd was bezorgd, had Wannes de ochtend dat we op vakantie vertrokken nog een klacht ingediend. Verder konden we toen alleen maar hopen dat de iPhone gedurende onze afwezigheid bij de buurjongen zou worden bezorgd. Na de beroving, tijdens het tellen van die paar zegeningen die er nog over waren, concludeerden we dat we mazzel hadden dat de nieuwe telefoon niet op tijd was bezorgd, en dat daardoor die oude telefoon gestolen was. Als het goed was lag er bij de buren een telefoon op ons te wachten als we thuiskwamen.

Er lag inderdaad een kaartje, en de buurjongen bleek dinsdag thuis, dus wij hadden die eerste dag thuis alweer een nieuwe telefoon. Maar zonder simkaart heb je er weinig aan, en voor de juiste formulieren moesten we eerst naar de politie en de gemeente, om daarna bij de telefoonwinkel onze telefoonnummers te deblokkeren en een nieuwe simkaart te activeren. Tot zover ging alles goed. We kregen de juiste formulieren, konden onze nummers deblokkeren en betaalden een kleine vergoeding voor een nieuwe simkaart. Maar bij thuiskomst bleek de nieuwe tweedehands telefoon die tijdens onze afwezigheid was bezorgd een ramp. Het ding viel voortdurend uit, stoorde tijdens gesprekken en verbrak zonder aanleiding de verbinding. Het gevolg was dat Wannes met een telefoon die steeds uitviel met de leverancier moest onderhandelen over een telefoon die steeds uitviel, en dat hij voortdurend werd verbroken in gesprekken met de falende politieman en de talloze verzekeringsagenten. Voor mij gold hetzelfde: bij elk telefoontje over de ingewikkelde kwestie van mijn Nederlandse paspoort moest ik vier keer terugbellen: ja, ik had net uw collega aan de telefoon, zal ik het verhaal nog maar eens vertellen? Mede daarom gingen de regeldingen die eerste dagen trager dan goed is voor een mens.

Uiteindelijk wist Wannes zijn garantie in stelling te brengen, waardoor hij een nieuwe tweedehands telefoon opgestuurd zou krijgen, we de oude pas terug hoefden te sturen als de nieuwe was aangekomen, bovendien sleepte hij er dankzij wat slim ge-onderhandel ook nog een fikse korting op mijn nieuwe telefoon uit. Helaas duurde het een week voordat die nieuwe telefoons kwamen, en dat werd een week waarin we zo nu en dan van frustratie uit elkaar knapten. Vooral ook omdat bureaucratische beslommeringen nogal gebaat zijn bij de juiste persoon op de juiste plaats. Een ambtenaar die zegt dat de agenda vol is, maar zal proberen je er toch nog tussen te krijgen, een kantoorklerk die zegt dat hij iets eigenlijk niet mag doen, maar omdat het dan veel sneller gaat zal hij het toch maar even doen, een telefonist die je iets vertelt wat essentieel is voor het verdere verloop van het proces; van zulke mensen, zij die soms net een stap extra zetten, ben je afhankelijk in de mallemolen van regels, formulieren, wachttijden en protocollen. Maar steeds als Wannes en ik zo iemand aan de lijn hadden, iemand van wie we dachten: hèhè, die begrijpt het, dan werd de verbinding verbroken. Vaak zelfs voordat we een naam konden vragen. En intussen was de computer van Wannes ook nog stuk. Kortom: het was goed dat we zo beduusd waren, anders hadden we iemand iets aangedaan.

Na acht dagen arriveerden de twee nieuwe telefoons. De mijne bleek oké, maar die van Wannes had wederom een defect: de klok bleef stilstaan en ging zo nu en dan terug in de tijd. met als gevolg dat apps van slag raakten, en voicemailberichten en sms’en niet meer binnenkwamen. Na wat bellen bleek het gesprek met de vorige telefonist nergens genoteerd en wist niemand iets van een garantiekwestie, de fikse korting en de twee eerdere klachten. Na veel discussie en overleg kwam het goed, maar ik begon me inmiddels af te vragen wanneer we nog eens op een capabel persoon zouden stuiten. Bovendien heeft de firma in kwestie nog niet alle defecte telefoons vergoed, dus of hier een Wordt vervolgd op zijn plaats is, moet nog even blijken.

Overigens kreeg ik van meerdere kanten de vraag of Find My iPhone nog steeds werkt. Maar omdat die app alleen werkt als je eigen Apple ID gebruik maakt van de telefoon die je zoekt, en we de inhoud van de telefoon op afstand hebben laten wissen zodra de telefoon contact zou maken met internet waarmee ook mijn account van die telefoon verdwenen is, is het onmogelijk om de telefoon nog langer te traceren.

Zelfs door het na te vertellen word ik weer moedeloos van de bureaucratische fratsen die we te verstouwen kregen de afgelopen maand. Om een opgeruimd humeur te houden, zal ik de rest opschrijven met nog iets meer horten en stoten. Tot dan!

Wordt vervolgd.

Hoe onze vakantie onbestaande werd (18)

Lees eerst deel 1, 2345678910111213141516 en 17.

Prioriteiten, het klinkt zo lekker overzichtelijk, maar wat waren onze prioriteiten eigenlijk toen we die maandagavond doodmoe maar hyper-alert thuiskwamen in een land waar je buiten kantooruren vrijwel nooit iets gedaan krijgt, en zeker niet als de Rode Duivels een EK-wedstrijd tegen Italië spelen? Checken of onze bankrekeningen geplunderd waren, een nieuwe telefoon kopen of iets anders belangrijks regelen was allemaal geen optie. Maar wat dan? Zolang er nog iets te vluchten of te vechten viel, hadden we veel aan die voortdurende overdosis angsthormonen, maar zodra we een voet over de drempel van ons eigen huis zetten, diende de overlevingscocktail die al dagen door ons bloed stroomde geen nut meer, integendeel.

We wilden ons verhaal aan iemand vertellen, maar we hadden geen telefoons meer, we wilden slapen, maar waren te hyper, we wilden eten, maar hadden geen honger, we wilden niet thuis zijn, maar ook niet elders, we wilden iets doen, maar wisten niet wat. Het eerste kwartier liepen we als tijgers in een dierentuin rondjes door het huis, op zoek naar een activiteit die houvast kon bieden. Tevergeefs.

Uiteindelijk schreef ik met de MacBook een bericht op Facebook dat ik steeds opnieuw moest herzien omdat ik er keer op keer fouten in maakte, en ik schreef een bericht op Twitter waarin ik eveneens fouten maakte. Toen er reacties binnenkwamen, bleek ik zo onduidelijk geweest dat verschillende mensen dachten dat we nog in Catalonië zaten, en anderen vreesden dat we met bruut geweld beroofd waren. Ik had spijt van mijn warrige berichtgeving, maar werd ook opgetild door de overweldigende liefheid van mensen die snapten hoe kut het was dat onze vakantie onbestaande was geworden, mensen die aanboden ons geld te lenen, of een telefoon te geven, mensen die een crowdfundingactie op wilden zetten, mensen die ons hun woning aanboden als alternatief vakantiehuis, en tal van lieve tweeps en peeps die ons een luisterend oor boden.

Hoewel de steun van al die mensen een boost gaf – en ook weer een nieuwe adrenalinestoot – waren we niet in staat er adequaat op te reageren. Sociale media waren iets uit een parallel universum. Converseren met twintig mensen tegelijk, niet te veel tikfouten maken, helder en coherent blijven, rationeel: allemaal dingen waar ik mezelf na drie dagen actie-actie-actie niet toe in staat achtte. Dus ik reageerde zo goed en zo kwaad als het ging, bedankte, schreef dat we ons te ongemakkelijk zouden voelen als we giften zouden accepteren, en sloot Twitter en Facebook weer af.

Inmiddels hadden de Belgen van de Italianen verloren en iedereen die moest weten dat we thuis waren had een mailtje ontvangen, dus het zou logisch geweest zijn ons bed op te zoeken. Maar slapen? In die hoedanigheid? Op dat moment? Nee. Ik wilde iets doen. Actie. Handelingen. Oplossingen. Daadkracht. Maar wat dan? Wat kon ik doen? Omdat ik net twee dagen op de passagiersstoel had doorgebracht, was de film van de beroving al vaker opnieuw afgespeeld dan goed voor me was, en ook nu we thuis waren hield de stroom van beelden niet meer op. Dat leek me een goede prioriteit: de film die me teisterde vangen en onderbrengen in de kooi van een tekst. Dus maakte ik een document aan dat ik terugvind op de computer onder de naam Verhaal beroving. Het is een ratelrelaas van zes kantjes, boordevol en-toen-en-toen-en-toen, en zonder enige vorm van relativering. Maar het werkte, ik had het gevoel dat ik iets nuttigs deed en achteraf kan ik zeggen dat dat ook zo was. Ik schreef van elf tot twee, sloeg het document op, ging in bed liggen en viel geheel onverwacht in een diepe slaap. Op mijn computer vind ik een nieuw bestand van half negen de volgende ochtend. Verhaal beroving gestileerd, heet het. Dus kennelijk heb ik maar heel kort geslapen en ben ik de volgende dag gelijk weer achter het toetsenbord gaan zitten. Dat het tweede verhaal gestileerd zou zijn, is een leugen. Het is een spervuur van beelden, feiten, dialogen, Spaanse zinnen, Franse vragen en Engelse antwoorden, Maar het hielp me de herhaling te stuiten door de beelden te slijten aan het toetsenbord. Nog een dag later schreef ik het eerste deel van deze serie.

Het schrijven was therapeutisch, en dat zie ik terug in alle delen van dit verhaal. Ik veeg mijn voeten aan de meeste richtlijnen die ik als schrijfcoach uitvaardig: voorkom te veel herhaling, wees spaarzaam met overbodige passieve zinnen, wees zorgvuldig met leestekens, check hoe je moeilijke woorden schrijft, en ga zo maar door. Met als gevolg dat hoe beter het met mij gaat, hoe meer mijn handen jeuken om het verhaal aan een stevige eindredactie te onderwerpen. Maar dan: jullie stoorden je er hoegenaamd niet aan. Al bij al zijn er tegen de tweeduizend mensen die alle delen hebben gelezen en de tientallen reacties die ik de afgelopen weken ontving naar aanleiding van het verhaal brachten me in verlegenheid. Ik, die geen gelegenheid onbenut zal laten om mezelf te downplayen, werd innig geprezen om iets dat vele malen beter had gekund. Met als gevolg dat ik midden in mijn adrenalinekater ook nog eens moest leren omgaan met complimentjes voor iets dat voelde als een dronken foto op Facebook.

Wat me naadloos brengt bij een waarschuwing ten aanzien van het vervolg van dit verhaal: vergeef me de fragmentarische manier waarop ik de rest van Hoe onze vakantie onbestaande werd zal schrijven. Jullie komen hier voor de cliffhangers en ik heb eigenlijk alleen nog warrige brokjes in de aanbieding. Morgen is het een maand geleden dat we thuiskwamen en als ik probeer terug te kijken op die maand zie ik alleen een tilt-shiftfoto van beduusdheid, alertheid en gelatenheid. Waar ik tijdens en na de beroving elke seconde registreerde, zijn de afgelopen vier weken vooral een soep van gedoe waarin ik wat ronddobberde in een poging de financiële, bureaucratische en emotionele schade zo goed mogelijk af te wikkelen. Daarom is het onmogelijk het vervolg van de reconstructie net zo nauwgezet op te schrijven. Ik hoop dat jullie het me niet euvel zullen duiden. Wat nog volgt is: het feest der bureaucratie, de mislukte poging tot hernieuwde vakantie, de hartverwarmende actie van Aafke Romeijn, de listigheid der verzekeringsmaatschappijen, hoe om te gaan met slapeloze nachten en waarom je altijd moet trouwen met de perfecte traumagenoot (Wannes!).

Kortom: wordt vervolgd.

Hoe onze vakantie onbestaande werd (17)

Lees eerst deel 1, 23456789101112131415 en 16.

Ik werd een beetje zenuwachtig van het dilemma wel of niet ’s nachts rijden. Wannes wilde het dolgraag, maar hij was het ook met me eens dat de nadelen erg groot waren. Toch bleef hij twijfelen, en ik ook. We rookten een sigaret uit het raam, zagen twee ongure mannen lopen, vonden dat maar griezelig, zetten de tv nog eens aan, werden direct gespannen van de beelden van Orlando, zetten de tv weer uit, dronken nog wat water, gingen nog maar eens naar de wc, opperden telkens opnieuw of we niet toch zouden vertrekken en stelden dan maar weer vast dat onze veiligheid het belangrijkste was. Dus: nee. We hadden al 48 uur nauwelijks besef van tijd, omdat we onze telefoons kwijt waren, maar op de tv zat een klokje, het was tegen tweeën, en het wekkertje van dat klokje stond op zes uur. Nu vertrekken zou dus ruim vier uur tijdwinst opleveren. Was dat het risico van Wannes’ oververmoeidheid waard? Was eender welke tijdwinst Wannes’ oververmoeidheid waard? Het antwoord was duidelijk, maar zoals dat gaat met slapeloze nachten: ik herhaalde het debat tig keer in mijn hoofd in de hoop op een andere conclusie uit te komen.

Dus woelden we verder om uiteindelijk toch nog in slaap te vallen. Om half zes waren we allebei weer klaarwakker. Er bleken geen handdoeken op de kamer te liggen, dus we douchten niet, maar spoedden ons naar het ontbijt en vertrokken tegen zevenen. In de auto verspreidden we het geld dat we nog hadden: elk weer een deel op ons lijf en de rest in zakjes en vakjes op ver uit elkaar liggende plekken in de bagage. Hadden we de aangiftepapieren? Ja? Genoeg water? Ja. De routebeschrijving? Ja. Goede moed? Enigszins.

Net als de dag ervoor reisden we zonder muziek, terwijl we veertig gigabyte aan muziek hadden op memorysticks die – halleluja – niet gestolen waren. Maar muziek spiegelt je humeur en we hadden allebei geen zin in de reflectie van angst en gedachten aan wat was en wat had moeten zijn. Naarmate we noordelijker kwamen namen de bewolking en de maandagochtenddrukte toe. De sfeer in de auto was kalm op een verdoofde manier, we gleden over het verzorgde asfalt van de péage, zwegen, hielden nauwlettend de bordjes in de gaten en stopten na twee uur voor een plaspauze en koffie.

Inmiddels weet ik dat we die dag negen uur moesten rijden, en dat we met pauzes en opstoppingen erbij dus nog minstens twaalf uur onderweg zouden zijn, maar toen wist ik dat niet en dat is maar goed ook, want ik zag als een huis op tegen de reis, tegen de drukte, de regen, de kou in het noorden en de onzekerheid of de co-piloot, de chauffeur en het autootje het vol zouden houden.

Tot mijn dertigste heb ik duizenden kilometers door Zuid-West-Europa getrokken; er is vrijwel geen streek in Frankrijk, Spanje en Portugal waar ik niet ben geweest. Destijds navigeerde ik zonder app, loste ik problemen op zonder Google en had ik soms een week geen contact met de rest van de wereld, maar in die twaalf jaar is er kennelijk veel gebeurd, want het gevoel nevernooitniet op basis van de kaart langs Parijs te komen was deze keer gigantisch en de angst dat we iemand nodig zouden hebben en dan niemand zouden kunnen bereiken – want geen telefoons – was ook disproportioneel. Net als vrijdagavond op het politiebureau in Santa Coloma de Farners, toen we constateerden elk maar één telefoonnummer uit ons hoofd te kennen, verfoeide ik mijn vermeende afhankelijkheid van de telefoon. Vermeend, want in feite waren we al drie dagen een vrij groot probleem aan het oplossen zonder eigen telefoon en internet, en dat ging best goed. Maar op dat moment, verdoofd in onze blikken cocon, razend naar huis, vond ik mezelf een afhankelijke sukkel van de bovenste plank.

We naderden Limoges toen Wannes zei: weet je wat ik me ook afvroeg toen ik vannacht wakker lag? In mijn pochke zat een papiertje van de péage, met het wachtwoord van ons account. Ik vraag me af of ons adres daarop staat. Wannes had voor de vakantie een apparaatje besteld dat je onder je spiegel op je voorruit moet plakken om bij elke Franse tolpoort gewoon door te mogen rijden. Achteraf krijg je dan de rekening thuis gestuurd. Het ding had ons al veel tijd bespaard, bovendien betekende het dat we op de terugreis niks van ons geleende geld aan de péage hoefden te besteden. Tot zover dus alleen maar voordelen. Maar er waren ook nadelen: je kon op zo’n account een tweede apparaat bestellen. Daar hadden we bij Bieke niet aan gedacht, dus we hadden het wachtwoord nog niet veranderd. In theorie konden de dieven dus voortaan op onze kosten met een telepágezendertje door Frankrijk crossen.

En dat adres? vroeg ik. Denk je dat het erop stond? Ik weet het niet, zei Wannes, maar in combinatie met onze huissleutel vind ik het wel beangstigend. We wogen het risico: wij en de boeven waren vrijdag nog in Catalonië. Alleen als ze echt elk element in onze tassen te gelde wilden maken, zou het kunnen dat ze ons adres en misschien ook de sleutel zouden benutten. Maar dan moest er wel sprake zijn van een Europees netwerk, want we achtten de kans klein dat Marek naar België zou afreizen om het huis van twee van die kringlooptypes leeg te halen. Dat internationale netwerk leek ons niet zo waarschijnlijk, maar we durfden het niet uit te sluiten, en onze huissleutel zat in Wannes’ pochke, bij het adres, dus er kon gemakkelijk een link gelegd worden. Maar dan: zou een boef wachten op een sleutel alvorens bij ons in te breken? Was het feit dat de daders wisten dat wij in Catalonië waren niet voldoende om met één telefoontje een ervaren inbreker naar ons huis te sturen? En liep de poezenoppas dan gevaar? We hadden haar bij Bieke gebeld. maar we hadden niet gewaarschuwd voor een inbreker. Hadden we dat moeten doen? Ik verachtte ons om onze paranoia, maar omdat ik niet 100 procent zeker wist of het allemaal echt overdreven was, bleef ik kauwen op de verschillende doemscenario’s.

Omdat onze gesprekken steeds weer eindigden in een stilte die onze angst uitdrukte, keek ik of we niet toch een playlist hadden die hanteerbaar was in onze stemming. Ik vond er een: De beste hersenloze deuntjes van de afgelopen twintig jaar, met liedjes variërend van Leipe mocro flavour van Ali B. tot de coolste nummers van Justin Timberlake. Perfecte muziek voor een wankel humeur, omdat we allebei weinig grote sentimenten aan die Hitzone-nummertjes hadden hangen. Bij Never be the same again van Melanie C ging het even mis, die moest uit wegens dreigende tranen, maar verder stuwden de Shaggys en Kelissen van de wereld ons van plaspauze naar tankbeurt, waarbij we uiteraard elke keer een neurotische bagage- en autoslotencheck deden.

De uren die volgden verliepen voorspoedig. We belandden twee keer op een tankstation waar je alleen met kaart kon betalen, maar omdat we steevast bij een halflege tank gingen zoeken, leverde dat geen stress op, en hoewel het druk was toen we bij Parijs kwamen, was de file waarin we belandden te overzien. Bovendien namen we de juiste afslagen en zag het ernaar uit dat we daadwerkelijk die dag nog thuis zouden zijn.

Thuis. Ik kon me er weinig bij voorstellen. Oké, ik verlangde naar rust. Stilstaan in plaats van door door door. Ik verlangde naar mijn eigen bed, mijn eigen douche en mijn eigen wc, maar verder: wat moest ik in hemelsnaam thuis? Wat moest ik met die weken die voor me lagen, waarin mijn out of office-reply mij vrijwaarde van werk en andere beslommeringen? Ik stelde me voor dat ik thuis hetzelfde zou doen als op vakantie, maar ik wist dat dat een illusie was. We konden doen alsof, maar thuis was toch altijd gewoon thuis. En hoewel ik de schade nog niet kon overzien, was de kans groot dat het overgebleven vakantiegeld in nieuwe brillen, nieuwe telefoons, nieuwe tassen, nieuwe portemonnees en weet ik veel wat zou gaan zitten – als de rekening niet al geplunderd was door Marek en co. Dus uitstapjes en etentjes zaten er niet meer in. De vakantie was verleden tijd en thuis zou gewoon thuis zijn.

In feite was het verhaal van hoe onze vakantie onbestaande werd voorbij toen we om een uur of kwart voor negen in het regenachtige Kessel-Lo de sleutel in het slot staken en onze tranen voor het eerst in dagen de vrije loop lieten, maar omdat de emotionele, financiële en bureaucratische afwikkeling van hoe onze vakantie onbestaande werd nog voortduurt tot op de dag van vandaag, volgt er na het weekend gewoon weer een aflevering.

Kortom: wordt vervolgd.