Bericht uit 2015: het archief van 2003 tot 2006 wordt langzaam overgezet

Mijn eerste weblog (van 2003 tot 2006) was op een ander adres, namelijk: zezunja.punt.nl. Omdat ik die stukjes niet automatisch kan importeren, staan ze nu, anno 2015, nog niet op deze site. Maar ik wil ze wel graag verhuizen,

Het zijn bijna duizend stukjes die ik traag maar gestaag zal overzetten: elke dag een stukje van tien, elf of twaalf jaar geleden. Theoretisch zou ik over drie jaar klaar moeten zijn. Halleluja.

Interview met Wouke van Scherrenburg

Een interview met Wouke van Scherrenburg, verslaggever van Den Haag Vandaag, november 1997. © Maartje Luif

‘Het moet normaal zijn dat daar een vrouw stevig staat te interviewen’

De ogen van Bolkestein glimmen als zij hem interviewt, Wallage blijft veel te vriendelijk en Zalm noemt haar ‘die lange, blonde’. Wouke van Scherrenburg, de genadeloze interviewer van Den Haag Vandaag: ‘Ik hou gewoon niet van gezeur.’

De enige vrouw in de parlementaire tv-journalistiek en behept met een genadeloze interviewstijl; u bent voor velen ‘het voorbeeld’…

En daar word ik doodmoe van. Het moet normaal zijn dat daar een vrouw stevig staat te interviewen.

Maar zolang dat niet normaal is, zult u die voorbeeldfunctie houden.

Ja. Politici zijn het helemaal niet gewend. En ik ben natuurlijk ook niet niks. Ik hoorde gisteren van Jacques Wallage dat zijn achterban altijd roept: ‘Je blijft veel te vriendelijk tegen haar’. Ik zeg: ‘Jacques, zeggen ze dat ook weleens als je zo door een man wordt geïnterviewd?’ ‘Nee’, zegt-ie, ‘dan hoor ik het nooit.’ Waarop ik zeg: ‘Voilà!’

Mevrouw Borst vertelde u ooit dat Bolkestein het zo ‘enig’ vond om door u geïnterviewd te worden…

Ja! Dat zag ze dan aan zijn oogjes. Nou kijk, dat soort dingen dus … Meestal ben ik daar wel immuun voor, maar eens in de drie maanden denk ik: gatverdamme, hou nou toch eens op met dat gezeur!

Is het dan geen voordeel als iemand het leuk vindt om door u geïnterviewd te worden? Blijven ze dan niet langer aardig tegen u?

Maar Bolkestein is helemaal niet aardiger tegen mij dan tegen een ander. Dat is echt onzin! Bolkestein vindt het gewoon ontzettend leuk om voor de camera te staan. (grinnikt)

En Wallage dan? 

Tja, dat zijn uitspraken van zijn achterban. Hij merkt zelf geen verschil. Hij zegt: ‘Jouw vragen laten kennelijk een diepere indruk achter, omdat ze door een vrouw worden gesteld.’ En ik ben natuurlijk ook wel kattig tegen die heertjes in de Kamer.

Moet dat?

Nou, als ze staan te klooien wel, lijkt me. Volksvertegenwoordigers moeten met de billen bloot.

Dat is ook een beetje uw handelsmerk. Veel mensen kennen uw naam niet, maar als ik u typeer zoals een columnist dat ooit deed: ‘Wouke van Scherrenburg heeft een toon van: geeft u zelf toe dat u een knoeier bent of moet ik dat voor u doen?’, dan weten mensen precies over wie ik het heb.

(lacht) Dat ligt ook wel in mijn aard. Zelfs privé. Niet dat ik mijn vrienden zit te interviewen, stel je voor. Ik stel hier vragen die ik in de privésfeer nooit zou durven stellen. Maar ik hou gewoon niet van gezeur. En je hoort hier veel gezeur.

Een perfecte eigenschap, toch? Je loopt minder kans dat mensen doorleuteren.

Een stagiaire vergeleek in haar stageverslag mijn manier van interviewen met die van Pim van Galen. Hij interviewt veel rustiger dan ik en hij heeft ook altijd veel langere gesprekken. Zij kwam tot de conclusie dat we allebei resultaat halen. Hij op zijn manier en ik op de mijne. Maar mensen vinden het, denk ik, vaak grappig als een politicus wordt aangepakt.

Bent u nooit bang dat de kijker meeleeft met de politicus en dat die vervolgens als slachtoffer wordt beschouwd?

Dat gebeurt alleen als je de ander geen kans geeft. Maar die krijgen ze van mij gewoon. Ik vind het ook heel leuk als ze mij schaak-mat zetten. Dat hoort in een gesprek.

Arnold Koper begon ooit een stukje in de Volkskrant met een citaat van u: ‘Staat u niet een beetje voor aap, mijnheer Wallage?’ Koper concludeerde dat de geïnterviewde daar nooit goed op kan antwoorden. Zegt hij ‘ja’, dan staat hij inderdaad voor aap. Zegt hij ‘nee’, dan denkt de kijker gelijk dat het antwoord niet deugt. Zijn er meer techniekjes behalve de retorische vraag, uw handelsmerk, om te voorkomen dat de politicus zich eruit draait?

Mensen gaan ervan uit dat ik mijn manier van interviewen heb bedacht. Dat is niet zo. Ik sta ontzettend vaak op instinct te interviewen. Ik weet waar het over gaat, ik ken de ins en outs, ik weet waar ik naartoe wil. Maar het meeste gaat echt op instinct. Als de kiezer iets is beloofd en dat is niet gebeurd, dan wind ik me daarover op. Ik vind dat ik ’t best kan zeggen als iemand de boel staat te belazeren. Je bent tenslotte het doorgeefluik tussen de politici en de kiezer.

Waarom bent u de parlementaire journalistiek ingegaan?

Voor de spelletjes die zich achter de schermen afspelen, het machtsspel. Ik ben heel erg geïnteresseerd in politiek. Alle maatschappelijke beslissingen worden hier genomen. Op deze vierkante meters.

Maar is dat niet tegelijkertijd wat de politiek zo verschrikkelijk maakt? Die spelletjes en dat gekonkel?

Nee, dat maakt de politiek juist zo boeiend om naar te kijken.

Doorziet u dat niet zo goed dat u er misselijk van wordt?

Nee, ik word er nooit misselijk van. Ik loop nooit met de verontwaardiging rond van ‘mijn god, wat een vreselijke wereld is dit’.

Dat zou ik me juist heel goed kunnen voorstellen.

Dan kun je hier niet werken. De mensen die hier werken vinden het allemaal leuk.

U bent begonnen bij een krant, zonder journalistieke opleiding …

In mijn tijd was er nog helemaal geen School voor Journalistiek. Ik begon bij de Gelderlander met politieberichten. Telexen scheuren in het weekend. Duivenverenigingen en zo. Echt het hele nederige werk.

Hebben ze u bij de krant als parlementair verslaggever gevraagd of heeft u zelf …

Nee, er was een vacature bij de VNU en ik dacht: dit moet ik doen! Ik deed veel gemeente- en provinciale politiek en dat vond ik heel erg leuk.

Hoe lang daarna kwam de overstap naar Den Haag Vandaag?

Twee jaar later al.

Welk verschil viel u toen het meeste op?

“Interviewen bij de krant is heel iets anders dan bij Den Haag Vandaag. Als je bij de krant iets vergeten bent, kom je er later nog eens op terug. Achteraf haal je dàt eruit wat het meest interessant is voor je verhaal. Maar bij tv moet je vooraf weten wat jouw verhaal is. Je moet het al gecomponeerd hebben voordat je begint te interviewen. Tegelijkertijd moet je openstaan voor nieuwe ontwikkelingen in het gesprek. Dat is heel belangrijk. Ik zag onlangs een interview waarin de interviewster daar helemaal niet in slaagde. Het leek alsof ze een lijst had met vragen die ze allemaal moest stellen, waardoor er uiteindelijk helemaal niets uit de verf kwam. Als Borst in dat gesprek iets onthullends zei, of in het nauw zat, werd daar ook niet op doorgespind. Dan werd er gekeken: wat is de volgende vraag? Dat kan dus niet op tv.

Heeft u zelf dat soort fouten gemaakt?

Ik heb natuurlijk wel eens een slecht interview gedaan, maar dat werd dan meestal weggegooid. Dan dacht ik nog: ach, daar maak ik later op de redactie wel een leuk item van, maar dat kan natuurlijk helemaal niet met beelden!

Hoe lang duurde het voordat u zelf het gevoel had: nu kan ik het!?

Het duurde bijna een jaar voordat de collega’s zeiden: ‘Ja, wow, dit is het.’ En het duurde twee jaar voordat ik zelf tevreden was.

Waar lag dat aan?

Omdat ik hoge eisen aan mezelf stel. Vooral bij het doorvragen. Als ik later de opnamen terugzag, dacht ik soms: shit, daar had ik op door moeten gaan.

Bij politici moet je natuurlijk extra opletten, omdat ze altijd zullen proberen hun eigen verhaal te vertellen?

Ja, het echte verhaal zit vaak verscholen achter wat ze zeggen. Niet bij allemaal, maar je gaat politici meestal interviewen wanneer de situatie netelig is en dan hebben ze er alle belang bij om zich te verschuilen achter jargon. Om overal wollen dekens overheen te gooien en om aan windowdressing te doen. Daar moet je doorheen prikken.

Dat lijkt me bij tv erg moeilijk. Bij een krant heb je als het nodig is de ruimte om iemand iets drie keer te laten herhalen.

Dat kan bij tv ook, want wat je uitzendt is bijvoorbeeld het antwoord op de derde vraag. Je zendt dàt uit waar de kijker iets aan heeft, waar een mededeling in zit, wat informatief is. Maar soms kun je ook uitzenden dat iemand helemaal niet wil antwoorden of dat iemand iets drie keer herhaalt, want daaraan kun je zien dat de situatie heel lastig is. Dan heeft het een functie.

Hoe heeft u geleerd daar scherp op te zijn?

Dat is een instinct.

Als u steeds maar ontevreden blijft met een antwoord, merkt u dan dat mensen zich gaan ergeren?

Ja, dat gebeurt. Minister Borst zei eens na afloop: ‘Nou, nou! Acht keer dezelfde vraag!’ Maar de kijker ziet die vraag maar één keer.

Hoe voorkomt u dat politici een onbegrijpelijk verhaal vertellen, vol jargon?

“Er zijn veel nieuwelingen bijgekomen, een generatie politici die veel begrijpelijker praat, dus dat valt tegenwoordig wel mee. Soms breek ik een interview af. Dan zeg ik: ‘Dit begrijp ik dus absolúút niet en de kijker ook niet! Doe dat eens opnieuw.’ Als iemand bijvoorbeeld begint over de WEM (Wet Economische Mededinging, ML) dan kun je dat in de krant wel vertalen, maar je kunt dat niet uitzenden. En ze doen het ook wel over hoor. Zij willen ook graag dat de kijker snapt waar het over gaat; dat ze daar niet als een soort Lubberiaans-kletsende politicus staan.

Lubberiaans?

Och, Lubbers! Die kon zo wollig praten.

Wat vindt u het leukste aan politici interviewen?

Als je van die types hebt die recht voor hun raap praten. Die zijn er natuurlijk en daar zoek je ze ook wel op uit. Je hebt ook politici die heel goed zijn in dossierkennis, maar niet kunnen praten. Van de hondervijftig Kamerleden zijn er vijftig die je rustig voor de camera kunt halen. Het leukste is als je dan echt een gesprek hebt. Als er iets gebeurt tussen twee mensen. Als er interactie is.


Geeft het voldoening wanneer je iemand die doorgaans veel moeite heeft met spreken, iets duidelijk hebt laten uitleggen?

Jazeker, maar sommige mensen kunnen dat gewoon niet. Vooral mensen met de portefeuilles Volksgezondheid en Sociale Zaken. In hun rapporten en nota’s wemelt het van de afkortingen. Ik zeg wel eens: ‘Doe nou eens alsof je het aan je buurvrouw vertelt!’ Maar als dat niet gaat, interview ik ook niet. Dan hebben Ferry en ik een tekstje liggen en zeggen we dat die en die partij het daar helemaal mee eens was.

U heeft wel eens geposteerd bij het huis van een D66-fractievoorzitter van de Eerste Kamer …

Ja, mijnheer Schuyer was dat.

En u belt ook rustig aan bij bijvoorbeeld Tjeenk Willink. Vindt u dat leuk om te doen?

(volmondig) “Jajajaaa.”

Waarom?

De kans dat het lukt is minimaal. Willink is door blijven praten. Hij heeft later nog geklaagd bij de hoogste NOS-baas. Die schat heeft, heel solidair, gezegd dat hij dan maar niets had moeten zeggen en de deur dicht had moeten doen. Als jij mij nu onbeschofte vragen gaat stellen, doe ik dat toch ook? Ik vind gewoon dat ik mijn werk moet doen. Wij hadden hem echt nodig, zonder zijn commentaar was het item een stuk minder geweest. En dan ga ik echt heel ver.

Dat lijkt me soms moeilijk.

O nee, dat is juist leuk. Nogmaals, de kans van slagen is zó klein. Want Schuyer had zijn auto zó de garage in kunnen rijden en dan hadden wij het nakijken gehad. Maar hij was heel schattig en sportief. Hij dacht ‘die mensen staan hier al een hele tijd op mij te wachten’. Hij vindt het leuk dat mensen dat doen en beloont dat door een interview te geven.

Komt dat vaak voor?

Laatst nog. Wij hadden Kok van D66 heel hard nodig, maar die was de hele dag niet bereikbaar. Wij hoorden via via dat hij bij een bestuursvergadering van D66 in Hoog Catharijne was. We zijn daar heen gegaan en toen we aankwamen heb ik de deuren van de vergaderruimte opengegooid en geroepen: ‘Oh mijnheer Kok! Sorry dat ik zo laat ben. Wat fijn dat u er nog bent! Tja, ik heb in de file gestaan, maar kan ik zo nog even met u spreken?’ Ik deed gewoon alsof ik een afspraak met hem had. De koppen van die bestuurders en van Kok! Hij beloofde even naar buiten te komen en toen heb ik een interview met hem gehad. Hij vond het wel èrg brutaal, maar moest er ook vreselijk om lachen.

Bedenkt u dit soort acties op weg in de auto?

Nee. Ik sta voor die deur en kijk op mijn klok. Ik moet nog terug naar Den Haag, het loopt tegen achten en ik heb een hartslag van 180. Ik keek eigenlijk door die deur met het doel: zit hij er wel? Ik zie hem zitten en ik gooi spontaan die deur wijd open. Ik reageer heel primair.

Heeft u door uw manier van interviewen vijanden gemaakt? Dat mensen niet meer met u willen praten?

“Nee. Ik weet wel dat Elizabeth Schmitz, een geweldig mens, eens iemand van achteren zag die erg op mij leek. Waarop ze een collega toefluisterde: ‘Oh nee! Dat is toch niet Wouke van Scherrenburg?’ Ik heb haar later nog gevraagd: ‘Is het zo erg?’ Ze grijnsde.

Er is dus niemand die ervoor uitkomt niet met u te willen praten?

Nee. Gerrit Zalm zei eens tegen mij: ‘Verdorie, kom ik op vrijdag in het kabinet en dan vraag ik: ‘Wie is er nou weer door die lange blonde geïnterviewd?’ Hij is heel klein. En als iemand dan wat roept, zegt hij: ‘Ik nog steeds niet!’ Laatst heb ik hem dan eindelijk geïnterviewd en na afloop zei hij: ‘Nounou! Dat was wel de duimschroeven aandraaien zeg!’ En dat deed ik ook. Maar dat wilde hij toch?

Front National experimenteert

Een reportage vanuit het Zuid-Franse Vitrolles dat werd bestuurd door het extreem-rechtse Front National. De partij dreigde bij de parlementsverkiezingen van mei 1997 groter dan ooit uit de strijd te zullen komen. Ik ging kijken hoe het gesteld was met werk en werkeloosheid in een door FN gedomineerd stadje. Ik interviewde kopstukken van alle politieke partijen, ik sprak met knokploegen, met oud-burgemeesters, met arbeiders, met Algerijnen en met taxichauffeurs. Ik volgde de campagne van de verschillende kampen en legde mijn oor te te luister bij de winkeliersvereniging, op de markt, in het café, op het gemeentehuis en in de andere dorpen aan de oevers van l’Etang de Berre. © Maartje Luif

Maatregelen extreem-rechts zorgen voor spanning in Vitrolles
Front National experimenteert

Het Zuid-Franse stadje Vitrolles is bankroet en heeft te kampen met hoge werkeloosheid. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in februari bepaalde de bevolking en masse dat het extreem-rechtse Front National de aangewezen partij was om de failliete stad erbovenop te helpen. Gevolg: ‘zuivere’ Fransen krijgen een voorkeursbehandeling op de arbeidsmarkt en sociaal werkers worden omgeschoold tot politie-agent. En passant krijgt de oppositie letterlijk een pak slaag.

Aan de oostoever van l’Etang de Berre, tussen de olieraffinaderijen en de metaal- en voedingswarenindustrie, wonen binnen de gemeentegrenzen van Vitrolles ruim veertigduizend mensen, van wie er achtduizend zonder werk zitten. Met een werkloosheid van bijna 20 procent, is dat meer dan 6 procent boven het toch al hoge Franse landelijke gemiddelde.

Maar Vitrolles is in meer opzichten een buitenbeentje. Het is de vierde stad in Frankrijk waar een FN-burgemeester de scepter zwaait, en de maatregelen van FN-burgemeesters zijn niet zelden extreem. In het iets noordelijker gelegen Orange haalde het stadsbestuur een serie ‘linkse’ boeken, waaronder tal van Russische meesters, uit de bibliotheek en in Vitrolles werden straatnamen met Mitterand of Mandela omgedoopt tot straatnamen met République of National.

Het stadsbestuur stelde daarnaast een kaalkoppige knokploeg samen die als derde partij, naast de federale politie en de gemeentepolitie, de orde op straat moet handhaven. In de praktijk komt dat neer op intimidatie. De knokploegen bemoeien zich doorgaans alleen met de linkse oppositie. Én met de Algerijnen, die in Vitrolles een groot deel van de bevolking uitmaken. Blauwe uniformen, knuppels en skinheads domineren het straatbeeld.

Nu de parlementsverkiezingen naderen, wordt het de oppositie onmogelijk gemaakt om campagne te voeren. Folders uitdelen op de markt mag ineens niet meer van de knokploegen. Of neem de plakzuilen voor verkiezingsaffiches. Zodra de socialisten of communisten met hun scharrige autootjes een paar posters ertegenaan hebben gebezemd, staan er alweer twee flitsende gemeentewagens klaar om de paal keurig blauw-wit-rood te kalken. Op kosten van het stadsbestuur.

Gemolesteerd
De oppositie voelt zich inmiddels, na vier maanden FN-bestuur, al zo getergd dat er regelmatig gevechten ontstaan. Op de markt, in de supermarkt, in het postkantoor, elke wrijving eindigt in een wilde knokpartij, lijkt het. De vorige burgemeester, de socialist Jean Jacques Anglade, werd sinds zijn aftreden al twee keer door de knokploegen gemolesteerd. Hij is nog steeds gemeenteraadslid voor de Parti Socialiste in Vitrolles. Deze week verscheen hij in de raadszaal met zijn arm in het gips.

Anglade was al veertien jaar burgemeester toen hij in februari werd weggestemd ten gunste van Catherine Mégret. De meeste inwoners van het stadje vinden dat de socialist te weinig heeft gedaan om de strategische ligging van Vitrolles uit te buiten en de stad economisch aantrekkelijk te maken. Vitrolles ligt aan het vliegveld van de Provençaalse havenstad Marseille en aan het Etang de Berre, een groot meer dat in zijn geheel is omzoomd door industrieterreinen. Maar ondanks deze gunstige voorwaarden voor een industriële zone, zijn veel bedrijven tijdens Anglades bestuursperiode weggetrokken uit Vitrolles.

Volgens Marc de Bovis, directeur van de grootste ondernemersorganisatie in Vitrolles, heeft Anglade de industrie niet genoeg gesteund in de strijd met de concurrentie. “De belastingen en loonkosten liggen in Frankrijk hoog en daarom is bijvoorbeeld Shell naar Italië vertrokken. Maar ook de omliggende gemeenten en uiteraard Marseille trokken veel bedrijven uit Vitrolles aan. Verder heeft de sociale onrust in het gebied rond het Etang de Berre veel ondernemers weggejaagd. De voortdurende dreiging van stakingen ten tijde van de industriële herstructurering was voor veel bedrijven een reden om hun heil elders te zoeken.”

Racisme
De bevolking hoopt dat FN Vitrolles uit het slop kan halen met de voorgestelde belastingverlagingen en de herstructurering van openbare diensten. Maar de burgemeester kan nu, zestien weken na haar aanstelling, al niet meer ter verantwoording geroepen worden over huidige en toekomstige wetgeving. Vlak na haar aanstelling liet zij zich in een interview aan de Süddeutsche Zeitung uit over de essentiële verschillen tussen mensenrassen. Zevenhonderd juridische aanklachten wegens racisme en belediging waren het gevolg. Sindsdien wordt madame Mégret zorgvuldig buiten schot gehouden door woordvoerder, algemeen wethouder en leider van de knokploegen Hubert Fayard.

Volgens Fayard is de oplossing van het werkloosheidsprobleem uitermate simpel. “Als alle immigranten teruggaan naar hun land van herkomst is het gedaan met de werkloosheid. Het banentekort is immers kleiner dan het aantal immigranten dat in Frankrijk werkt. Wij hebben daarom een voorkeursmaatregel ingesteld waarmee Fransen voorrang krijgen als er een baan vrijkomt. Dat geldt natuurlijk niet ten opzichte van Europeanen, dat ligt anders.”

Is dat geen racisme? Fayard fronst. “Het is geen racisme, maar gezond verstand. De immigranten zijn de concurrenten van de Fransen en wij hebben ze niet uitgenodigd.” En dan sissend: “Jullie houden in Nederland niet van ons soort mensen hè?”

Er wordt gefluisterd dat Fayard inmiddels de officieuze burgemeester is. De officiële burgemeester Catherine Mégret was met haar kandidaatstelling eigenlijk al een marionet van haar man Bruno Mégret, de gedoodverfde opvolger van Front National-leider Le Pen. Meneer Mégret mocht deze keer niet meedoen aan de gemeenteraadsverkiezingen, omdat hij bij de verkiezingen van twee jaar geleden het bedrag dat besteed mocht worden aan de campagne ruimschoots had overschreden. Daarom schoof hij dit jaar zijn vrouw naar voren. Zij won met haar stralende glimlach de verkiezingen met een meerderheid van ruim 52 procent van de stemmen. Inmiddels zou ze steeds minder in de melk te brokkelen hebben. Wie nu de marionet van wie is, is niet meer helemaal duidelijk.

Profiteurs
Maar wie er ook daadwerkelijk de touwtjes in handen heeft, voor zowel Vitrolles als voor het Front National geldt: het is erop of eronder. Het pakket maatregelen dat de burgemeester bij haar aanstelling beloofde, moet de stad opstuwen in de vaart der volkeren. François Jeanot heeft er alvast het volste vertrouwen in. Hij runt een bedrijfje in bouwmaterialen in Vitrolles en heeft twee werknemers in dienst. Hij vindt het prima dat het Front National aan de macht is “Het is toch belachelijk dat ik 5000 franc per maand per werknemer aan de belasting moet betalen en dat mijn goede vriend Stephane, die werkloos is, 4000 franc per maand ontvangt om op te zuipen in het café. Door die socialisten is er een maatschappij ontstaan waarin iedereen kan profiteren van wat anderen voor hen hebben opgebouwd. Dat vind ik ernstig.”

Algemeen Wethouder Fayard vindt het jammer dat hij Jeanot daarin niet nóg meer tegemoet kan komen. “Het is dat de staat de uitkeringen aan werklozen betaalt, maar anders had het stadsbestuur allang de uitkering van werkloze allochtonen stopgezet. Je kunt nou eenmaal niet iedereen onderhouden”, aldus Fayard.

Maar een andere belangrijke verkiezingsbelofte kan het FN-bestuur wél waarmaken: belastingverlaging voor iedereen. Een grote opgave voor een stad die financieel aan de rand van de afgrond staat, maar volgens Fayard is het goed te doen. “Voorlopig verlagen we de belastingen alleen symbolisch met 0,1 procent. Als de stad financieel weer wat gezonder is, kunnen we ze verder verlagen. Het is de bedoeling dat we daarmee ook bedrijven naar Vitrolles trekken.”

Ondernemer Philippe, die zijn achternaam niet wil noemen, is tevreden met de maatregelen. Hij heeft een bedrijf in woondecoratie in Vitrolles en zegt zelf geen Front National gestemd te hebben. “Maar ik vind wel dat de stad er schoner en veiliger op is geworden sinds februari. Het valt allemaal best mee met Mégret en FN. Ze zijn niet zo racistisch als iedereen denkt. Ik denk dat we niet bang hoeven te zijn.”

Maar Marc De Bovis van de ondernemersorganisatie betwijfelt dat. “Veel bedrijven willen zich niet in Vitrolles vestigen vanwege het extreem-rechtse imago, daarmee willen ze niet geassocieerd worden. Dat is een wezenlijk probleem waarmee Vitrolles te kampen heeft.”

En dat probleem is niet zomaar opgelost. De overweldigende meerderheid van dertig zetels van het Front National in de gemeenteraad maakt de invloed van de overige partijen, die met elkaar negen zetels hebben, nihil. Oplossingen van andere partijen maken weinig kans en de eigen volk eerst-benadering ligt bij elk beleidsvoorstel op de loer.

Fransen en niet-Fransen
Werkloosheid is in heel Frankrijk een heet hangijzer. Dat blijkt ook weer uit de pogingen van de nieuwe premier Jospin om het werkgelegenheidsvraagstuk op de Europese agenda te krijgen. Maar volgens Henri Agarrat, gemeenteraadslid voor de communisten in Vitrolles, is juist Europa ‘de ziekte’ voor Frankrijk. “Vanwege de verregaande Europese samenwerking is een deel van de productie van bijvoorbeeld helicopterproducent Eurocopter overgebracht naar Duitsland. Dat kost banen in Vitrolles. Wij vinden dat de Europese eenwording veel te ver wordt doorgevoerd.” Als oplossing voor de torenhoge werkloosheid pleit Agarrat voor het terugdringen van de werkweek naar 35 uur met behoud van salaris. Dat is ook de inzet van de communisten bij de afgelopen parlementsverkiezingen. Edoch, alle goede bedoelingen ten spijt: in het Franse parlement maakt de Parti Communiste Français kans op een aantal zetels, maar in Vitrolles heeft de partij niets in de melk te brokkelen.

Over één ding zijn alle politieke partijen het wel eens. Namelijk dat het tekort aan hoogopgeleide mensen een van de belangrijkste oorzaken van de werkloosheid in Vitrolles is. Zelfs de socialisten geven dat toe. Volgens ondernemersvoorzitter De Bovis heeft Anglade zich in zijn ambtsperiode voornamelijk toegelegd op het ontwikkelen van het sociaal-culturele karakter van de stad. “Vooral de sociale woningbouw kreeg zijn aandacht. Daardoor trok de stad veel immigranten en laaggeschoolde arbeiders aan. Vitrolles kan niet meer voldoen aan de vraag naar academici van bedrijven als Europol, een Europees economisch instituut, en Eurocopter. Zij hebben behoefte aan ingenieurs en hoogopgeleide technici, maar daarvan wonen er te weinig in Vitrolles en omgeving. Logisch dat die bedrijven wegtrekken.”

Algemeen wethouder Fayard meent echter dat het stadsbestuur daar weinig aan kan veranderen. “Dat is een probleem dat in heel Frankrijk de kop opsteekt en het is dus aan de regering om daar een oplossing voor te bedenken.” Bovendien hangt ook dít probleem volgens Fayard nauw samen met de immigranten. “Zij zijn over het algemeen veel te laag geschoold.”

In haar verkiezingscampagne beloofde Catherine Mégret dat er geen ontslagen zouden vallen tijdens haar bestuursperiode. Maar sinds februari werden er wél minstens dertig sociaal werkers ontslagen. Volgens maatschappelijk werkster Pascale Morbelli heeft dat iets te maken met het voorstel van Catherine Mégret in haar verkiezingsprogramma om het merendeel van de sociaal werkers te laten omscholen tot politieagent. “Dat werkt natuurlijk niet zo”, zegt Morbelli verontwaardigd. “De meeste mensen die sociaal werk doen, doen dat recht uit hun hart. Om anderen te helpen. Je kunt niet verwachten dat diezelfde mensen met wapens gaan surveilleren op straat.” Toen de buurtcentra de afgelopen maanden de deuren moesten sluiten en de maatschappelijkwerkcentra in de wijken werden opgedoekt, zat er voor de meeste sociaal werkers niets anders op dan ontslag te aanvaarden. Het aantal agenten in Vitrolles verdubbelde sinds februari.

Morbelli ziet de toekomst van Vitrolles somber in. “De meeste mensen die nog sociaal werk verrichten zijn het beu. Ze moeten de mensen met problemen verdelen in twee kampen: de Fransen en de niet-Fransen en dat is natuurlijk niet waar je dit werk voor doet. Dat gaat compleet tegen onze natuur in. Hulp is hulp, daarbij moet je niet discrimineren. Het werk wordt ons onmogelijk gemaakt en daardoor voel je de spanning met de dag toenemen. Er zullen áltijd mensen met problemen blijven, maar die kunnen in de toekomst nergens meer terecht. Niet in de buurtcentra en niet bij het maatschappelijk werk. De problemen worden nu door een sterk politieapparaat onderdrukt, maar onder de oppervlakte ontwikkelt zich een explosieve situatie.”

‘Als 60 procent van de Amsterdamse jeugd allochtoon is, kun je niet meer om ze heen’

Een interview met Atilla Arda (D66) en Fatima Elatik (PvdA), destijds twee veelbelovende politici.
Het artikel verscheen op 28 februari 1998 in opinietijdschrift HN Magazine. © Maartje Luif

‘Als zestig procent van de Amsterdamse jeugd allochtoon is, kun je niet meer om ze heen’

‘Ik viel op: een Amsterdamse met een hoofddoek. Het spreekt en het spreekt Nederlands.’ Een gesprek met het jeugdige bloed van de gemeenteraad van Amsterdam: twee ambitieuze allochtonen. Atilla Arda (27) is voorzitter van de Amsterdamse D66-fractie. Fatima Elatik (24) staat op de verkiezingslijst van de PvdA. ‘De partijen hebben ons mogelijk aangetrokken om stemmen te trekken. Dat zou ik zwak vinden.’

Het gesprek vindt plaats in de raadszaal van de Stopera waar Arda al een eigen stoel heeft – met voetenbankje, vanwege zijn korte benen – en waar Elatik zich direct thuis voelt. Ze gaat zitten op een van de stoelen waar tijdens vergaderingen notulisten zitten. ‘Ik kan ook wel een voetenbankje gebruiken’, concludeert ze. Door haar baan als adviseur van het college van burgemeester en wethouders heeft ze dagelijks te maken met de handel en wandel in en om de raadszaal. De kans is groot dat ze met de gemeenteraadsverkiezingen op 4 maart een zetel in de raad verovert.

Na studies biologie aan de lerarenopleiding en onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam, stortte Elatik zich op het adviseurschap. ‘Ik was al bestuurslid van allerlei verenigingen en ik was actief voor het Allochtone Vrouwennetwerk.’ Sinds tweeëneenhalf jaar is ze lid van de PvdA.

Arda mag ondanks zijn leeftijd al een door de wol geverfde politicus genoemd worden. In de negen jaar dat hij lid is van D66, mocht hij zich met duizend-en-één dingen bemoeien. Hij was coördinator van de werkgroepen financiën, regionale samenwerking en minderhedenbeleid. Hij zat drie jaar in het bestuur van D66 Amsterdam en in het bestuur van de regio Noord-Holland. Vier jaar was hij lid van de landelijke adviesraad en twee jaar van de commissies onderwijs en welzijn in stadsdeel de Baarsjes en de commissie financiën van de centrale stad. En nu is hij dus fractieleider en zijdelings bezig zijn rechtenstudie af te ronden. Een bliksemcarrière.

In hoeverre hebben jullie het gevoel dat jullie zijn opgetrommeld om de partijen een fris en multicultureel gezicht te geven?
Elatik: ‘Mogelijk hebben ze ons aangetrokken om stemmen te trekken. Dat zou ik zwak vinden. Dat zou betekenen dat een partij niet goed op de hoogte is van de kwaliteit van de leden. Ik ben ervan overtuigd dat kwaliteit een grote rol heeft gespeeld. Als je daarnaast bepaalde groepen kunt aantrekken, heeft dat alleen maar een meerwaarde.’
Arda: ‘De PvdA heeft een kandidaatstellingscommissie die dergelijke motieven zou kunnen hebben. Bij D66 wordt de kieslijst gekozen door 1500 D66-leden uit Amsterdam. Het collectief heeft besloten dat ik op nummer vier sta. Maar of dat nou is omdat ik jong ben, allochtoon, of omdat ik al negen jaar actief ben en ze dus weten wat ze aan me hebben…? Ik weet het niet. Het ging ook vanzelf; de eerste acht kandidaten op de lijst zijn om en om mannen en vrouwen. Toegegeven, ik ben voor bepaalde groepen waarschijnlijk herkenbaar. Jongeren spreken mij vaak aan, maar ook allochtonen. Onder allochtone jongeren schijnt het goed bekend te zijn dat ik op deze positie zit. Als je herkenbaar bent, krijg je meer kansen om je kiezers écht te vertegenwoordigen.’
Elatik: ‘Voor de pers was ik ook interessant. Ik viel erg op: een Amsterdamse met een hoofddoek. Het spreekt en het spreekt Nederlands! Ik vond het goed, hoopte dat mensen anders gingen aankijken tegen vrouwen en met name tegen gesluierde vrouwen. Ik kan de samenleving bekijken vanuit meer dan één perspectief. Doordat ik jong ben, allochtoon én vrouw is mijn persoonlijk leven erg dynamisch.’
Arda (gniffelt): ‘Je bent nog net niet gehandicapt!’
Elatik (onverstoorbaar): ‘Ja, ik zie het als een voordeel. Ik kan voor de verkiezingscampagne ideeën aandragen, bijvoorbeeld hoe je groepen moet benaderen. Ik weet wat er leeft. Dat zijn soms ideeën waar de PvdA nog niet aan had gedacht, omdat ze die groepen altijd als onbereikbaar beschouwden.’

Hebben jullie dan ook meer aandacht voor zaken die specifiek jongeren of allochtonen aangaan?
Arda: ‘Theoretisch vertegenwoordig ik puur degenen die op D66 hebben gestemd. In de praktijk weet je natuurlijk niet wie dat zijn en hoor ik dus iedere Amsterdammer te vertegenwoordigen. Ik ben wel gevoeliger voor zaken die jongeren en allochtonen aangaan. Zo kan ik mij nog steeds druk maken om woningnood onder studenten. Dat ligt nog erg vers in mijn geheugen. Veel vrienden waren naarstig op zoek naar een kamer. Als je dat elke dag hoort, besef je dat dat een probleem is. Ik vraag me af of de ouderen hier (wijst op de zetels van de raadsleden) dat nog wel door hebben, want er wordt weinig aan gedaan. Maar ik zit hier natuurlijk niet om alleen jongeren- en allochtonenbelangen te behartigen.’
Elatik: ‘Het is de verantwoordelijkheid van alle raadsleden, maar je hebt wat meer expertise en affiniteit, omdat je er dichterbij staat.’
Arda: ‘Stel, iemand komt met het voorstel om gratis parkeren in te voeren tijdens feestdagen, zoals Kerstmis, dan denk ik gelijk: geldt dat ook voor de ramadan? Dan hebben we ook vier dagen feest! Ik ga ervan uit dat iemand die geen ramadan viert, daar niet aan denkt. Hetzelfde geldt voor het onderwijs in de eigen taal en cultuur, OETC genaamd. Dat wordt op basisscholen één dag per week gegeven tijdens de normale lesuren. Dat betekende voor mij dat ik de reguliere lessen in drieënhalve dag moest doen, terwijl de anderen daar vierenhalve dag voor hadden. Als zij rekenen, taal en geschiedenis hadden, moest ik OETC volgen. De overheid zorgt eerst dat je je moedertaal alleen tijdens schooltijd kunt leren en vervolgens concludeert ze dat Turken en Marokkanen het slechter doen op school. Vind je het gek, als ze twintig procent van hun tijd niet in de klas zitten? Maar dat moet je zelf hebben meegemaakt, of je moet kinderen hebben die daar mee te maken hebben. Anders denk je daar gewoon niet aan.’

Krijgen jullie de mogelijkheid jullie ideeën daarover in praktijk te brengen? Of moeten jullie extra hard schreeuwen om de oudere, gevestigde fractiegenoten te overtuigen?
Elatik: ‘Ik denk wel dat het vechten wordt, maar dat ben ik wel gewend. Overal waar ik actief ben geweest, heb ik me als jonge vrouw keihard moeten inzetten voor datgene waarin ik geloofde. Dat werd niet zomaar aangenomen. Het zal strategisch werken worden. Goed weten hoe je dingen brengt en wie je als bondgenoten moet zien. Je afvragen: waar kan ik de meeste steun krijgen? Ook over de partijen heen. Tot nu toe heb ik veel steun aan mijn fractiegenoten. En het hangt af van mijn persoonlijke inzet of ik net zo serieus wordt genomen als de rest. Het is een leerproces. Ik zal niet meteen moties gaan schrijven.’
Arda: ‘Ook in dit geval heb ik de partijcultuur mee. Het gaat erom of je voorstel goed is, of je het zó goed kunt beargumenteren dat je de meerderheid van de zaal meekrijgt. Ik denk dat dat bij de PvdA en VVD iets moeilijker gaat. Daar moet je toch opklimmen, laten zien dat je iets kunt.’
Elatik: ‘In de PvdA valt nog veel te veranderen aan sfeer, cultuur en ideeën, maar ik denk wel dat de nieuwe fractie een aantal veranderingen zal invoeren en meer zal openstaan voor andere opvattingen. Ik geloof wel dat er ruimte is voor een nieuweling met een goed idee.’
Arda: ‘Maar wat vind je er dan van dat veel allochtone kandidaten bij de PvdA in de landelijke, maar ook in de gemeentepoliliek, lager zijn gezet? Wat zegt dat dan?’
Elatik: ‘Er moet discussie mogelijk zijn over iemands kwaliteiten. Je moet kunnen toegeven dat je iets fout hebt gedaan of dat je op de verkeerde weg zit. Maar het heeft ook iets te maken met mentaliteit. Het ontbrak de grote partijen de afgelopen jaren aan een visie op de multiculturele samenleving. De mentaliteit was: als we maar twee procent allochtonen op de lijst hebben, zitten we goed. Maar zo’n verandering moet op gang worden gebracht door de samenleving. Zolang de leden grotendeels ‘wit’ zijn – als ik dat zo mag zeggen, ik ben zelf tenslotte ook wit – is het niet zo gek dat de kandidaten overwegend niet-allochtoon zijn. Het zijn dynamische veranderingen waarvan je de vruchten niet een-twee-drie kunt plukken. Als zestig procent van de Amsterdamse jeugd allochtoon is, kun je er niet meer omheen. Dan moet er discussie over komen, er moet oog zijn voor de diversiteit.’
Arda: ‘Mijn partij heeft geen commissie die bepaalt: jij gaat erop en jij niet. Niemand die zegt: ‘Zo, nu hebben we genoeg allochtonen.’ We hebben wel veel witte kandidaten, maar ook veel witte leden.’
Elatik: ‘Wij nieuwelingen moeten vechten voor méér toegankelijkheid. Zorgen dat de partij openstaat voor meer mensen. Nu er ideeën zijn over hoe je mensen moet benaderen, blijkt dat zij die nooit bereikt werden, wel veel interesse hebben. Vaak weten ze al waar de partijen voor staan, maar ze beleven de politiek op hun eigen manier en in hun eigen taal. Het heeft veel te maken met communicatie.’
Arda: Als ik bijvoorbeeld naar Turkse bijeenkomsten ga, spreek ik Turks. Daar ben ik in veranderd. Vroeger vond ik: we wonen in Nederland, dus dan leer je maar Nederlands. Nu denk ik dat in een stad als Amsterdam een dag komt dat de politiek het niet meer redt als ze alleen maar Nederlands spreekt. Zelfs al heb je dan te maken met de tweede en derde generatie Turken en Marokkanen die perfect Nederlands spreken. Ze zullen het een pré vinden als je als raadslid van buitenlandse afkomst bent. Als je het hebt over ‘de taal van de mensen spreken’, gaat het niet alleen om korte zinnen maken en weinig moeilijke woorden gebruiken, maar ook letterlijk de taal van de mensen te spreken. Als een boodschap daardoor beter overkomt, doen we dat toch gewoon?’

Opvallend is dat jongeren en allochtonen in de politiek vaak de ‘zachte’ portefeuilles krijgen, die weinig publiciteit opleveren.

Arda: ‘Er zijn inderdaad weinig vrouwen en allochtonen die het woord voeren over financiën, ruimtelijke ordening en economie. Ik ben woordvoerder financiën en economische zaken, maar dat komt weinig voor. Meestal zijn allochtonen en vrouwen woordvoerder van bijvoorbeeld gezondheidszorg. Vooral bij de grote partijen lijkt dat het geval. Maar wij zijn maar met zijn achten. Twee wethouders en met z’n zessen in de fractie. We hebben zeven commissies te verdelen, dus iedereen heeft minstens één commissie. In een grotere partij, wanneer je met zijn vijftienen in een fractie zit, heb je per persoon maar een halve commissie. Dan is het niet gek dat je je nauwelijks kunt profileren.’
Elatik: ‘Als je als partij zo slim bent om jong, aanstormend talent een plaats te geven, moet je ook zorgen dat ze iets te doen krijgen. Dat je ze niet gebruikt voor de verkiezingen en daarna buitensluit. Ik mag dus ook de voorwaarde stellen dat ik iets te doen heb. Maar daar krijg ik gelukkig ook respons op. Hoe het na de verkiezingen uitpakt, weet ik niet, de bereidheid is er in ieder geval.’
Arda: ‘Goed voorbeeld doet goed volgen. Ik wil niet zeggen dat ik de enige allochtoon op zo’n positie ben. Maar op dit moment, in deze raad, wél. De mensen die er in eerste instantie schuchter over deden, kunnen denken: er is er in ieder geval eentje die het aardig doet. Ik ben benieuwd of jij AJBZ (Algemeen Bestuurlijke en Juridische Zaken, ML) mag gaan doen.’
Elatik: ‘Ik heb aangegeven dat mijn interesse daarnaar uitgaat. Omdat ik me de afgelopen jaren heb ingezet voor justitie, openbare orde en veiligheid. Ik heb er wat expertise in opgebouwd. Wie weet.’

Waar moet dit uiteindelijk toe leiden? Wat zijn jullie ambities?
Arda: ‘Ik voel een sociale verplichting om iets terug te doen. Op bijna elke pagina van de Koran staat dat je alles moet delen en weggeven. Dat kun je doen met geld, zorg of kennis. Kijk, ik heb het bijzonder getroffen. Ik heb een goed stel hersens en vriendelijke ouders die me fatsoenlijk hebben opgevoed. We zijn in een land terechtgekomen waar stabiliteit en rust heerst, en waar goede gezondheidszorg en scholing gewaarborgd zijn. Ik vind dat ik iets moet teruggeven. Politiek is daar een manier voor.
Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ik ben fiscalist, dus ik kan voor vierhonderd gulden per uur gaan werken, met een auto van de zaak. Dit is overigens geen klacht, maar wel een hint aan de Tweede Kamer, die nog steeds denkt dat je een stad in twintig uur per week kunt besturen. Het gaat hier om een begroting van zeven miljard! Dat is gelijk aan een multinational! De president-directeur van Philips werkt toch ook tachtig uur per week? Maar goed, ik moet wat kwijt in de politiek.
Als ik tv kijk, meestal informatieve programma’s, wind ik me over veel dingen op. Of mijn ideeën nou worden overgenomen of niet, in de politiek kan ik dat verhaal in ieder geval kwijt.’
Elatik: ‘Het klinkt misschien idealistisch, maar ik wil een bijdrage leveren aan deze stad. Of dat nou voor de schermen of achter de schermen is. Ik wil kwaliteit leveren. Of je dat verantwoordelijkheidsgevoel kunt herleiden naar de sociale plicht van mijn religie, mijn achtergrond of naar de idealen van mijn partij weet ik niet. Maar mijn levensfilosofie is: alles wat je geeft, krijg je terug. Energie, liefde, kracht en wijsheid. En tot op de dag van vandaag werkt dat.’

Waarom huizen kopen helemaal niet zo leuk is (2)

Lees eerst de inleiding op dit stukje.

Er was die dag wel een moment dat seconden er nog niet toe deden. Dat was het moment dat ik op mijn dooie akkertje koffie dronk en mijn zwart fluwelen jasje nomineerde voor het bezoek aan de notaris. Daarin zou ik om half twee die belangrijke handtekening zetten.
Ik rommelde wat in de badkamer, checkte mijn mail. Ik dronk thee met honing om mijn stem terug te krijgen na de zware grieprepetitie van maandag en ik voelde mij de hemel te rijk.
Ik was trots dat ik het allemaal voor elkaar had gekregen. Die dag, dinsdag 29 november, zou alles rond zijn. En dat had ik voornamelijk aan mezelf te danken. Alles had tegen gezeten, iedereen had tegengewerkt en ik had het allemaal alleen moeten doen, maar het was gelukt. Terwijl ik wat kuierde en klooide gaf ik mijzelf steeds binnensmonds een driewerf hoera. Ik las de krant, hoera, hoera, hoera, wat weblogs, hoera, hoera, hoera, de post van gisteren, hoe…

En toen begon de film Zezunja rennt vs 24.

Want in die post van gisteren stond iets over eigen geld. Vierduizend euro. Dat moest ce moment bij de notaris zijn. En, bedacht ik, dat wás het niet. Die vierduizend euro stond nog keurig op een spaarrekening van mijn vader.
Een paar weken daarvoor had ik tegen mijn vader gezegd: ‘Pap, ik heb binnenkort dat geld nodig.’ ‘Nu?’, had hij gevraagd. ‘Nee, over een paar weken’, had ik gezegd. ‘Ik geef je wel een seintje.’
En daar zit de pijn: ik had mij zo geconcentreerd op die hypotheekofferte, op de verkoper en al zijn fouten, op de splitsingsvergunning en de bezwaartermijn en op de notaris en haar wettelijke verplichtingen dat ik het allersimpelste vergeten was: zelf efkes vierduizend euro overmaken.

Goed, het was dinsdag half elf en ik had een probleem.

10: 30 uur tring-tring.
‘Met de hypotheekadviseur.’
‘Ja hoi met Zezunja, weet jij hoe dat zit met dat eigen geld?’
‘Ja, daar krijg je een rekening voor van de notaris en dan moet je dat geld overmaken.’
‘Moet dat geld er bij de overdracht per se zijn?’
‘Ja.’

10:45 uur, tring-tring
‘Met notaris 1.’
‘Ja hoi met Zezunja, mijn geld is nog niet bij jullie.’
‘Ja, ik heb het gezien, dan kan het tekenen niet doorgaan.’
‘Maar dat moet.’
‘Ja, maar het kan niet. Ik moet zelfs het hypotheekgeld, die 131 duizend euro, weer terugstorten naar de bank.’
‘Maar dat mag niet, want dan is mijn offerte weer gewoon een offerte in plaats van een geaccepteerde offerte en dat kost me handen vol geld.’
‘Dan zul je dat geld cash moeten meenemen. Of pinnen.’
‘Oef!’

11:00 uur tring-tring
‘Met het antwoordapparaat van Zezunja’s ouders.’
‘Ja, met Zezunja. Pap, jij bent met pensioen dus je hoort braaf thuis te zijn. Waar hang je uit? Ik heb je met spoed nodig.’

11:15 uur tring-tring
‘Met de moeder van Zezunja.’
‘Waaa, ik heb je gevonden. Ik heb een probleem. Ik heb vóór half twee vierduizend euro nodig.’
‘Dan moet je bij je vader zijn.’
‘Ja, maar waar ís die?’
‘Op de universiteit vermoedelijk.’

11: 30 uur tring-tring
‘Met de vader van Zezunja.’
‘Ja, hoi pap, met Zezunja. Ik heb een probleem. Ik heb die vierduizend euro binnen twee uur nodig.’
‘Oei.’
‘Ja, oei. Sorry. Beetje dom.’
‘Dan moet ik nu naar huis.’
‘Ja, sorry.’
‘En ik weet niet of ik zoveel op mijn rekening heb.’
‘Ja, shit. Sorry.’
‘En ik weet niet of ik het zo snel van mijn spaarrekening krijg.’
‘Ja, sorry.’
‘Voor wanneer moest dat, zei je?’
‘Voor half twee.’
‘Pff, dat is echt nog maar twee uur.’
‘Ja, sorry.’

11: 45 uur tring-tring
‘Met notaris 1.’
‘Met Zezunja, ik krijg het vermoedelijk voor elkaar, dus stort dat geld nog maar niet terug.’
‘Nou, het ziet ernaar uit dat het sowieso in de soep loopt.’
‘O.’
‘Ja, de splitsingsakte zou gepasseerd worden bij notaris 2 en dan konden wij de overdrachtsakte tekenen. Maar de splitsingsakte kon niet getekend worden, wegens het ontbreken van een volmachtsbewijs van de onderburen.’
‘Aaarg.’
‘Ja, het spijt me. Dat had de verkoper moeten regelen, maar dat heeft-ie niet gedaan.’
‘Maar ik kan toch proberen dat volmachtsbewijs vandaag nog getekend en wel bij notaris 2 te krijgen?’
‘Ja, maar dan moet notaris 2 die akte vandaag passeren. En dat moet dan nog vóórdat wij samen gaan tekenen. Ik betwijfel ten zeerste of dat lukt.’
‘Maar het moet. Écht, het moet.’

12:00 uur tring-tring
‘Met de onderburen.’
‘Hoi met Zezunja. Ik hoor mij hier helemaal niet mee te bemoeien, maar ik doe het toch omdat het me veel geld gaat kosten als het misloopt: zouden jullie binnen nu en een uur dat volmachtsbewijs willen tekenen.’
‘We hebben de conceptsplitsingsakte pas sinds gisteren in huis. We moeten hem nog lezen.’
‘Zouden jullie dat dan snel willen doen? En zouden jullie beiden níét de deur uit willen gaan? Jullie beider handtekening moet namelijk op het volmachtsbewijs.’
‘We zullen kijken wat we kunnen doen.’

12:15 uur tring-tring
‘Met notaris 2.’
‘Ja, u spreekt met Zezunja. U kent mij niet en ik bemoei me met zaken waarmee ik eigenlijk niets te maken heb, maar ik doe het toch want het gaat me veel geld kosten als ik het niet doe. Zou u voor half twee die splitsingsakte willen passeren?’
‘Maar ik heb geen volmachtsbewijs van de bewoners van de begane grond.’
‘Dat zal ik dan voor u regelen.’
‘Maar dat hoort de verkoper te doen.’
‘Ja, maar die doet het niet en ik ben straks de lul.’
‘Ik betwijfel of het u lukt.’
‘Maar het moet. Écht, het moet.’

12:30 uur tring-tring
‘Met notaris 1.’
Ja, hoi met Zezunja. Nou, ik denk dat het gaat lukken, maar half twee is wel erg vroeg.’
‘Het moet voor vijf uur gedaan worden.’
‘Kan ik uitstel krijgen tot half vijf?’
‘Ja, maar die splitsingsakte bij notaris 2 moet er wel voor die tijd door zijn dan.’
‘Okee.’

12: 45 uur tring-tring
‘Met de vader van Zezunja.’
‘Met Zezunja. Pap, gaat het lukken?’
‘Ja, ik heb genoeg op mijn rekening en ik kan het met spoed storten op de rekening van de notaris.’
‘Je hebt tot half vijf de tijd.’
‘Als ik het voor half twee op het postkantoor overgemaakt heb, is het er zeker om half vijf, zeggen ze.’
‘Nou, hard fietsen dan.’

13:00 uur tring-tring
‘Met de onderburen.’
‘Ja, met Zezunja, denken jullie dat het gaat lukken?’
‘Uhm, we blijken helemaal geen officieel volmachtsbewijs te hebben. Alleen een conceptakte.’
‘Oei.’
‘Ja, dus wij kunnen niets doen.’

13:15 uur tring-tring
‘Met notaris 2.’
‘Ja, met Zezunja. Ik bemoei me nog immer met iets waar ik niks mee te maken heb, maar de onderburen hebben alleen een concept. Ze kunnen niks tekenen.’
‘Dan moet ik ze dat even mailen.’
‘Ja, graag. Liefst nu.’

13:30 uur
‘Met het antwoordapparaat van de ouders van Zezunja.’
‘Pap, is het gelukt? Plies, bel me terug.’

13:45 uur
‘Met de vader van Zezunja.’
‘Met Zezunja. En?’
‘Nou het is gelukt.’
‘…pfff…’
‘Ik moest wel voordringen, want om iets voor half twee waren er nog heel veel mensen voor me.’
‘Fijn dat je dat gedaan hebt.’
‘Ja, dat voordringen vond ik misschien nog wel het vervelendste.’

14:00 uur tring-tring
‘Met notaris 1.’
‘Ja, met Zezunja. Het geld is bij jullie hoor.’
‘Hoe komen wij dat te weten? De boekhoudster is er niet en we krijgen zoveel geld gestort op een dag dat we dat uit ons saldo niet kunnen opmaken.’
‘-slik-‘
‘En we moeten wel zeker weten dat het er is.’
‘Kunt u de bank dan niet bellen?.’
‘Nou, dat weet ik niet hoor.’

14:15 uur tring-tring
‘Met notaris 2.’
‘Met Zezunja. Gaat het lukken met die splitsing?’
‘Ik heb net het officiële document gemaild, dus als de onderburen tekenen, kan ik passeren.’
‘Maar dan moet het ondertekende document nog wel bij u komen, neem ik aan.’
‘Ja.’
‘En hoe gaat dat dan?’
‘Dat weet ik niet.’

14:30 uur tring-tring
‘Met notaris 1.’
‘Hoi, met Zezunja. Notaris 2 zegt dat hij niet weet hoe het ondertekende volmachtsbewijs op tijd bij hem kan zijn.’
‘Kun jij het voor vier uur naar mij brengen?’
‘Als de onderburen dan hebben getekend wel.’
‘Dan fax ik het naar notaris 2 met de belofte dat hij officiële document met spoed krijgt. En dan moet hij passeren op de kopie. Als hij ons dan belt als het gepasseerd is, kunnen wij de overdrachtsakte tekenen.’

14:45 uur
‘Met notaris 2.’
‘Hoi, met Zezunja. Als de onderburen tekenen en ik vervolgens op de fiets spring en dat document naar notaris 1 breng en zij het naar u faxt, wilt u dan voor vieren passeren?’
‘Ja.’

15:00 uur tring-tring
‘Met de onderburen.’
‘Met Zezunja. Ik ben zo benieuwd hoe ver jullie zijn?’
‘We hebben getekend. We komen het zo langsbrengen.’
‘…pfff…’

15:30 uur tring-tring
‘Met notaris 2.’
‘Met Zezunja. Ik heb zojuist het volmachtsbewijs van de onderburen naar notaris 1 gebracht.’
‘Dat is mooi. Ik had niet verwacht dat het u zou lukken.’
‘Ik ook niet.’

15:45 uur tring-tring
‘Met notaris 1.’
‘Met Zezunja. Hoe ver zijn we? Heeft het zin om te komen om half vijf?’
‘Ja, ik kreeg net een telefoontje dat de splitsingsakte gepasseerd is.’
‘Wow.’
‘En het geld staat ook op onze rekening.’
‘Yes!’

Om half vijf zette ik mijn handtekening bij notaris 1. Daarna bood ze me een baan aan, omdat niemand op hun kantoor ooit zoveel in één dag voor elkaar had gekregen.
’s Avonds belde mijn vader me op om te zeggen dat hij me wel een oen vond.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Waarom huizen kopen helemaal niet zo leuk is (1)

Okee, ik heb mijzelf verplicht tot het herbeleven van de hel van een paar dagen geleden, dus hier zit ik: kopje koffie, sigaretje, alle hersencellen waarop staat ‘verdrongen trauma’s’ in het gelid en mijn vingertoppen stilletjes rustend op het toetsenbord.
Zoals beloofd, volgt later een mash-up van Lola rennt en 24, maar eerst heeft u wat voorkennis nodig. En ik zal u even voorstellen aan de hoofdrolspelers.

Vereiste voorkennis
Ik woon in een veel te duur en veel te klein huisje in de Amsterdamse Pijp (ja, ik ben én young én urban én professional). Ruim een jaar geleden woonde ik tweehonderd meter verderop in dezelfde straat in een véél groter en nóg véél duurder appartement. Ik was toen net gescheiden en verkeerde in opperste woningnood.
Omdat ik maar weinig opties en geld had, besloot ik mij niet langer uit te laten buiten en een eigen appartement te kopen. Dat werd het huisje waar ik nu zit.

Mijn appartementje is onderdeel van een pand waarin negen woningen zijn gemaakt en daar zit die verdomde aap die uit die mouw komt: het huis was toen ik het koopcontract tekende nog niet gesplitst. Met andere woorden: het bestond nog slechts uit een appartement op de begane grond en een bovendeel waar alle andere appartementen onder vielen. Gevolg: ik had het huis wel gekocht, maar de verkoper kon niet leveren totdat de splitsing van het bovendeel een feit was.

Gelukkig viel daar een mouw aan te passen (zonder aap deze keer), want ik kon een tijdelijk wooncontractje tekenen en alvast verhuizen naar mijn nieuwe huis. De overdracht van het huis zou dan later plaatsvinden, als de splitsing eenmaal rond was. Kortom: tot zover niets aan de hand. Ik verhuisde op 1 november 2004 en wachtte rustig af wat komen ging.

De appartementen naast mij en boven mij moesten nog verbouwd worden voordat de splitsingsaanvraag de deur uitkon, dat wist ik. Het verontrustte mij dan ook, dat ik in het voorjaar van 2005 nog steeds níéts had gehoord. Ik verlangde hartgrondig naar werkmannen die mij uit mijn slaap zouden houden, maar het bleef langdurig stil.
Inmiddels was ik flink zenuwachtig, want hypotheekoffertes en taxaties en zulks hebben maar een beperkte houdbaarheid. En erger: hoewel de kans bijzonder klein was, kon het hele feest ook nog steeds afgeblazen worden. Die splitsingsvergunning was namelijk beloofd, maar niet nog binnen. En ik wist: gemeentes beloven wel vaker dingen. Echt rustig slapen deed ik dus niet.

Naarmate de seizoenen verstreken, begon mij te dagen dat als ik die verkoper niet een loop tegen het hoofd zou zetten, ik met Sint Juttemis nog steeds in een ‘tijdelijke’ situatie zou verkeren. Met alle verlopen offertes en taxaties vandien.
Zo gezegd, zo gedaan. Ik bestookte zijn waarnemer met telefoontjes, zielige verhalen en keiharde deadlines. Ik schreef hem briefjes waarin ik hem vroeg beter te communiceren, confronteerde hem met beloftes en werd een nasty onderbuurvrouw.

Ik zal u de verdere details besparen, maar laten we het erop houden dat de verkoper en ik heel andere ideeën hebben over planning en organisatie en dat het wel héél duidelijk was dat niet zíjn hypotheekofferte op korte termijn zou verlopen. Hoe hard ik ook duwde en trok, de kar kwam nauwelijks in beweging.

Om een lang verhaal íéts minder lang te maken, jas ik de rest er in vogelvlucht doorheen. Op 30 november zou de hypotheekofferte verlopen. Als ik die niet zou accepteren zou me dat om allerlei redenen 17 duizend euro kosten, die ik er niet bij kon hypotheken. Met andere woorden: niet op tijd splitsen, betekende geen onderpand, betekende een nieuwe offerte, betekende met spoed ergens 17 duizend euro vandaan halen.
Op 29 november had de verkoper dan eindelijk alles geregeld. Dacht ik. Met andere woorden: 24 uur voor het verstrijken van de deadline kon er getekend worden. Dacht ik.
Tot zover de voorkennis. Wordt vervolgd.

Featuring
Me, myself and I – Hoewel ik mijn hand niet omdraai voor een aankoop van meer dan een ton, houd ik in het geheel niet van zakelijke beslommeringen, grote verantwoordelijkheden en niet te overziene cijferbergen. Om die reden was het masterplan om zelf alleen handtekeningen te zetten en het begrijpen van de hele kwestie aan ingehuurde anderen over te laten.

Verkoper – Een nimmer bereikbare en daardoor totaal gezichtsloze Zweed die in Londen woont en huisjes melkt in de Amsterdamse Pijp.

Waarnemer van de verkoper – Een nimmer bereikbare veertiger die op drie hoog in ons pand woont en niettemin nimmer bereikbaar is. Ontvangt veel duistere post voor zo mogelijk nog duisterder investeringsbedrijven. Houdt van werken tegen de deadline en is absoluut niet in staat diezelfde deadline op eigen kracht te halen. Moet alles doen en doet niks.

Onderburen – Vriendelijke arty farty yuppen van midden dertig met twee kindjes én een splitsingsvergunning van de begane grond (zij wél). Tot op het allerlaatste moment was niet duidelijk dat zij ook maar iets met de hele zaak te maken hadden.

Hypotheekadviseur – Een van de Martijns. Mijn cijfermatig brein. Degene die van zowel het gat in mijn hand, als mijn financiële desinteresse toch nog iets moois weet te maken. Degene die steeds opbelt om te zeggen dat het vijf voor twaalf is. Hij vertelde mij nog nooit zo’n dossier meegemaakt te hebben.

Notaris 1 – De notaris die mijn dossier voorbereidt, in de gaten houdt en grotendeels uitvoert. Een lieve doch strenge dame met wie ik de laatste maand intensiever contact onderhield dan met mijn moeder. Niet eerder heeft iemand zoveel tegen mij gezegd dat ik niet begreep. Ook zij vertelde mij nog nooit zo’n dossier meegemaakt te hebben.

Notaris 2 – De notaris van de verkoper met wie ik eigenlijk niets te maken hoor te hebben, maar die ik gewoon ben gaan bellen toen bleek dat de verkoper zijn zaakjes niet goed regelde. Deze meneer vertelde mij eveneens nog nooit zo’n dossier meegemaakt te hebben.

Ziezo, u bent geïntroduceerd. Het echte werk moet nog beginnen.
Lees hier hoe het verder gaat.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Huisje boompje beestje

Ten eerste:
Toen ik klein was, zei ik dat ik later nóóit zou trouwen.
En dat ik nóóit een huis zou kopen.
Niks voor mij.
November zes jaar geleden kocht ik voor het eerst een huis.
Vandaag precies vijf jaar geleden trouwde ik.
Een jaar geleden kocht ik voor de tweede keer een huis.
Vandaag kreeg ik dat huis eindelijk in bezit.
Afgelopen vrijdag zat ik bij een hypotheekverstrekker voor een derde huis.
Dat ik ga kopen met iemand met wie ik zo zou willen trouwen.

En verder:
1. De illustratie is mijn nieuwe bankpas. Via Webkim kwam ik erachter dat je die tegenwoordig zelf mag ontwerpen.
2. De pas is geldig tot 2010. Ik vind dat ik door deze pas al een beetje getrouwd ben. In elk geval tot 2010.
3. U herkent het plaatje misschien (klik).
4. Als u een uiterst bloedstollende Lola rennt vs 24 mash-up wilt lezen, raad ik u aan hier spoedig terug te keren teneinde het relaas van mijn helletocht van vandaag aan te horen.

Door de bank genomen:
– bezit ik per vandaag een huis
– ben ik door mijn bankpas vanaf vandaag voor vijf jaar getrouwd
– heb ik mijzelf verplicht morgen of overmorgen een stukje te schrijven over de werkelijk zinderende finale van mijn superaankoop

En dus:
Wordt vervolgd.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.