Ik adviseer: de schoolpleinmethodiek

Ik hoefde alleen maar even mijn fiets van het Amstelstation te halen, tien minuten fietsen, inpluggen, soundchecken, en voilà: raggen.
Dus ik fietste heel vr0lijk van lalala richting Oost.
Lalala. Lalala. Lalala.

Toen ik vanaf het Afrikanerplein het Krugerplein opreed, zag ik links een politiefuik.
Goh, wat grappig, dacht ik, ze hebben links een fuik. En rechts niet.
Lalala. Lalala. Lalala.
Uiteraard reed ik rechts.

Ik lalalade totdat die agent rechts achter die boom vandaan kwam.
Oftewel: rechts natuurlijk ook een fuik.
En als rechtgeaard Amsterdammer hoor je dat ook gewoon te weten. Links een fuik: dan rechts ook een fuik. Westeinde: links een fuik, rechts een fuik. Wibautstraat: links een fuik, rechts een fuik. Ceintuurbaan: links een fuik, rechts een fuik. Kamerling Onneslaan: links een fuik, rechts een fuik. Overtoom: links een fuik, rechts een fuik. Weteringschans: links een fuik, rechts een fuik.
Het is een heel simpel principe. En daarom was het leuk naïef. Alleen links een fuik? Mooi niet.

En mijn licht was kapot.
Ze hielden me halt.
‘Ik heb geen licht’, zei ik.
De aanval is altijd de beste verdediging.
‘En geen identiteitsbewijs’ voegde ik daaraan toe, nog immer in de aanval.

‘U heeft geen licht.’
‘En u heeft geen identiteitsbewijs’, herhaalde de agent
Ik keek hem zo onschuldig mogelijk aan. Naïef zelfs.
‘Dat zijn dan twee boetes’, zei de agent.

Ik wierp een blik op de agente naast hem. Dames involved. Dat maakt het altijd lastiger, zeker zo’n type Sandra Bullock met een brilletje op. Maar ik ging het toch maar proberen.

Ik zette mijn allerschattigste gezicht op, tanden bloot, lieve oogjes, hoofd een beetje schuin en ik zei: ‘Aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa?’ (denk hierbij aan het begin van de maandagochtendsirene).

Nou ja, en toen scholden ze de duurste bon dus kwijt. Heel simpel.
Mijn moeder trapt er allang niet meer in, in die aaaa.
De politie wel.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

De gave van het woord op een dag als vandaag

Nina (4) zei: “Het probeert te regenen.”
Het miezerde.

Luca (5) zei: “Papa, heb je nog een skelettenboek voor mij gekocht?”
We wachtten op opa in zijn kist.

Ik zei: “Aalbessen, slagroomtaart, paling, gourmetten met een schort voor en ’s avonds laat vanille-ijs.”
Mijn stem door de microfoon trilde niet.

Mensen zeiden: “Je kunt wel horen dat het je werk is.”
Crematies zijn niet echt mijn daily job.

Luca (5) zei: “Zezunja! Niet op die lijn staan! Anders ben je dood!”
Het was echt alléén maar het puntje van mijn hak.

Nina (4) zei: “Het is aan het rrrrrrrregenen.”
Dus vanavond zet ik de kachel hoog.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

De fondue-avond, of hoe behaagziek kun je zijn?

Linklijstjes vernieuwen is een lastige zaak. Het is als met feestjes en het daarbij behorende uitnodigingenbeleid. Ik hou er helemaal niet van om te moeten nadenken over wie wel en wie niet welkom is. Laat iedereen maar komen. Huis vol? Jammer. Dan maar stapelen. Ik ga écht niet beslissen dat Pietje niet mag komen. Zeker niet als Pietje toch wel van Jaapje hoort dat er een feestje is.

Ik wil mensen niet beledigen, niet op de tenen trappen, tenzij hard nodig of in geval van een heel stom iemand. Dan doe ik het graag. Maar wel rechtstreeks. Niet van: ik praat altijd heel leuk en lief met je en nu ga ik je lekker niet uitnodigen voor mijn feestje. Ik word zenuwachtig als ik zo’n die-wel-en-die niet-beleid moet ontwikkelen

Toen ik ging scheiden, riep ik daarom heel hard tegen iedereen: kies niet. Denk er in godsnaam niet te veel over na. Nodig ons allebei uit. Die wel, die niet, en wat vindt díé er dan van? Allemaal onzin.

Zo ook met die linkjes. Als mijn handen het toelaten, lees ik tientallen weblogs per dag. Afhankelijk van de toestand van diezelfde handen reageer ik op evenzoveel weblogs. En toch zijn die webloggers niet allemaal uitgenodigd voor mijn feestje. Ik wilde een linklijstje met alleen de allerleukste, allermooiste en allerorigineelste weblogs uit mijn favorietenlijstje. Zie het maar als een fondue-avond vs. een groot tuinfeest. Bij mij wordt op het Zijpad voorlopig alleen nog gefondued. Dat betekent dat bepaalde sites uit het zijpadenstelsel verdwenen zijn en mogelijk een paar mensen daardoor het gevoel hebben een heel leuk feestje te missen. En daar word ik dan weer zenuwachtig van.

Vandaar en daarom dit stukje.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

De drollen van Sloefke

‘Maar waar poept-ie dan?’, vroeg Dwarzand toen ik hem over Sloefke vertelde.
‘Volgens mij doet-ie dat op het balkon van de buren’, zei ik giebelig.
‘Oh, dan is het goed. Ga je geen kattenbak neerzetten?’
‘Jawel’, zei ik. ‘Ik moet mijn buren te vriend houden.’

Gistermiddag kocht ik kattengrid en wat voer. Sloefke had immers recht op meer dan een boterhammetje met ham als avondeten en het balkon van de buren als kattenbak.
Toen ik thuiskwam met de boodschapjes die ik notabene voor hém had gedaan, trof ik een paar drolletjes in de kamer. ‘Eigen schuld’, zei ik tegen mezelf. Had ik maar eerder een kattenbak moeten neerzetten. En dat van dat balkon van de buren was natuurlijk hartstikke wishful thinking.

Naast de drolletjes lagen wat kleren. Ik rook eraan, meende kattenpis te ruiken en duwde de kleren in de wasmachine. Ik fronste en keek Sloefke indringend aan. Ik wist dat er nu een opvoedriedel nodig was, hoewel Sloefke het eigenlijk niet kon helpen, want er was geen kattenbak. Maar toch. Nú was er wel een kattenbak en dús was een stevige opvoedriedel geboden.

Ik keek Sloefke boos aan, verhief mijn stem, priemde mijn wijsvinger in zijn richting en stuurde hem met drol en al naar zijn nieuwe kattenbak. ‘Kijk Sloefke, dit is JOUWWWW drol en die hoort HIEEEERin!’ Ik probeerde hem naar de kattenbak te laten kijken, maar hij draaide steeds zijn hoofd weer naar mij. ‘Mieuw’, zei hij en hij gaf me een kopje.

Niet veel later ging de bel en had ik ontzetttende spijt dat ik zo voortvarend zulke mooie postertjes op bomen had zitten prikken. Sloefke werd opgehaald.

Toen Sloefke weg was, ging ik zitten. Ik kon even helemaal niets meer. Ik was leeg. De kamer was leeg. Mijn oog viel op de kattenbak met drie drolletjes ter grootte van een stel aardbeien. Drolletjes die ik er godbetert zelf had ingelegd. A waste of kattenbak, dunkt me.

Ik stond op. Weg bij de kattenbak die me aan Sloefke deed denken.
Ik deed mijn dingetjes. Smeerde lusteloos een boterham als avondeten, zapte wat, constateerde dat er niks op tv was, draaide een muziekje, bladerde wat in de krant. Kortom: ik deed niks.

Terwijl ik niks zat te doen, kwam er ineens een zweempje poep in mijn neus. Het was slechts een zweempje, maar onmiskenbaar: poep.
Huh?, dacht ik. Hoe kan dat nou? De kattenbak staat op het balkon en de deur is dicht. Ik keek onder mijn bureau, onder de stoel, achter de kachel, op de stoel, in mijn bed: niks. Nergens niks.

Inmiddels was het zweempje ook weer even verdwenen, dus ik ging verder met niks doen. Na opnieuw een tijdje niks doen, was het er weer. Dat zweempje.
Getver!, dacht ik. Ineens vond ik mezelf heel zielig. Kat weg. Ik verdrietig. En dan: poep. Vieze, gore, smerige kattendrollen. Niet de lusten, wel de lasten. Da’s hartstikke oneerlijk.

Ik ging op de grond liggen, speurde het oppervlak af -wroem, wroem, onderzeeër- en snoof nog eens diep. Vervolgens kroop ik als een speurhond over de vloer, steeds maar snuivend. Fuck, wat was het goor. Naarmate ik een groter deel van de vloer met mijn lijf had gedweild, leek ik steeds dichter bij de bron van de geur te komen. Het zweempje werd een vieze, dikke, vette zweem en toen ik mijn ogen weer open deed, lag ik voor de wasmachine.

De kleren waarin ik een paar uur eerder kattenpis meende te ruiken waren zojuist gewassen met… juist, kattendrollen.
In de rubberen ring lagen twee kleiachtige drolletjes die zo-even het programma gemengde weefsels op veertig graden letterlijk glansrijk hadden overleefd. Uit de trommel steeg een lucht op die zijn weerga niet kent. Stel je tachtig kattenbakken in een Turks stoombad voor en je komt in de buurt.

Ik keilde de drolletjes in de plee, gooide het vakje voor wasverzachter nog eens goed vol en draaide de was opnieuw.
Ruim een half uur later, ik zat wederom helemaal niets te doen, kwam die zweem weer.
Ik brieste, verweet mezelf dat het tussen de oren zat, maar ging voor de zekerheid toch maar eens in de wasmachine kijken. En ja hoor: deze keer lagen er vier drolletjes in de rubberen ring. Ik werd gek. De geur in de wasmachine was werkelijk niet te harden en ik had het gevoel dat ik voor eeuwig en altijd achtervolgd zou worden door Sloefkes drolletjes.

Hoe dan ook, voor eeuwig of niet, die geur moest weg. Het idee de was uit de wasmachine te moeten halen om te controleren of Sloefke nog meer drolletjes had achtergelaten, maakte me zo misselijk dat ik besloot de gok opnieuw te wagen. Ik nam liever het risico veertien keer datzelfde wasje te moeten draaien en nog 172 drolletjes uit de rubberen ring te moeten graaien, dan dat ik al kokhalzend die stinkkleren aan een nadere inspectie zou moeten onderwerpen.

Nu, na een halve fles wasverzachter en vijf keer het programma gemengde weefsels op veertig graden, waarvan twee keer op de 44 minuten-stand, lijkt de zweem van Sloefkes drollen verleden tijd. En nog steeds ben ik helemaal niet blij dat ze weg is.

Om vrolijk te blijven, denk ik aan dat balkon van de buren.
En dat dat toch wel een goeie was.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.