De fondue-avond, of hoe behaagziek kun je zijn?

Linklijstjes vernieuwen is een lastige zaak. Het is als met feestjes en het daarbij behorende uitnodigingenbeleid. Ik hou er helemaal niet van om te moeten nadenken over wie wel en wie niet welkom is. Laat iedereen maar komen. Huis vol? Jammer. Dan maar stapelen. Ik ga écht niet beslissen dat Pietje niet mag komen. Zeker niet als Pietje toch wel van Jaapje hoort dat er een feestje is.

Ik wil mensen niet beledigen, niet op de tenen trappen, tenzij hard nodig of in geval van een heel stom iemand. Dan doe ik het graag. Maar wel rechtstreeks. Niet van: ik praat altijd heel leuk en lief met je en nu ga ik je lekker niet uitnodigen voor mijn feestje. Ik word zenuwachtig als ik zo’n die-wel-en-die niet-beleid moet ontwikkelen

Toen ik ging scheiden, riep ik daarom heel hard tegen iedereen: kies niet. Denk er in godsnaam niet te veel over na. Nodig ons allebei uit. Die wel, die niet, en wat vindt díé er dan van? Allemaal onzin.

Zo ook met die linkjes. Als mijn handen het toelaten, lees ik tientallen weblogs per dag. Afhankelijk van de toestand van diezelfde handen reageer ik op evenzoveel weblogs. En toch zijn die webloggers niet allemaal uitgenodigd voor mijn feestje. Ik wilde een linklijstje met alleen de allerleukste, allermooiste en allerorigineelste weblogs uit mijn favorietenlijstje. Zie het maar als een fondue-avond vs. een groot tuinfeest. Bij mij wordt op het Zijpad voorlopig alleen nog gefondued. Dat betekent dat bepaalde sites uit het zijpadenstelsel verdwenen zijn en mogelijk een paar mensen daardoor het gevoel hebben een heel leuk feestje te missen. En daar word ik dan weer zenuwachtig van.

Vandaar en daarom dit stukje.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

De drollen van Sloefke

‘Maar waar poept-ie dan?’, vroeg Dwarzand toen ik hem over Sloefke vertelde.
‘Volgens mij doet-ie dat op het balkon van de buren’, zei ik giebelig.
‘Oh, dan is het goed. Ga je geen kattenbak neerzetten?’
‘Jawel’, zei ik. ‘Ik moet mijn buren te vriend houden.’

Gistermiddag kocht ik kattengrid en wat voer. Sloefke had immers recht op meer dan een boterhammetje met ham als avondeten en het balkon van de buren als kattenbak.
Toen ik thuiskwam met de boodschapjes die ik notabene voor hém had gedaan, trof ik een paar drolletjes in de kamer. ‘Eigen schuld’, zei ik tegen mezelf. Had ik maar eerder een kattenbak moeten neerzetten. En dat van dat balkon van de buren was natuurlijk hartstikke wishful thinking.

Naast de drolletjes lagen wat kleren. Ik rook eraan, meende kattenpis te ruiken en duwde de kleren in de wasmachine. Ik fronste en keek Sloefke indringend aan. Ik wist dat er nu een opvoedriedel nodig was, hoewel Sloefke het eigenlijk niet kon helpen, want er was geen kattenbak. Maar toch. Nú was er wel een kattenbak en dús was een stevige opvoedriedel geboden.

Ik keek Sloefke boos aan, verhief mijn stem, priemde mijn wijsvinger in zijn richting en stuurde hem met drol en al naar zijn nieuwe kattenbak. ‘Kijk Sloefke, dit is JOUWWWW drol en die hoort HIEEEERin!’ Ik probeerde hem naar de kattenbak te laten kijken, maar hij draaide steeds zijn hoofd weer naar mij. ‘Mieuw’, zei hij en hij gaf me een kopje.

Niet veel later ging de bel en had ik ontzetttende spijt dat ik zo voortvarend zulke mooie postertjes op bomen had zitten prikken. Sloefke werd opgehaald.

Toen Sloefke weg was, ging ik zitten. Ik kon even helemaal niets meer. Ik was leeg. De kamer was leeg. Mijn oog viel op de kattenbak met drie drolletjes ter grootte van een stel aardbeien. Drolletjes die ik er godbetert zelf had ingelegd. A waste of kattenbak, dunkt me.

Ik stond op. Weg bij de kattenbak die me aan Sloefke deed denken.
Ik deed mijn dingetjes. Smeerde lusteloos een boterham als avondeten, zapte wat, constateerde dat er niks op tv was, draaide een muziekje, bladerde wat in de krant. Kortom: ik deed niks.

Terwijl ik niks zat te doen, kwam er ineens een zweempje poep in mijn neus. Het was slechts een zweempje, maar onmiskenbaar: poep.
Huh?, dacht ik. Hoe kan dat nou? De kattenbak staat op het balkon en de deur is dicht. Ik keek onder mijn bureau, onder de stoel, achter de kachel, op de stoel, in mijn bed: niks. Nergens niks.

Inmiddels was het zweempje ook weer even verdwenen, dus ik ging verder met niks doen. Na opnieuw een tijdje niks doen, was het er weer. Dat zweempje.
Getver!, dacht ik. Ineens vond ik mezelf heel zielig. Kat weg. Ik verdrietig. En dan: poep. Vieze, gore, smerige kattendrollen. Niet de lusten, wel de lasten. Da’s hartstikke oneerlijk.

Ik ging op de grond liggen, speurde het oppervlak af -wroem, wroem, onderzeeër- en snoof nog eens diep. Vervolgens kroop ik als een speurhond over de vloer, steeds maar snuivend. Fuck, wat was het goor. Naarmate ik een groter deel van de vloer met mijn lijf had gedweild, leek ik steeds dichter bij de bron van de geur te komen. Het zweempje werd een vieze, dikke, vette zweem en toen ik mijn ogen weer open deed, lag ik voor de wasmachine.

De kleren waarin ik een paar uur eerder kattenpis meende te ruiken waren zojuist gewassen met… juist, kattendrollen.
In de rubberen ring lagen twee kleiachtige drolletjes die zo-even het programma gemengde weefsels op veertig graden letterlijk glansrijk hadden overleefd. Uit de trommel steeg een lucht op die zijn weerga niet kent. Stel je tachtig kattenbakken in een Turks stoombad voor en je komt in de buurt.

Ik keilde de drolletjes in de plee, gooide het vakje voor wasverzachter nog eens goed vol en draaide de was opnieuw.
Ruim een half uur later, ik zat wederom helemaal niets te doen, kwam die zweem weer.
Ik brieste, verweet mezelf dat het tussen de oren zat, maar ging voor de zekerheid toch maar eens in de wasmachine kijken. En ja hoor: deze keer lagen er vier drolletjes in de rubberen ring. Ik werd gek. De geur in de wasmachine was werkelijk niet te harden en ik had het gevoel dat ik voor eeuwig en altijd achtervolgd zou worden door Sloefkes drolletjes.

Hoe dan ook, voor eeuwig of niet, die geur moest weg. Het idee de was uit de wasmachine te moeten halen om te controleren of Sloefke nog meer drolletjes had achtergelaten, maakte me zo misselijk dat ik besloot de gok opnieuw te wagen. Ik nam liever het risico veertien keer datzelfde wasje te moeten draaien en nog 172 drolletjes uit de rubberen ring te moeten graaien, dan dat ik al kokhalzend die stinkkleren aan een nadere inspectie zou moeten onderwerpen.

Nu, na een halve fles wasverzachter en vijf keer het programma gemengde weefsels op veertig graden, waarvan twee keer op de 44 minuten-stand, lijkt de zweem van Sloefkes drollen verleden tijd. En nog steeds ben ik helemaal niet blij dat ze weg is.

Om vrolijk te blijven, denk ik aan dat balkon van de buren.
En dat dat toch wel een goeie was.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Sloefke

Eerst had ik een hoog-sensitieve aanlooppoes. Nu heb ik Sloefke.
Sloefke is een aanlooppoes uit de buitencategorie. Hij kwam van heel ver aanlopen, verdwaalde en sloot zichzelf op. Dat is zelfs voor een aanlooppoes een beetje gek, kortom: buitencategorie dus.

Het ging als volgt.
Er werd op de deur geklopt.
De buurman van drie hoog.
‘Heb jij een poes?’, vroeg hij.
‘Nee’, zei ik.
‘Dat dacht ik al’, zei hij.
‘Wat dan?’
‘Er zit een poes in het trappenhuis en hij is van niemand hier in huis.’
‘Welke kleur heeft-ie?’, vroeg ik.
‘Rood’, zei mijn buurman.
‘O, die komt uit de tuin’, zei ik gelijk.
Er zit dagelijks een rode poes in mijn blikveld. Op het verzameldakje van de buurtpoezen.
‘Ik zou hem aan de achterkant eruit zetten’, voegde ik eraan toe.
Ik wilde de deur weer dichtdoen, toen de buurman zei: ‘Nou, dan moet-ie maar klimmen’.

Klimmen? Van drie hoog naar beneden? Haha. Wat dacht-ie wel niet. Haha.
‘Ik moet je teleurstellen’, zei ik, ‘ik denk niet dat een poes via de regenpijp naar beneden glijdt.’
Nu pas zag ik dat buurman nogal angstig keek.
‘Ben jíj een beetje handig met poezen?’, vroeg hij.
‘Nee, helemaal niet’, zei ik, maar tegelijkertijd kwam ik in beweging. Ik liep naar boven. Op de trap zag ik een grote, rode poes ineengekrompen in een hoekje zitten.
Ik pakte ‘m kordaat op en hij liet het goddank toe.
‘Ik zet hem wel op mijn balkon’, zei ik tegen de buurman. ‘Van daaruit kan-ie met gemak naar drie verschillende tuinen en het verzameldakje klimmen.’
De buurman keek mij niet-begrijpend aan.
‘Laat maar’, zei ik, ‘ik heb een aanlooppoes’.
De buurman keek nog waziger.
‘Nou, dag hoor’, zei ik, terwijl ik met de rode kat naar mijn balkon liep.
‘Dag’, zei de buurman. Ik meende een zucht van verlichting te horen.

Op mijn balkon ging de poes direct onder een stoel zitten. Bang, onder de indruk van de geuren, de kleuren en de geluiden die op hem afkwamen.
‘Ga maar, jochie’, zei ik. ‘Hup, ga nou maar.’
Maar de poes bleef zitten. In de hoogste staat van paraatheid.
Langzaam begon mij te dagen dat deze poes misschien wel niet op bekend terrein was. Dat het misschien wel niet de bewuste rode poes was.
En ja hoor, even later zag ik de rode buurtpoes het verzameldakje opkuieren. Hij leek niet eens echt op deze.

Daar zat ik dan. Met een overtollige poes. Een poes die geen enkele aanstalte maakte mijn balkon te verlaten.
Ik liep naar binnen. De poes liep achter mij aan. En stiekem hou ik daarvan: poezen die bij je willen zijn. Dat heb je niet met hoog-sensitieve aanlooppoezen.
Binnen ging hij een een beetje de leuke poes zitten uithangen. Hij ging miauwen, kopjes geven, kunstjes doen, rollen, spelen en uiteindelijk met vrome pootjes op zijn rug in slaap vallen. Tsja, en dan ben ik dus verkocht.

Dus daar zit ik nu. Verkocht. Met een overtollige poes.
Terwijl ik helemaal geen poes kan hebben. Ik ben veel te vaak weg
Maar ik heb hem al een naam gegeven: Sloefke.
En hij sliep vannacht naast me.
Op zijn rug. Oogjes dicht, pootjes bijeengevouwen.
Zich niet bewust dat ik uren naar hem keek.
Verliefd.

Ik heb dus een serieus probleem.
Zeg eens: hoe kom ik ooit weer van Sloefke af?

Trouwens: mijn lief denkt aan de hand van de foto te kunnen zien dat het een mannetje is, en zijn formaat in combinatie met zijn jeugdigheid doen dat ook inderdaad vermoeden. Wat denkt u?
En verder: ik noem mannetjespoezen steevast ook poezen, dus dan weet u dat daarover zeuren zinloos is.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Hoe mijn ouders een gemene tante van mij maken

Ik dacht dat ik het allemaal goed had gedaan. Mijn zus was jarig die gaf ik een zoethoudertje, een zak drop, tot het echte cadeau af is. Haar man was ook jarig, die gaf ik een mooi boek over The Ramones. Hun dochter, mijn liefste nichtje Nina (4), was ook jarig, die kreeg van mij een fiets voor Barbie. Haar leven draait namelijk om barbies, en sinds kort om fietsen.

Luca (5) was de enige die niet jarig was geweest en dat vond ik een beetje zielig dus kocht ik voor hem een Spongebob-snoepjesding.
Nog steeds vind ik dat ik alles goed heb gedaan.

Maar er is iemand in het gezelschap die daar anders over denkt.
Toen alle cadeautjes waren gegeven en uitgepakt, ging ik op het balkon zitten. Colaatje, zonnetje, Nina die de voetjes van Barbie in de trappers van de fiets wurmt. Alles goed, alles vredig.
Luca schoof naast me op de bank.
‘Zezunja, mag ik je wat vragen?’
‘Ja hoor, kom maar op.’
‘Wanneer krijg ík nou mijn cadeautje?’

Ik liet een stilte vallen en hapte naar adem.
‘Je hebt snoepjes gehad’, zei ik.
‘Ja, maar ik bedoel een cadeáútje.’
Ik liet weer een stilte vallen en dacht razendsnel na over wat gemeen was en wat niet.

‘Als jij jarig bent krijg jíj weer een cadeautje’, zei ik.
Luca keek met ernstige blik naar Haarlemse verten.
Even leek het alsof hij het antwoord afdoende vond. Hij draaide zijn hoofd al bijna weg om af te taaien, maar plots zag ik een gloeilampje oplichten in zijn ogen.
‘Maar Zezunja, weet je’, begon hij weer, ‘als Nina jarig is, krijg ík van opa en oma en van nonno en nonna óók altijd een cadeautje’.
Hij keek me indringend aan, dacht dat-ie me tuk had.

‘Ja, dat klopt’, zei ik, en ik keek hem op mijn beurt indringend aan.
‘Maar van mij niet.’

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Gipsfetisjisten

Ik ben verbijsterd.
Dus als ik een beetje verbijsterd klink, kan dat kloppen.
Want ik ben verbijsterd.
Echt flabbergasted.
Twee weken geleden had ik ineens 56 hits op een dag vanaf een link op een Duitse site.
Ik klikte via Nedstats op die Duitse link, maar moest me registreren.
Dat vond ik te veel gedoe voor het bevredigen van een beetje nieuwsgierigheid, dus ik liet het erbij.
De stroom Duitse bezoekers hield nog dagen aan en ik hield mijn te-veel-gedoe-stemming niet vol. Het fascineerde me mateloos. Vanwaar al die aandacht?
Vandaag trok ik de stoute schoenen aan en ik registreerde me.

Ik ben verbijsterd.
Het is een site voor gipsfetisjisten.
En aangezien ik twee foto’s van gips op mijn log heb staan, is mijn site als linkje in dat forum geflikkerd.
Nou jaaa…!
Ik ben verbijsterd.

Cyberpunker
Neu im CastGate
Registration Date: 07.12.2003
Posts: 7
(Ex-) Gipsträger /-in: ja – 2 mal sac
Lieblingsgips: bein

*Kuch*
Lievelingsgips.
Alle avatars zijn mannen of vrouwen met gips.
En er blijkt een levendige uitwisseling van gipslinkjes
Mensen zijn lyrisch over de linkjes.
Ook over de mijne.
Ik sta in drie forumtopics.
Een twijfelachtige eer.
Zucht.
Verbijsterd.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.