Uitputting is een middel

‘Ik vertrouw niemand nog’, zei een vriend laatst tegen me. ‘De kranten, het televisiejournaal, politieke partijen waar ik ooit op stemde, niemand.’
‘Je bent ge-gaslight’, zei ik.
‘Ge-wat?’
‘Ge-gaslight.’
Het woord gaslighting komt uit het toneelstuk Gas Light, dat beroemd werd dankzij een film met Ingrid Bergman uit de jaren veertig. In dat stuk zorgt een man dat zijn echtgenote begint te twijfelen aan haar waarneming en haar beoordelingsvermogen, doordat hij voortdurend kleine dingen in huis verandert – waaronder de sterkte van het gaslicht – en vervolgens ontkent dat ze veranderd zijn. De psychologie adopteerde de beeldspraak en definieert gaslighting als een vorm van mishandeling, meestal in relaties, waarbij de dader net zo lang manipuleert en desinformatie verspreidt tot het slachtoffer niet meer weet wat waar is en wat niet. In politieke context duidt het woord op het gekonkel en liegen van leiders en opiniemakers, waardoor de toehoorders alleen nog maar twijfelen aan vermeende waarheden.

Maar godzijdank bent u niet ‘ge-gaslight’, want u leest dit. U bent nog niet afgehaakt, moe gebeukt en murw geslagen door de constante stroom halve, hele en alternatieve waarheden die dezer dagen de ronde doen. U bent bereid om een krantenkop te lezen als ‘Homans ziet armoedecijfers dalen… ze is de enige’ en u staat er niet meer van te kijken dat de Trump-entourage op de vraag waarom de president zo vaak liegt, antwoordt: ‘Maar de president zegt ook veel dat wel waar is.’ Intussen zet u zich schrap voor opnieuw een fact check die korte metten maakt met een nieuwsbericht dat u gisteren nog geloofde. U sloeg deze krant open terwijl de epidemie van ‘wat kan ik nog geloven?’ om zich heen grijpt. U zocht dekking en laat uw ogen rusten op mijn woorden. Zak niet weg in apathie. Blijf erbij. Lees, luister, kijk!

Want uitputting is een middel. Het is niet alleen een gemoedstoestand waarin u de krant dicht laat, een blanco stem uitbrengt en elk gesprek over politiek zuchtend verlaat, het is ook een instrument van de onverschrokkenen, de nietsontzienden en de machtsbelusten. In een voortdurend veranderende onbegrijpelijke wereld heeft het bedwelmen van het volk met halve en hele leugens het effect dat u – het volk – tegelijkertijd alles en niets gelooft, en dat u denkt dat alles mogelijk is en niks nog waar. Zo beschrijft filosofe Hannah Arendt het effect van de leugenfabriek van totalitaire machthebbers in haar boek Totalitarisme. Verwarring als methode van de macht om de waarheid te ontdoen van alle waarde.

In de psychologie zal de therapeut adviseren om de gaslighter te mijden. Kun je scheiden? Vertrekken? De leugens negeren? Doen! Maar in het geval van democratisch gekozen politici die de waarheid herdefiniëren, is dat moeilijk. Je kunt immers niet weg. Bovendien is niet-verdraaide informatie essentieel voor het democratisch proces. Het tweede advies van een psycholoog zou dan zijn: verzamel contraverhalen. Zoek naar bronnen en ooggetuigen die je het vertrouwen in je waarneming, je gezond verstand en jezelf teruggeven. De vraag is: hoe doe je dat bij een clusterbombardement van al dan niet waarheidsgetrouwe berichten? U kunt niet zelf alle feiten checken, elke bron beoordelen en elk gerucht controleren. Gelukkig is daar iets op gevonden: gediplomeerde navorsers, ook wel journalisten genoemd.

Maar wat als u die ook niet meer vertrouwt? Omdat journalisten de plank wel eens misslaan. Omdat niet alle media zelfkritisch genoeg zijn. Omdat de Amerikaanse president het heeft over de meest onbetrouwbare mensen op aarde. Omdat de staatssecretaris van Asiel- en Migratie op zijn twitteraccount verschillende nieuwsmedia door een badje van afgrijzen haalt. Omdat uw gaslighters ook de nieuwsorganisaties in twijfel trekken. Omdat ze de boodschapper als dader aanwijzen, ook als dat niet terecht is.
Bedenk dan: journalisten zijn misschien soms de dader, maar serieuze nieuwsmedia zijn bovenal slachtoffer, want contraverhalen ridiculiseren is een symptoom, en de uitputting die volgt, is een middel.

Dappere lezer, u bent nog niet besmet, want u heeft deze laatste alinea bereikt. U zoekt contraverhalen, u informeert zich en u geeft niet op, want u weet: uitputting is pas een middel als u dat toelaat. Ik ben u dankbaar voor uw volharding. Houd stand en lees een krant!

Tweewekelijks op vrijdag verschijnt er een column van mij in De Standaard. Deze (eerste) column verscheen op vrijdag 10 februari 2017.

De Blije Bukster wordt vandaag 12 jaar

Elf jaar geleden plaatste ik dit verhaal voor het eerst. Sindsdien plaats ik elke 14 februari het verhaal van De Blije Bukster: een ode aan de dag dat ik mijn stoute schoenen aantrok, waarna ik mijn stoute veters en de perfecte man strikte. Wannes heette in 2005 op internet Yuri Maanzand

Vandaag twaalf jaar geleden was ik in staat van ex. En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri. Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij dezen: dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken; verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gíng ook nog even. Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, twaalf jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

Hoe ziet uw ik eruit?

Waarschuwing: het abstractiegehalte van dit stukje zal de pan uit swingen, maar dat moet u mij maar vergeven. Wij – u en ik – hebben het al vaker gehad over synesthesie en over de meest voorkomende kenmerken ervan (12, 3, 4) en ik heb ook al eens geschreven over andere aspecten van synesthesie, zoals het zien van pijn (5), maar dit keer gooi ik er nog een meta-laagje overheen.

Omdat ik onlangs een dag of acht op de bank lag met een nare griep en steeds dieper wegzonk in een soort ultrasupermetazelfreflectie, ‘zag’ ik de dingen ineens heel helder. Het was zo’n griep die je niet vloert, maar die je wel uitschakelt en dat zijn de ergste. Die dagen waarop je niet coherent kunt denken, lezen en schrijven, maar waarop je je ook niet slecht genoeg voelt om gedachtenloos onder zeil te zijn.

Op zulke dagen is alles buiten mij donker, en in mijn hoofd is het licht. Mijn ‘beleving’ begeeft zich – als ik het van buitenaf beschouw – als een lichtgevende verschijning in een hermetisch zwart vlak (zie foto hierboven), het licht is een soort visuele samenballing van mijn ‘zijn’. Hoe het er voor mij uitziet, is natuurlijk de omgekeerde versie van hoe het in werkelijkheid is: in mijn schedel reikt het licht niet ver, terwijl daarbuiten lichtbronnen te over zijn.

Het beeld van die lichte verschijning in het duister heeft twee ‘kanten’, er zijn dus eigenlijk twee beelden. 1. De buitenkant, wanneer ik mezelf, mijn gedrag en mijn handelingen observeer en daar iets van vind, en 2. de binnenkant, wanneer ik midden in mijn gedachten zit, nadenk, besluiten neem en handelingen en reflexen uitvoer.

De eerste dagen van zo’n griep kan ik nog zo nu en dan ‘naar buiten’ gaan. Ik kan mijn zorgen en gepieker (het licht) vanuit een helikopter (het donker) bekijken en ik kan er iets van vinden. Dat zijn de dagen dat ik beide beelden van mezelf nog kan oproepen: het beeld van de binnenkant en het beeld van de buitenkant. Het beeld met een perspectief vanuit het zwart en een beeld met perspectief vanuit het licht.

Dat klinkt alsof ik aan de paddo’s zit, of misschien als een metafoor, een poëtische beschrijving van mijn gemoedstoestand, maar het is letterlijk hoe mijn synesthetenbrein mij de perceptie van mijzelf presenteert, van mijn ik, mijn beleving, mijn zijn – anderen zouden het misschien mijn ziel noemen, of mijn geest.

Als je het plaatje hierboven in ogenschouw neemt dan ziet het er best gezellig, die gedachten van mij. En zo ervaar ik het beeld ook: prima schedelpannetje, knus, warm, gezellig, niks meer aan doen. Maar na een paar dagen griep is er nog maar één beeld: dat van de binnenkant. Ik trek dan als het ware vanuit het zwarte vlak naar het licht, en ik krijg een volkomen andere projectie van wat mijn beleving is. Midden in het ik, het zelf, die beleving, die geest, die ziel, blijkt alles eeuwigdurend wit, met steeds verspringende lijnen, draden, strepen en verbindingen. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Het zwart uit het beeld van buitenaf is verdwenen, daar is niets, maar dan ook niets meer van over. Wat ook betekent dat er geen weg terug is, vergelijkbaar met iemand die onder het ijs is geschoven en het wak niet meer ziet. De gezelligheid is weg, het warme licht is koud licht geworden, de beweging is in your face, en net als je denkt dat je doorhebt hoe de belijning loopt, is het beeld alweer veranderd. Alles kaatst af, ketst weg en verspringt, en geen seconde is er rust. Op momenten dat ik goed in mijn vel zit en samenhang ervaar, lopen de lijnen veelal gelijk met nog te volgen gedachten, maar na dagen van hoesten, slaaptekort, koortsige toestanden en nul komma nul aanspraak kan ik het gekets alleen maar machteloos aanschouwen. Ik weet niet meer waar het over gaat of wat ik ermee moet doen.

Nu ik weer beter ben en mijn ‘geest’ weer onder controle heb, weet ik niet meer hoe het voelde om opgesloten te zitten in het chaotische wit, zoals je ook van pijn vergeet hoe erg het precies was als het eindelijk achter de rug is. Maar ik weet nog wel hoe het eruitzag, ik, mijn zelf, en dat was vrij traumatisch.

Waar ik nieuwsgierig naar ben: ziet u uw ik ook? En bent u synestheet? Of ziet iedereen zijn ik? En hoe ziet uw ik er dan uit? Heeft die ook meerdere verschijningsvormen?

Mijn conservatieve hoofd en het uitgebeende bosschage

Terwijl ik dit schrijf kleppert er een specht tegen een boomstam en toen ik vanochtend opstond was een bosuil zijn territorium aan het afbakenen met zijn oehoegeroep, kortom: ik heb geen klagen. Toch is dat exact wat ik ga doen, want als het om natuur gaat ben ik behoudend; als er een dier in mijn tuin zit dan beschouw ik dat als een definitieve factor. Wanneer ik bijvoorbeeld een eekhoorn zie, heb ik vanaf dat moment een eekhoorn in de tuin, ontdek ik een egel, dan betekent dat dat ik een tuin met egels heb, en zie ik padden, dan zitten er dus padden in de tuin. Voor mij is dat dan geenszins van tijdelijke aard, voor mij is dat voorgoed.

De afgelopen week werd mijn wens om alles bij het oude te houden danig op de proef gesteld. Toegegeven, ik voel me gauw tekortgedaan als het op dieren aankomt. Ik herinner me dat ik in de zomer maandenlang uit mijn humeur was omdat de kleine vogeltjes uit het vroege voorjaar zich niet meer lieten zien. En Wannes en ik breken al de hele winter als het gevroren heeft het ijs in de vijver, omdat in onze verbeelding de kikkers die er een zomer lang van ‘bommetje’ deden nu ergens in de diepte hun winterslaap houden. Dat is een uiterst onzekere aanname, maar in onze conservatieve hoofden is het ondenkbaar dat we ineens een tuin zonder kikkers zouden hebben.

Ruim twee weken geleden kregen we een brief dat de domeinwachters de wilgen die schuin achter onze tuin groeien weg zouden halen, omdat er gevaar was voor vallende takken bij harde wind, bovendien waren de dennen ernaast ‘zieltogend’, dus die zouden ook gekapt worden. De brief was schrikken, want dat zijn de bomen van het eksternest. Het eksternest dat twee jaar geleden leidde tot een eindeloze strijd tussen eksters en kraaien. Het eksternest dat bij verschillende voorjaars- en najaarsstormen sneuvelde en vervolgens met grote volharding weer opnieuw in elkaar werd gevlochten. Het eksternest dat ik in mijn jaaroverzicht prees, omdat het in 2016 ineens wél alle stormen doorstond. Bovendien wonen er rechts eekhoorns, in de buurt van de te vellen wilgen en dennen. We weten niet exact waar ze hun hol hebben, want wij zien ze altijd alleen langs stiefelen op weg naar een voorraad, maar de mare gaat dat eekhoorns altijd in de nabijheid van een naaldboom wonen. Dus denken we dat ze bij de ‘zieltogende’ dennen wonen. De dennen die op de nominatie stonden om tegen de vlakte te gaan.

Omdat Wannes en ik allebei geruime tijd griep hadden, zagen we geen kans onze verontwaardiging om te zetten in protest, dus brak de ochtend van het cirkelzagen zonder pardon aan. De dag ervoor zag het er nog uit zoals op de foto hierboven (pijl bij het eksternest).

Na twee dagen toonde mijn koortsige hoofd mij dit:

Ik probeer het te aanvaarden. Het eksternest is weg, en hoewel de lage bomen er nog wel staan, is de ekstervergadering die daar elke ochtend plaatsvond tot nader order verplaatst naar andere oorden. Toen de bomen een paar dagen weg waren signaleerden we een eekhoorn, maar of dat betekent dat ze nog in de buurt wonen of dat we hier te maken hebben met een gewoontedier dat op termijn alsnog zijn conclusie zal trekken, is onbekend.

Ik probeer het te aanvaarden, hoewel ik niet meer naakt in mijn slaapkamer kan staan zonder de gordijnen dicht te doen, omdat we plotseling zichtbaar zijn voor mensen uit het domein. Ook zullen de prikkels uit het overvolle zwembad dat achter de omgehakte bomen ligt niet langer gedempt worden door de wind in de wilgen en het zomerse groen. Bovendien zal de ochtendzon in augustus de toch al hevige hitte op ons terras stevig aanwakkeren.

Maar praktisch als ik ben, tel ik mijn zegeningen. Ik was al niet zo heel dol op de eksters en kraaien, dus nou ja, good riddance. Daarnaast hoorden we altijd al spechten, maar sinds de kraaien en eksters hun interesse in het bomenrijtje achter de tuin hebben verloren, zijn het er veel meer. Kennelijk waren ze nogal bang voor hun grote broers. En stel dat de eekhoorns toch blijven (ik duim!), dan hoef ik niet langer aan te zien dat ze door de eksters en kraaien in een hoek gedreven worden. Dat scheelt veel bekommernis.

Toch vermoed ik dat mijn conservatieve hoofd de schok traag zal verwerken. Liggend in bed zal ik de associatie met het boek The wind in the willows missen. Zittend op het tuinbankje zal ik de prachtige contouren van de wuivende wilgen steeds opnieuw vergelijken met het uitgebeende bosschage van nu, en ik zal de ochtend prijzen dat ik niet meer op mijn horloge tik omdat de eksters te laat zijn voor de vergadering.

Jarig (met liefs voor mijn moeder)

‘Ik dacht nog: ik weet helemaal niet meer hoe je eruitziet’, zei ze.

Als je emigreert is schuldgevoel een tweede natuur. Je bent nergens bij, je kunt nergens mee helpen, je bent er niet op belangrijke momenten en niemand weet nog hoe je eruitziet. En dat is in elk geval niet hun schuld, dus go figure.

Mijn moeder zegt vaak. ‘Ik had er best bij willen zijn.’ Of: ‘Ik had je best wel willen verzorgen.’ Of: ‘Ik had je wel willen helpen.’ En hoewel de meeste zinsconstructies suggereren dat ík iets misloop, is het schuldgevoel over wat zij allemaal misloopt allesverzengend. Want als je vertrekt ontneem je mensen de kans om zich om je te bekommeren, om je te koesteren en om je te verzorgen. Als je ziek bent kunnen ze je niet soigneren, als je jarig bent niet feliciteren, en in het allerergste geval weten ze gewoon helemaal niet meer hoe je eruitziet.

43 jaar geleden kon zij niet zien aankomen dat ze zich zo onthand zou voelen op een dag als vandaag. Dus plaats ik vandaag, op mijn verjaardag, even een fotootje voor mijn moeder. Zodat ze in elk geval nog weet hoe ik eruitzie. Met heel veel liefs.

Vaste columnist bij De Standaard

Jarenlang hoopte ik het, een vaste column in een medium dat ik hoog had zitten. Ik schreef al veel columns voor grote media, maar vaak tijdelijk, of wel vast, maar dan in niche-media, of in media die niemand kende, of in media die net zo goed niet hadden kunnen bestaan, of of of.

De mensen die mij al langer volgen, weten dat ik me maar deels geaccepteerd voel in België, soms voel ik me eerder ‘getolereerd’ en af en toe voel ik me zelfs niet geaccepteerd. Een column in een Belgisch medium dat ik hoog had zitten, schreef ik in mijn hoofd dus al af: er zijn genoeg mensen minder controversieel door hun afkomst, dus waarom zouden ze mij daarvoor kiezen?

Ik gooide wel eens lijntjes uit, maar ik moet toegeven: leuren is niet mijn sterkste kant en als je dan ook nog eens het vermoeden hebt dat het vechten tegen de bierkaai is, dan neemt de neiging je bakens te verzetten toe. Dus verzette ik mijn bakens.

Tot ik gebeld werd. Of ik een vaste column in De Standaard wilde. Op de opiniepagina’s.

Nog tijdens het telefoongesprek vestigde zich een brok in mijn keel. Wat? Ik? Een Hollandse? Een vaste column? In een medium dat ik hoog heb zitten?

Ik zei ja. Obviously.

De volgende dag werd ik wakker als columnist van De Standaard. Het maakte me nerveus, zoals dat hoort als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen, en ik huilde nog eens van verwarring en blijdschap. Ik las de krant nog beter dan anders. En ik ijsbeerde, zoals dat soms gaat als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen.

Ik praatte met Wannes en mijn ouders. Ik las, luisterde en zag alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik sliep slecht, maar liet de roetsjbaan maar begaan. Het leek me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in je nieuwe land, in een krant die je zo hoog hebt zitten.

Na een paar dagen nam de nervositeit af. Ik kan dit, dacht ik. Ik kan columnist van De Standaard zijn zonder mezelf belachelijk te maken. Ik ben geen bedrieger, want dat zou veronderstellen dat zij zo dom zouden zijn mij te vragen. Terwijl: ik heb ze hoog zitten en ik duld geen inconsistentie, kortom: ik kan dit.

En toen werd Trump president. Ik heb mijn mening doorgaans vrij snel paraat, maar dit ging te snel, te hard, te anders. Dat het niet in orde was, was duidelijk, maar hoe ik het allemaal precies moest beschouwen, was me die eerste dagen een raadsel. Dus golfde de nervositeit weer op. What the fuck? Waarom hebben ze me net nu columnist gemaakt? Hadden ze me niet even een aanloopje kunnen geven? Kon ik dit wel? Mijn referentiekader zo snel aanpassen dat het de moeite waard zou zijn om juist mijn mening op de opiniepagina’s te lezen?

Nu praat ik dus opnieuw met Wannes en mijn ouders. Ik lees, luister en zie alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik slaap slecht, maar laat de roetsjbaan maar begaan. Het lijkt me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in een nieuwe wereld.

Inmiddels neemt de nervositeit weer af, maar niet omdat ik weet dat ik het kan. Dus op hoop van zegen dan maar: ik ben columnist van De Standaard. En belangrijker: ik vind dat ik daarmee mijn inburgeringsdiploma met vlag en wimpel heb gehaald.

Mijn invloedrijkste tieneralbums

Zomer 1989, 15 jaar.

Weer een spelletje met muziek. De vorige keer zocht ik de mooiste nummers bij dertig thema’s, deze keer de invloedrijkste albums tussen mijn 14e en 18e. Voor mij dus tussen begin 1988 en eind 1991. Ik schreef op Facebook aan Maarten en Seppe van wie ik het idee jatte (en die het zelf hier vandaan hadden): ‘Tien … godallemachtig … de helft van de platen die ooit belangrijk zijn geworden, heb ik toen ontdekt. Het is gekkenwerk. En toen ik 14 was luisterde ik ook nog eens totaal andere muziek dan toen ik 18 was. Maar ik zal verder niet morren, streng zijn en gewoon aan de slag gaan. Verdorie.’

Dat doe ik dus maar. Nog een paar disclaimertjes. Ik meen opgevangen te hebben dat je bij het einde van je middelbare school moet ophouden, daarom heb ik Pearl Jam, Red Hot Chili Peppers, Nirvana, Rage Against the Machine en zulks eruit gelaten. Officieel vallen die nét binnen die vier jaar, maar eind 1991 hadden die mijn hart nog niet of nauwelijks veroverd. Ook heb ik Prince niet genoemd, want ik draaide alle albums die hij tot dan toe had gemaakt helemaal grijs, dus dan zou de top tien in een keer vol zitten. Ik heb bij de video’s wederom vooral gelet op twee dingen: 1. Is het wel de uitvoering die ik zo mooi vind? en 2. Is de geluidskwaliteit aanvaardbaar? Daarom zitten er filmpjes tussen met belachelijk beeld: niet op letten alsjeblieft.
Ik probeer ook een ranking aan te leggen: hoe invloedrijk was de muziek? Bovendien doe ik mijn best om het meest invloedrijke nummer van de plaat te kiezen. Gedoe!

10. Niemand in de stad – De Dijk

Hoe? Via de vriend met wie ik op mijn zestiende ging samenwonen. Hij had toen ik in 1989 verkering met hem kreeg als een van de weinige vrienden een cd-speler én ook een paar cd’s (geen grapje: niet iedereen met een cd-speler had cd’s, want die waren rete-duur). Een daarvan was Niemand in de stad van De Dijk.

Wat? Ik herinner me dat ik De Dijk vanaf het begin af aan niet helemaal serieus nam. Ik vond het wat kinderlijke muziek, en als ik iets niet van plan was, dan was het wel mijn muzieksmaak in de omgekeerde richting ontwikkelen. Maar in het Amsterdam van eind jaren tachtig/begin jaren negentig kon je niet om De Dijk heen. Dus hoewel ik hun muziek zelf vrijwel nooit opzette, kroop de plaat toch onder mijn huid. Begin jaren negentig maakte ik voorgerechten en toetjes in een Amsterdams eetcafé. Dit was de plaat die de afstand overbrugde tussen mij en de hardcoregabberkoks met wie ik in de keuken werkte: dit vonden we allemaal goed.

En nu? Ook een plaat die je nooit bewust hebt opgezocht kan een deel van jezelf kan worden. Toch zet ik deze cd nog steeds nooit op.

Waarom dit nummer? Dit nummer is me waarschijnlijk het meeste bijgebleven omdat het een van de minst ‘grappige’ nummers is; niet de gimmick, maar de tekst en de muziek dragen het. En in het kader van ‘zestienjarige Maartje wil niet langer J.J. De Bom, maar Maartje wil Led Zeppelin’ trok een rechtgeaard bluesnummer me vermoedelijk meer aan dan de cartooneske teksten waar deze plaat verder vol mee staat.

https://www.youtube.com/watch?v=ShP3vJogxeQ

 

(meer…)