De impulsaankoop van een nieuwe identiteit

Gisterochtend ontving ik een mail. ‘Beste Maartje, Hartelijk dank voor je inschrijving voor de Dagcursus Natuurgids die start in september 2017.’ Ik schrok even. Natuurgids? Ik? Maar toen wist ik het weer. Dit weekend stuitte ik tijdens een rondhangsessie op Facebook op een intensieve cursus natuurgids. Na vijf minuten in dubio maakte ik het inschrijfgeld over. Daarna was de werkelijkheid weer tussenbeide gekomen en vergat ik mijn nieuwe toekomst. Totdat ik de mail ontving.

Ik … Natuurgids …
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik in mijn leven iets doe dat me een nieuwe titel oplevert, dan duurt het enige tijd voordat de ruimte tussen mij en de nieuwe titel volledig is opgelost. Zo ging dat toen ik ‘kok’ werd, later bij de titel ‘journalist’. en nog weer later toen ik me ‘schrijver’ ging noemen. Er was altijd het gevoel dat het over iemand anders ging als die termen gebruikt werden.

Dat geldt ook voor de titel ‘natuurgids’. De luisteraars die mijn Middagjournaal van gisteren over de dode kikkers hebben gehoord, zullen begrijpen: er zit op zijn zachtst gezegd wat ruimte tussen mij en de titel ‘natuurgids’.

Toegegeven, ik heb niet alles tegen. Ik heb een grote tuin, met kikkers, eekhoorns en uilen, en mijn ouders stopten mijn peuterarmpjes al in t-shirtjes van natuurbeschermers. Bovendien had ik geruime tijd de zorg over een cavia met darmkanker. Maar ik groeide op in Amsterdam waar ik verder alleen met natuur in aanraking kwam als ik mijn knikkers tussen de tegels vandaan peuterde en zo, per ongeluk, een pissebed vermorzelde. In het kielzog van mijn ouders leerde ik veel over de natuur en ik eindigde de middelbare school met prima cijfers voor biologie, maar in het dagelijks leven was natuur niet meer dan wat duiven die een nest bouwden op mijn balkon.

Ik … Natuurgids …
Terwijl ik de mail nog eens lees en doorklik naar het lesprogramma, realiseer ik me dat elke nieuwe weg die je inslaat vooral een afrekening is met de vooroordelen die je had. Want ik zie mijzelf niet als natuurvorser; de paden op, de lanen in. Met mijn afritsbroek en mijn camouflageklak. Maar ik zie mezelf wél de rest van mijn leven van wanten weten. Dat ik een veelheid aan vlinders en vogels herken, dat ik snap waarom het ene plantje ergens wel groeit en het andere niet. En dat ik dat dan ook nog eens goed weet te vertellen.

Ik kan het iedereen aanraden: de impulsaankoop van een nieuwe identiteit. Want als ik hier langer over had nagedacht dan had ik me waarschijnlijk laten leiden door de karikatuur van de man met de camouflageklak. Nu zette ik mezelf voor een voldongen feit, en wat blijkt: ik kijk enorm uit naar het determineertrommeltje, de loep, en het studeren op snavelvormen en bodemsoorten.

Ik zou willen zeggen: geef jezelf ook die kans. Doe deze week iets wat je nu nog niet ziet aankomen. Koop een weefgetouw of een clavecimbel, word rallyrijder of wijnbouwer. Kantel het beeld van jezelf en maak korte metten met alles wat je nooit voor mogelijk hield.

Deze column las ik op dinsdag 28 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

We hebben de kikkers vermoord

We hebben de kikkers vermoord, mijn man en ik. Tenminste, we houden het voor mogelijk dat we de kikkers hebben vermoord. Ze zijn in elk geval dood, en we mogen niet uitsluiten dat wij ze met al onze goede bedoelingen over de kling hebben gejaagd. We ontdekten het een paar weken geleden. Zes kikkers lagen op hun rug op de bodem van de ingegraven mortelbak die dienst doet als minivijver. Roerloos, met hun witte buiken omhoog, hun pootjes strak gespannen, alsof ze net de sprong van hun leven hadden gemaakt. Als je wel eens een bord kikkerbilletjes hebt gezien, weet je welke houding ik bedoel.

Eerst twijfelden we nog. Waren ze wel dood? Ik had eens gelezen dat je kikkers in winterslaap nooit uit de vijver moet vissen, omdat je daarmee het risico loopt dat ze sterven door het luchtdrukverschil. Maar was dit niet een heel merkwaardige winterslaap? Zo op hun rug? Met hun witte buik goed zichtbaar voor hongerige reigers?

Omdat we nogal stadse types zijn, googelen we ons meestal door de verzorging van ons natuurschoon. Onze zoekgeschiedenis is een aaneenschakeling van ‘ridderspoor zaaien wanneer?’ en ‘egel gebroken poot, wat nu?’ Maar die zoekmachine-ijver is waarschijnlijk het grote probleem. Zo nu en dan combineren we namelijk betrouwbare informatie met adviezen van mensen die maar wat uit hun nek lullen. En dan loop je dus het risico dat je je kikkers vermoordt.

Want over kikkers, winters en ijs doen veel verhalen de ronde. Inmiddels weet ik: je moet het ijs openlaten, maar als het toch dichtvriest, mag je het niet openbréken. En dat is wat wij een winter lang deden. Elke ochtend braken we het ijs. De trillingen en de luchtdrukverschillen die je zo veroorzaakt, zijn niet goed voor kikkers, en ik las zelfs ergens iets gruwelijks over knappende kwaakblazen. Sorry voor dat beeld.

Ook na de ontdekking van het kikkerkerkhof op de bodem wendden we ons tot het orakel van Silicon Valley met de vraag: zijn onze kikkers dood of liggen ze gewoon heel raar te slapen? Na wat klikken kwamen we tot de conclusie dat Google het ook niet wist. Er leken geen duidelijke regels voor de houding van een kikker als hij slaapt.

Zoals vaker als we de waarheid niet kunnen verkroppen, besloten we het probleem zichzelf te laten oplossen. Als ze nog in leven waren, zouden ze op een dag met hun witte kikkerbuiken en hun kwaakblazen fluitend in het gras naast de vijver zitten. Dat leek ons een prima vooruitzicht. Dus liepen we wekenlang met een ruime boog om de vijver heen, zonder goed te weten op welk teken we wachtten voor we weer zouden checken of de bodem nog bezaaid lag met dood vlees.

Gisteren, na een paar weken doen alsof de kikkers niet dood waren, kon ik er niet meer tegen, die poel des verderfs in het midden van de tuin. Omdat mijn man een sterkere maag heeft dan ik, rustte ik hem uit met pollepels en spaghettigraaiers en vanuit de verte keek ik toe. Daar lag hij, op zijn knieën, kikkers scheppend aan de oever van de mortelbak. Het duurde eindeloos en achteraf wilde hij niet vertellen hoe het was geweest, wat me geen goed teken leek.
Máár, zei hij, … er zit wel een watersalamander in de vijver.

Opgetogen namen we plaats achter de laptop, en we googelden: hoe houd je in hemelsnaam een watersalamander in leven?

Deze column las ik op maandag 27 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

Discriminatie is een systeemfout

Hier ten huize Luif ging de vlag uit toen ik de intro las van het opiniestuk ‘Vijf jaar undercover op de arbeidsmarkt’ (DS 21 maart) . Mystery calls mogen van onderzoeker Stijn Baert uit de koelkast om zo werkgevers die het niet zo nauw nemen met grondrechten en ethiek een grotere pakkans te geven. Onderzoekers die pleiten voor een systematische aanpak van discriminatie: dat zien wij hier graag!

Maar al bij de tweede kolom moest ik even pauzeren om de vlag uit de houder te halen, en tegen het einde van het artikel snoot ik bedroefd mijn neus in de wimpel. Te vroeg gejuicht. Deze wetenschapper pookte het vuurtje van de systeemrechtvaardiging weer eens flink op.

Zo schrijft hij dat vrijwilligerswerk op het cv, net als een hoog opleidingsniveau en een flink aantal jaren werkervaring, de ‘ideale manier is om discriminatie te ontlopen’. Lees ik dat goed? Te ontlópen? Alsof discriminatiebestrijding vooral een kwestie is van er een beetje omheen lopen, en achterstelling iets dat je kunt ontwijken door zelf maar wat beter je best te doen. Ook gaat hij volkomen voorbij aan de rol die discriminatie speelt bij het verwerven van de inhoud van dat cv. Bovendien heeft Baert het over vrouwen die minder gericht zijn op promotiekansen, alsof vrouwen geboren worden met een soort algemeen gebrek aan ambitie. Terwijl vrouwen zonder ambitie ook vaak het gevolg zijn van systeemrechtvaardiging.

Een veelzeggend onderzoek op dat vlak kwam van een wetenschapper die vrouwen en mannen een essay liet schrijven, waarna ze zichzelf met een geldbedrag mochten belonen voor het verhaal. De kwaliteit van de teksten bleek gelijk, maar de vrouwen betaalden zichzelf ongeveer een vijfde minder voor het artikel. In Baerts redenering hadden deze vrouwen niet de ambitie om meer te verdienen, terwijl het voor de hand ligt dat er sprake is van een cultuur waarin vrouwen zichzelf en hun werkzaamheden minder waard vinden.

De benadering van Baert sluit helaas volkomen aan bij het meritocratisch georiënteerde wereldbeeld van de centrumrechtse Vlaamse regering, waarin verliezers van het systeem dat toch grotendeels aan zichzelf te danken hebben en waarin het systematische beeld van grote groepen die worden achtergesteld wordt weggewimpeld met ‘niet alle verhuurders discrimineren’ en ‘Pamper­beleid moedigt allochtonen aan om in hun zetel te blijven zitten’.

Om dat wereldbeeld te kunnen keren, moet je willen inzien dat het systeem niet eerlijk is, dat groepen die jarenlang achtergesteld zijn niet allemaal per individu minder ambitie of cv-building tonen, maar dat ze door stereotypering, angst en verkeerde veronderstellingen minder kansen krijgen. En dat je niet altijd krijgt wat je verdient, maar vaak ook wat het systeem je gunt.

Het lijkt erop dat Baert dat patroon niet ontkent, want hij schrijft dat zijn bevinding dat ouderen, allochtonen en mensen die langdurig werkloos zijn moeilijker aan een jobgesprek komen, weinig verrassend is. Toch suggereert hij dat je je met een stevig cv en meer ambitie aan het systeem kunt ontworstelen, en zo discriminatie kunt ontlopen. Sterker, hij vindt dat je groepen ‘die er meer voor gaan’ niet mag bestraffen via quota of ‘andere vormen van positieve discriminatie’.

Zou hij niet beseffen dat die achterstelling juist het gevolg is van positieve discriminatie? Dat het de mannen, de mensen zonder buitenlands accent, mét een Vlaamse achternaam en zonder zichtbare handicap zijn, die al jarenlang positief worden gediscrimineerd? Dat alles wat we doen om dat recht te trekken een bijstelling is die het systeem hard nodig heeft?

Die geforceerde correctie is nodig, omdat de overheid al jarenlang geen ­hoge ogen gooit als het gaat om discriminatiebestrijding, omdat gelijkheid een grondrecht is en omdat elke vorm van ‘je hebt het aan jezelf te danken’ het systeemprobleem ontkent.
En tot slot: voor het zelfrespect van de verliezers. Want erger dan gewoon verliezen, is volkomen onverdiend verliezen en er dan ook nog de schuld van krijgen.

Deze column verscheen op vrijdag 24 maart 2017 in De Standaard.

Gekke Henkie en de paardenracepolitiek

Voor de verkiezingen spreken lijsttrekkers over breekpunten en verkiezingsbeloften, maar niet over de compromissen die ze nadien zullen sluiten. Maartje Luif roept op tot lef en rede.

Het is vaste prik: eerst trekken Nederlandse politici als een ware fanfare door de straten om rond te toeteren hoe verwerpelijk de plannen van collega’s zijn, en daags na de verkiezingen zitten ze met gevouwen handen naar elkaar te glimlachen, zich onderwijl het hoofd brekend over hoe ze in hemelsnaam met elkaar kunnen samenwerken zonder dat het woord ‘kiezersbedrog’ valt. De stemgerechtigde kijkt intussen naar een beroerd toneelstuk waarin de badguy zich ontpopt als diplomaat en denkt: ja maar, wacht even, ik ben toch gekke Henkie niet?

Want als de verhoudingen tussen links en rechts in Nederland al sinds de jaren 70 ongeveer gelijk zijn – rechts iets meer dan de helft van de zetels, links iets minder – en er altijd coalities worden gevormd die grote compromisbereidheid vergen, waarom spreken de lijsttrekkers dan voor de verkiezingen zelden over die compromissen? Waarom gaat het wel over breekpunten en verkiezingsbeloften, maar niet over de knieval die nodig is om de andere kant van het spectrum te bereiken?

In de journalistiek is er een mooie term voor: horse race journalism, renbaanjournalistiek. Het is het woord voor verkiezingsverslaggeving die focust op de partij die wint, in plaats van te berichten over het beoogde eindresultaat: een adequate vertegenwoordiging van alle kiezers en een regeerakkoord dat de ideeën van een coalitie van meerdere partijen, zo goed en zo kwaad als het gaat, verenigt. Het woord ‘paardenracejournalistiek’ wijst de journalistiek aan als schuldige van die versimpeling, en dat is niet onterecht, maar de politiek heeft ook boter op haar hoofd. Nadat zijn partij driekwart van de zetels in rook had zien opgaan, zei PvdA-lijsttrekker Lodewijk Asscher dat de kloof tussen burger en politiek wordt gevoed ‘doordat journalisten doen alsof het niet normaal is dat je gaat samenwerken, en doordat politici niet bereid zijn uit te leggen dat je compromissen moet sluiten’. Dat klinkt redelijk, maar intussen bleef hij zelf tijdens de campagne volhouden dat de miljardenbezuinigingen op zorg en sociale zekerheid goed waren voor het land, terwijl hij gewoon had moeten zeggen dat compromissen sluiten met de VVD niet altijd even leuk is.

VVD-leider Mark Rutte maakte het afgelopen zomer nog bonter, toen hij de campagne aftrapte met heuse excuses voor de verkiezingsbeloften die hij had gebroken. Er was aan de hypotheekrenteaftrek gemorreld, er was tóch geld naar Griekenland gegaan en die duizend euro, die hij elke werkende had beloofd, was er ook nooit gekomen. ‘Ik begrijp dat mensen daar boos over zijn’, zei hij deemoedig. Het was natuurlijk eerlijker geweest als hij had gezegd: ‘Luister, de PvdA en de VVD zijn niet uit hetzelfde hout gesneden, dus we moeten water bij de wijn doen. Daar spijt van hebben zou bespottelijk zijn’.

Mede door dat dreigende gezichtsverlies is het niet ondenkbaar dat de Nederlanders een gooi doen naar het wereldrecord ‘kabinet formeren’, dat nu nog in Belgische handen is. Er wordt immers alweer beweerd dat de grote winnaar op links, GroenLinks-leider Jesse Klaver, niet zou moeten aanschuiven in een kabinet met de VVD, omdat hem dan hetzelfde lot beschoren zou zijn als de PvdA. De kiezer zou hem afstraffen voor het feit dat hij compromissen moet sluiten, waarmee we de derde schuldige in dit verhaal hebben: zolang de kiezer liever op de renbaan zit in plaats van te luisteren naar een genuanceerd verhaal van geven en nemen, zal de politiek hem voor gekke Henkie houden. En hij zal niet kunnen ontkennen dat daarin een kern van waarheid zit.

Dit opiniestuk verscheen op zaterdag 18 maart 2017 in De Standaard.

Goedbedoeld seksisme

Twee dagen na Internationale Vrouwendag is het tijd om de scherven bij elkaar te vegen. Een dag waarop de aandacht meer dan anders uitgaat naar ongelijkheid mag dan geen overbodige luxe zijn, de vriendelijk bedoelde parade van powervrouwen die woensdag aan ons voorbijtrok, is schadelijk voor de goede zaak.

Een serieuze man complimenteer je niet met het woord ‘powerman’, hij zou je uitlachen, en terecht. Maar woensdag, de dag dat het om gelijkwaardigheid van man en vrouw moest gaan, vlogen de sterke vrouwen je om de oren. Waarmee de indruk ontstond dat al wat vrouwelijk en sterk is, en ook nog eens haar kans grijpt, boven het normale uitsteekt. Stel je voor dat we het mannelijk volksdeel een dag lang oprecht zouden vieren om de wijze waarop het als sterke powerman zijn kansen durft te grijpen, het zou een potsierlijke toestand worden.

Neem het bericht op Twitter waarmee de Leuvense politie woensdag de aandacht wilde vestigen op de gelijkheidsstrijd tussen mannen en vrouwen: ‘Onze vrouwelijke collega’s weten perfect hun mannetje te staan! #respect #internationalevrouwendag’. In deze tweet gaat veel fout. Zowel het volkomen misplaatste ‘vrouwen die hun mannetje staan’ als het ‘ons’ in dit verhaal impliceert een onontkoombaar mannelijk perspectief. Hoe goedbedoeld ook, het bericht van de Leuvense politie wekt de suggestie dat het wel een hele prestatie moet zijn dat een vrouw bij de politie opgewassen is tegen haar taak. Zozeer dat de mannelijke collega’s daar #respect voor hebben, zozeer dat dit het enige is dat ze kunnen verzinnen om Vrouwendag in de verf te zetten.

Had de Twitter-flik in kwestie zich een beetje verdiept in seksisme en de rol van stereotypering, dan had hij kunnen weten dat in een samenleving zoals de Belgische, waarin mannen en vrouwen relatief gelijkwaardig zijn, goedbedoeld seksisme vaak schadelijker is dan vijandig seksisme. Vijandig seksisme is doorgaans gemakkelijk herkenbaar, denk aan seksuele intimidatie of boodschappen van het kaliber ‘kuthoer, ga terug naar het fornuis!’ Zowel mannen als vrouwen keuren dat soort ongelijkheid veelal af.

Goedbedoeld seksisme daarentegen is een wolf in schaapskleren die zich invreet in de maatschappij. We prijzen vrouwen om stereotiepe eigenschappen zoals warmte en zorgzaamheid en mannen om hun kracht en potentie, en we stellen beschermend gedrag door mannen, als waren alle vrouwen poppemiekes die begeleiding en betutteling verdienen, bewust of onbewust op prijs. Omdat deze systematische ongelijkheid voor beide partijen voordelen heeft – de vrouw kan haar koffer laten dragen en de man zijn spierballen laten rollen – wordt het niet alleen zelden herkend als seksisme, het is zelfs een fenomeen dat mannen én vrouwen aanmoedigen. We houden met zijn allen de systeemfout hartstochtelijk in stand.

Onderzoekers wijzen erop dat vrouwen die overdreven complimentjes krijgen uit mannelijke hoek vervolgens slechter gaan presteren en onzeker worden. Vrouwen die zich ook nog eens ontworstelen aan het predicaat ‘warm en zacht’ roepen onevenredig veel weerstand op, terwijl vrouwen die zich graag laten bijstaan door een man juist op onverbloemde adoratie kunnen rekenen. De man vertegenwoordigt macht en kracht, de vrouw warm en zacht, en beide partijen worden daarvoor voldoende beloond om niet tegen te sputteren.

De vrouwendagtweet van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) sprak in dat opzicht boekdelen. ‘Topvrouwenteam op mijn kabinet vandaag extra in de bloemetjes gezet!’ Ook hier een en al goede bedoelingen, maar de suggestie dat een vrouw zo warm en zacht is dat ze bloemetjes verdient is hardnekkig, en de foto erbij laat niets te raden over: vijf dames met een roos in de hand, minzaam glimlachend, gegroepeerd rond hun baas die wijdbeens in het midden staat. Ook hier geldt: draai de rollen om en stel je voor dat een ‘topmannenteam’ elk met een roze bloem, glimlachend om een vrouw heen zou staan, het zou lachwekkend zijn.

Omdat goedbedoeld seksisme diep verankerd zit in onze cultuur en maatschappij en ook nog eens veelal op onbewust niveau plaatsvindt, zit er niks anders op dan onszelf een geweten te schoppen. Als vrouwen voortaan zelf hun koffers dragen en mannen de neiging onderdrukken om complimenten te verpakken in pasteltinten, dan zijn we al een heel eind. En mochten de hoeders van de wet zich nog wat inlezen in de achterliggende mechanismen van seksisme, dan is de schade na de volgende Internationale Vrouwendag misschien te overzien. Want met goede bedoelingen en lieve meisjes dempen we de gracht.

Deze column verscheen op vrijdag 10 maart 2017 in De Standaard.

NB De staatssecreatris maakte overigens vlek op vlek door te reageren met onderstaande tweet. In zijn universum vinden vrouwen karten en lasergamen uiteraard heel vervelend. De meeste vrouwen die ik ken zouden kartend lasergamen dan weer geweldig vinden.

Gebakken lucht

Ik verkoop gebakken lucht, te weten, mijn gedachten. In een temperatuur van ongeveer 37 graden smoor ik mijn hersenspinsels, vervolgens laat ik ze wat sudderen en als ze gaar zijn maak ik ze tastbaar door ze in 26 letters op een stukje papier te gieten.

De eerste keer dat ik mijn gedachten verkocht, voelde het alsof ik iemand had opgelicht. Ik was 19 jaar en een opinietijdschrift vroeg me een stukje te schrijven over mijn generatie, de zogenaamde Generatie Nix. Toen ik hoorde dat ik er 50 gulden, ongeveer 1000 frang, voor zou krijgen, viel ik van mijn stoel. 50 gulden? Voor iets wat ik leuk vond om te doen? Iets wat ik misschien ook had gedaan als niemand het had gevraagd? En dat zou dan evenveel geld opleveren als écht werk? Ik vond het onvoorstelbaar. Het was alsof ik betaald kreeg om in bad te zitten, een krant te lezen of een uurtje met de poes te spelen; dingen die iederéén deed en waarvan het in het geheel niet logisch leek er geld aan over te houden.

Een paar weken later stond mijn verhaal in het tijdschrift en er verscheen een bedrag van 50 gulden op mijn rekening. Mijn dubbelhartigheid over die gang van zaken swingde de pan uit. Enerzijds wilde ik van de daken schreeuwen: kijk, mensen willen mijn gedachten afdrukken en er ook nog voor betalen, hoe is het mogelijk? Anderzijds dacht ik: niemand mag dit weten, dit is te bizar voor woorden. Mijn oud-collega’s in het verzorgingshuis moeten hiervoor werken en ik hoef alleen wat te denken. Zo beschamend!

Niet lang daarna begon ik als student aan de School voor Journalistiek. Je zou veronderstellen dat ik daardoor wel gewend raakte aan het idee dat ik mijn inkomen bij elkaar zou scharrelen met denkwerk, maar niets is minder waar. Toen ik voor het eerst een idee voor een artikel verkocht, voelde het – net als de eerste keer een column en de eerste keer een half boek – alsof ik de boel belazerde.

De jaren verstreken en elke keer dat ik mijn gedachten in bundeltjes alfabet wist te slijten, keek ik ongemakkelijk naar de punten van mijn schoenen. Natuurlijk realiseerde ik me steeds vaker dat de waarde van mijn denkwerk zit in de tijd die ik heb besteed aan lezen, aan taalvaardigheid, aan schoondenken, aan schrijven, schrappen, herschrijven en nog meer schrappen. Toch kon ik me regelmatig niet aan de indruk onttrekken dat ik mijn vrije tijd liet sponsoren.

De ambivalentie werd nog groter toen ik leerde onderhandelen. Dan bood iemand 200 euro voor mijn gedachten en dan wist ik: hier moet ik 250 euro van proberen te maken, of zelfs 300. Dat voelde raar, om niet te zeggen ronduit belachelijk. Natuurlijk doe ik research en besteed ik tijd aan het product dat ik lever, maar het is niet vergelijkbaar met de meubelmaker die kan zeggen: het hout en de schroeven kostten dit, en mijn uurloon is dit, dus voilà, hier heb je de prijs. Kennis vergaar je immers een leven lang, letters zijn gratis en ze in de juiste volgorde zetten kost op zich niet eens zoveel tijd. Nee, het is dat denkwerk, die gebakken lucht, die vermaledijde ontastbaarheid, die de prijs opdrijft.

Aan mijn gebakken lucht per kilo, moest ik denken toen ik las over de ruimbetaalde adviesfuncties die onze politici bekleden bij allerhande organisaties. Ik vroeg me af of er iemand bij zat die in de auto naar huis met schroom probeert vat te krijgen op het idee dat hij zijn gedachten omzet in harde valuta. Zou een van die dure adviseurs wel eens in zijn schedelpannetje roeren, net als ik, en beseffen dat de ongrijpbaarheid van wat we doen nederig zou moeten stemmen.

De tekst die zojuist in geluidsgolven uw oor in trilde, bedacht ik terwijl ik stond te koken. Met die tekst betaal ik de tijd die ik nodig heb om nieuwe gedachten te bakken, die ik ook weer verkoop. En dat is waar mijn bescheidenheid begint: iedereen denkt, iedereen heeft gedachten, iedereen staat te koken, maar mijn gedachten zijn van kostwinnend niveau? Ben je gek! Je zou van minder ootmoedig worden.

Deze column las ik voor in de podcast De Maatschappij van Radio Spindokter op donderdag 8 maart 2017.

Luister:

De pijn van de hardwerkende Vlaming

De hardwerkende Vlaming is ziek, langdurig ziek. De favoriete mascotte van politici die de wereld indelen in hardwerkende en minder-hardwerkende mensen heeft het moeilijk, want ze prijzen hem om zijn harde werken, terwijl hij al maanden thuiszit. Zijn lichaam achter zich aan slepend, zijn dagritme naar de vaantjes, de verhouding met huisgenoten onder spanning en last but not least, overmand door zorgen omdat hij moet rondkomen van hooguit 60 tot 80 procent van zijn normale inkomen.

Het klinkt als een grap, maar de werkelijkheid is dat één op de tien Vlamingen langdurig ziek thuiszit. Ruim een derde van hen kampt met psychische klachten. Volgens een recente ondervraging ervaart 10 procent van de Vlamingen te veel stress op het werk en hebben zo’n 280.000 mensen burn-outsymptomen, een kwart meer dan drie jaar geleden. Slechts de helft van de Vlamingen vindt zijn job werkbaar en Belgen blijven veel vaker dan andere Europeanen naar hun werk gaan als ze ziek zijn.

Een van de belangrijke risicofactoren voor een burn-out is plichtsgetrouwheid. Mensen die hun werk erg serieus nemen, komen sneller in de problemen dan zij die de kantjes er vanaf lopen. En kijk, daar herkennen we hem in, de hardwerkende Vlaming. De vleesgeworden verkiezingsslogan is volgens de opportunisten de maat der dingen, maar intussen ligt hij in foetushouding in bed, gordijnen dicht, hopende zichzelf en zijn gezondheid terug te vinden.

Ik weet wat hij voelt, die hardwerkende Vlaming, ooit was ik ook zo’n handen uit de mouwen stekende middenklasser die ten onder ging aan haar ijver. Maandenlang barstte ik in tranen uit als iemand me vroeg hoe het met me ging, omdat ik geen flauw benul had hoe het met me ging. Ik wist niet eens waarom ik huilde. Mijn burn-out vond plaats onder andere omstandigheden, maar één ding hebben de hardwerkende Vlaming en ik gemeen: hij wordt, net als ik destijds, geacht zich te vermannen. Doe een das om, recht je schouders.

Handenvol geld kostte het om mij met duurbetaalde hulptroepen een beter mens te maken. Op dagen dat ik uit alle macht de scherven van mijn leven bij elkaar veegde, kreeg ik ambtelijke brieven met vragen of waarschuwingen van controleurs en raadgevers. Maandelijks probeerde ik in een kil kantoor aan een vreemde vrouw stamelend het onuitlegbare uit te leggen: waarom de wervelwind die door lijf en leven raasde nog steeds niet was gaan liggen. Tegelijkertijd werd alles in stelling gebracht om mijn weerbaarheid en mijn levensstijl aan te passen, terwijl aan de arbeidsomstandigheden niets werd gewijzigd en mijn collega’s eveneens bij bosjes omvielen.

Ziedaar de situatie van de hardwerkende Vlaming. Hij dient als modelburger en als het hem niet lukt om op commando zijn pirouette te draaien, wordt er aan hem gesleuteld tot hij wel dat Duracell-konijntje is waar ze hem voor houden.

De simpelen van geest krijgen de wind in de rug van de marktleider van de inkomensverzekeraars, AG Insurance. Die zet 175.000 verzekerden voor het blok: of je kiest voor een beperkte dekking en dan sturen we consultants – consultants! – op je af, of je houdt onbeperkte dekking maar dan wordt de premie veel hoger. In beide gevallen heb je langdurig slechts 60 tot 80 procent van je inkomen; voor veel mensen een ware aderlating. Dus hoewel we hier te maken hebben met een epidemie die haar weerga niet kent, krijgt elk individueel slachtoffer te horen: ‘Zet jij eens even gauw weer je leven op orde! En wees spaarzaam!’

Het is een vorm van ‘blaming the victim’, ook wel schuldomdraaiing genoemd. Een fenomeen dat volgens wetenschappers de kop opsteekt wanneer we niet kunnen aanvaarden dat de wereld onrechtvaardig of onoverzichtelijk is. Wie het ideaalbeeld verstoort, krijgt de schuld: had hij maar beter in het plaatje moeten passen.

De plannen van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) om bedrijven te beboeten die geen inspanningen leveren om langdurig zieke werknemers weer aan het werk te helpen, zijn een stap in de goede richting. Maar een minister van een partij die bij uitstek denkt in hardwerkende en minder-hardwerkende Vlamingen zal niet bij machte zijn de complexiteit van het probleem te zien en het slachtoffer uit de wind te houden.

Deze column verscheen op vrijdag 24 februari 2017 in De Standaard.