Omdat vrijheid lucht in je hoofd geeft

Boswachter Floris uit Breda in Noord-Brabant liet gisteren via sociale media weten dat hij een illegale boomhut in zijn bos door de vingers zou zien. Hij schreef: ‘Soms is het gewoon heel erg goed om dingen te doen die niet mogen.’ De boswachter had ook een foto verspreid en een afbeelding van de plastic brief die hij op de hut had gespijkerd.
‘Beste Hutbewoners, Wat hebben jullie een ontzettend mooie hut gemaakt! Eigenlijk mag het hier niet, maar de boswachter laat hem staan als jullie je hieraan houden: bouw met natuurlijke materialen, gebruik alleen takken die op de grond liggen, ruim je afval netjes op, haal schommels en ladders weg, en bouw niet hoger dan anderhalve meter. Zijn laatste voorwaarde was: ga vooral heel veel buitenspelen!

Er kwam lucht in mijn hoofd, want wat is het heerlijk als dingen gewoon mógen. En hoe mooi zou het zijn als we wat vaker zouden horen: ga je gang! Doe maar! Áls je maar buitenspeelt!
Ik weet dat België bij uitstek het land is waar men graag dingen door de vingers ziet, maar juist buitenspelen wordt nogal bemoeilijkt. Zo is het park achter mijn huis om negen uur ’s avonds gesloten, ook in de zomer. Dus als je na de afwas denkt: het is nog drie uur licht, laten we een wandeling maken, dan kan dat niet meer.

Of een ander voorbeeld: zwemmen in open water. Mag nergens, tenzij het is aangegeven. En het is alleen aangegeven in een handvol provinciedomeinen of andere recreatiegebieden. Terwijl ik veel liever ergens mijn fiets in de berm zet en in het water plons, dan dat ik op een aangewezen mini-strandje tussen honderden anderen in pipi-warm water moet zwemmen.

Natuurlijk zijn er praktische bezwaren, maar die had boswachter Floris ook en die loste hij op met zijn voorwaarden. Omdat het geen kwaad kan, omdat vrijheid lucht in je hoofd geeft, en omdat een verbod een middel is en geen doel op zich.

Nu kunt u zeggen: ja maar dan gaat iedereen dat doen! Dan gaat iedereen zomaar boomhutten bouwen, en dan gaat iedereen in de schemering wandelen en zijn fiets in de berm zetten voor een plons. Maar dan onderbreek ik u even: dat argument noem je een hellend vlak en dat kán een geldig argument zijn, maar vaak is het dat niet. Bovendien is het soms goed om je pas druk te maken als daar aanleiding voor is. Oftewel: mocht heel Leuven plotseling in de Dijle dobberen, dan is het vroeg genoeg om ons af te vragen of er grenzen zijn.
Tot die tijd zou ik willen zeggen: laat me struinen, laat me zwemmen, laat me vrij zijn.

Dit Middagjournaal las ik op 15 september 2017 voor in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1.

 

Ik hou van jullie

Vanochtend had ik een discussie op Twitter. Het was zeven uur, mijn koffie stond koud te worden naast mijn scherm, en terwijl mijn vingers over het toetsenbord raasden, dacht ik aan de ochtenden vroeger, toen ik mijn afkeuring nog tegen de krant prevelde, en mijn gebrom slechts werd opgemerkt als er toevallig nóg iemand aan de onbijttafel zat. Aangezien de meeste mensen met wie ik mijn ontbijt deelde redelijk gelijkgestemd waren, leidde mijn gemiezemuis zelden tot een ochtendlijk debat.

Maar in het huidige tijdsgewricht heb ik dus nog voor het ochtendgloren meningsverschillen over jarendertigtaal, de verantwoordelijkheid van links en de effectiviteit van emoties.

Veel mensen hebben mede om die reden een hekel aan sociale media. Het zou polariseren, het zou de wereld verharden en het zou de mensen navelstaarderig maken; nog slechts geïnteresseerd in de haren op de arm van hun selfie.

Hoewel ik die effecten niet ontken, hoor ik niet bij die mensen. Ik heb geen hekel aan sociale media. Integendeel. Ik denk niet dat ik ooit zóveel geleerd heb als de afgelopen tien jaar op Twitter en Facebook.

Vroeger leerde ik door te studeren, door de krant te lezen, boeken, tijdschriften. Door naar actualiteitenprogramma’s te luisteren en te kijken, en door te praten met de mensen om mij heen die naar dezelfde actualiteitenprogramma’s luisterden en keken. Ik leerde daar veel van, zeker, maar ik leerde traag en inefficiënt. Nu leer ik de hele dag door, met een ongezien scala aan opties. Ik word geattendeerd op stukken in buitenlandse kranten, ik zie verfrissende documentaires die ik anders geen blik waardig had gekeurd, ik word bijgepraat over onderwerpen waarvan ik voorheen niet besefte hoe belangrijk ze waren, en honderden mensen houden mijn gedachten scherp door kanttekeningen te plaatsen bij mijn meningen, emoties of analyses.

Natuurlijk zijn er zeikerds en zuigers, schelders en schoften die je met hun drogredenen en schuttingtaal om de oren komen slaan. Maar daar zijn knopjes voor, waarmee je ze zacht kunt zetten. Of uit. In die zin is er niet veel veranderd ten opzichte van vroeger: aan het ontbijt duldde ik ook geen zeikerds, zuigers, schelders en schoften.

Ik zeg niet dat iedereen deze manier van zelfstudie zou moeten ambiëren, want ik kan me best voorstellen dat je niet graag vertoeft in een bibliotheek met een hoog stoorzendergehalte, hoe imméns die bibliotheek ook is. En een groepsgesprek of een interessante lezing waarin je soms kordaat een saboteur moet buitensmijten, is ook niet ideaal. Dat begrijp ik allemaal.

Maar als je afgeeft op sociale media, ga je voorbij aan mensen zoals ik, die vroeger maar de helft wisten van wat ze nu weten, en die in plaats van te brom-beren boven hun krant, de dag beginnen met een goed gesprek over dingen die ertoe doen, met mensen die ertoe doen, in een wereld die ertoe doet.

De streetcredibility van een koekblik

Ik woon langs een drukke weg, in de buurt van een nog drukkere weg, op een paar kilometer afstand van een klaverblad aan drukke wegen. Als er kaartjes van fijnstofconcentratie in de krant verschijnen is mijn omgeving altijd vrolijk uitgelicht. Verder woon ik in een stad met een prominente plaats in de filemeldingen, en als ik thuis uit het raam kijk, zie ik een gedenksteen voor een jongen die het leven liet tegen een boom.
Ik wil maar zeggen: de auto is gevaarlijk. Des te opmerkelijker dat de auto voor veel mensen een statussymbool is. Ik bedoel: waarom zou je willen pochen met iets dat je op zoveel manieren de adem kan benemen?

Het doet me denken aan sigaretten, waarbij juist de aspecten die het product een statussymbool maken, worden beperkt door de overheid. Zo zijn in veel Europese landen de waarschuwingen groter dan de huisstijl, en in Frankrijk is die huisstijl zelfs helemaal afgeschaft. Als je daar een pakje Marlboro, Camel en Lucky Strike naast elkaar legt, zie je geen enkel verschil, behalve als je je leesbril opzet en de kleine lettertjesleest. De driehoek, het rode cirkeltje en de dromedaris zijn vervangen door effen zwart. Het idee erachter is dat jongeren minder snel zullen beginnen met roken als de stoerheid niet langer van de pakjes afspat.
Als ik naar mezelf kijk, kan dat kloppen. Ik verzamelde toen ik een jaar of twaalf was elk merk dat ik cool vond. Ik stapelde lege colablikjes netjes op elkaar, spaarde chique deodorantmerken en begon algauw ook pakjes sigaretten uit te stallen, liefst met gouden randjes of een arty vormgeving. Niet veel later ging ik roken. Álles om mijn streetcredibility maar te verhogen.

Terug naar de auto: want wát als we dat statusverhogende aspect van de auto op dezelfde manier zouden aanpakken? Om zo te zorgen dat onze keuze voor een auto alleen nog maar gaat over functionaliteit, veiligheid en milieuvriendelijkheid en niet over ‘kijk mij eens een dubbele uitlaat hebben’? Dat zou betekenen dat alle auto’s er zo ongezellig mogelijk uit moeten zien, zonder vormgeving, zonder eigenheid en zonder coole features.
Misschien moeten we geen verkeersongelukken op de buitenkant afdrukken, want dat zou te veel afleiden, maar een kaartje met de fijnstofconcentratie, of een afbrekende ijsschots. De auto’s moeten veilig en schoon zijn, en de naam mag alleen nog klein en in een neutraal lettertype op de buitenkant staan.
En natuurlijk moet er een verwijzing naar een fietsenwinkel of een treintijdentabel op de zijkant, om zo de autoverslaafden van hun gewoonte af te helpen.
En vooruit dan maar, die treinen en fietsen tooien we met spoilers en glimmende wieldoppen, voor al die arme stoefers die zich ongetwijfeld ontheemd zullen voelen in hun zwarte, functionele koekblik.

Dit Middagjournaal las ik op woensdag 13 september voor in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1. 

De teloorgang van de keuzestress

Op de wetenschapspagina van De Standaard stond gisteren een antwoord op de vraag waarom er dit jaar na een lange rit naar het zuiden zo weinig dode insecten op de autoruit zaten. Ik hoefde het antwoord niet te lezen, want ik wist het al, en als u een beetje heeft opgelet de afgelopen jaren, dan weet u het ook. ‘Komt het door het asfalt?’ vroeg de vragensteller. ‘Of door pesticide in de berm?’

Nee, was het antwoord van de navorser, het is veel banaler. Er zíjn gewoon minder insecten, niet alleen op de autostrade, maar overal. Hoewel er weinig onderzoek is gedaan, lijkt het erop dat in sommige delen van Europa het aantal insecten met de helft tot wel driekwart is afgenomen.

Ik dacht aan juni jongstleden, toen ik bij een tankstation in de Bourgogne met mijn kopje koffie op de stoeprand was gaan zitten. Ik verwachtte het beeld dat ik al jaren kende: naast me op de stoeprand zouden de plaatselijke mussen hun posities innemen, met goed zicht op de autoroosters vlak boven de voorbumper. Ze zouden zijdelings heen en weer trippelen, zoals ik ook doe als ik in keuzestress voor een buffet sta. Na wat dubben, zouden ze het smakelijkste insect uitkiezen en het vliegensvlug van het autorooster pikken, om vervolgens opnieuw een tijdje te dralen op de stoeprand. Dat proces zou zich herhalen, tot ik mijn koffie op zou hebben en met het rustgevende beeld van een weldoorvoede mus mijn weg zou vervolgen.

Maar deze keer lieten de mussen zich niet zien op de stoeprand. Onder het dak van het tankstation kwetterde een ploegje mussen, maar het waren er lang niet zoveel als andere jaren, en ze toonden geen enkele interesse in het lopend buffet van geplette muggen op de grill.

Aan de voet van een vuilbak verderop, lieten de mussen zich de kaas van het brood eten door een dikke spreeuw. Ze deden zich tegoed aan de kruimels en zochten amechtig naar een bijpassende bron van proteïne

Ik bestudeerde ons autorooster: er zaten twee vette muggen op, een paar halve vleugeltjes en een stel vlekjes waarvan alleen een mus zou kunnen beoordelen of het de moeite van het opeten waard was. Ik monsterde de auto naast ons en daarnaast en daarnaast: overal was de muggenscore karig. Ik stelde me een lopend buffet voor met afgekloven kippenpoten en donker uitgeslagen pudding. Ook ik zou mijn heil gaan zoeken bij de kebabzaak verderop.

Het grote probleem met de voedselketen is dat het een keten is. Elk schakeltje dat je wegneemt, heeft gevolgen voor de volledige ketting. Minder insecten, betekent minder eten voor vogels, vleermuizen, padden, kikkers en uiteindelijk ook voor mensen.

Dus denk even aan die ooit zo weldoorvoede Bourgondische mussen als u weer eens een tuin betegelt of uw geld uitgeeft aan intensieve landbouw. En denk aan uw nageslacht en wat er van hun keuzestress aan het buffet overblijft als de insecten defintief verdwijnen.

Dit Middagjournaal las ik op dinsdag 12 september voor in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1. 

Rottige roadmovie

Er is een beruchte film die velen van ons al meer dan eens gezien hebben. Namelijk, de film die je ziet als je auto tijdens het rijden een raar geluid maakt. Je hoort geschraap of je ziet het wijzertje van de snelheidsmeter langzaam zakken en je schrikt je te pletter. Je zoekt een veilig heenkomen en nog voor je de handrem hebt aangetrokken, is er een film begonnen waarin de dag volkomen in de soep loopt.

Gisteren zag ik die film weer eens. We reden op een rondpunt net over de grens met Nederland, mijn man zat achter het stuur, ik was co-piloot. Ineens steeg er een luid geraas op uit de auto. De film begint gelukkig nooit voordat je je veilig waant, maar de weg was rustig, we waanden ons veilig, dus de film begon direct. Ik zag op groot scherm hoe we uren bezig zouden zijn om met zondagse bus- en treintijden van een dorp in Nederland naar Leuven te komen, ik zag hoe ik mijn knieën tegen elkaar drukte omdat ik naar de wc moest en hoe ik mijn werk nooit zou afkrijgen als ik niet snel thuis zou zijn. Onderin het scherm tikte een teller het saldo van mijn bankrekening af naar nul. Aan het einde van de film verscheen er een grijnzende garagist in beeld en hoorde ik mijn man de handrem aantrekken. Zijn blik verraadde dat bij hem de film nog bezig was. Bij de aftiteling begon hij te jeremiëren en ik deed mee.

We stapten uit, inspecteerden de uitlaat en de wielen, zagen niks en gingen weer in de auto zitten. Zuchtend pakte mijn man het kaartje van Wegenhulp Buitenland en hij tikte het telefoonnummer in.
De film trok opnieuw aan me voorbij en mijn maag begon te rammelen. Alles in mij was in verzet. ‘Wacht!’ zei ik, vlak voor hij verbinding zocht. Want dat is het effect van zo’n beeldenstroom, je denkt: wacht eens even! Dit is niet de bedoeling!
‘Rij nog eens naar achteren.’ Ik zei het alsof ik exact wist wat ik wilde bereiken. Mijn man startte de auto: we hoorden geen geschraap. Dat was mooi. Toen hij naar achteren reed, klonk er wel geschraap, en naar voren ook.

‘Het zit niet in de motor,’ zei ik. ‘Laten we toch nog eens kijken bij de wielen.’ We stapten uit, keken, voelden en fronsten, tot mijn man ineens onbedaarlijk begon te lachen. Hij wees op de nummerplaat die aan de voorkant nog maar met één schroef aan de auto hing en met een punt over de weg schraapte.
Ik lachte mee, maar zonder overtuiging. Die rottige roadmovie die ik net had gezien, zat in de weg. Het zou fair geweest zijn als de film achteruit zou spoelen en al mijn ‘o nee!-gevoelens’ weer zou opslorpen, net zolang tot ik mij weer volledig senang zou voelen. Maar zo werkte het helaas niet. De rest van de dag stond mijn adrenalinepeil op standje ‘er iets vre-se-lijk misgegaan’.

Ze zeggen weleens dat in de laatste seconden voor je doodgaat het leven als een film aan je voorbij trekt. En hoewel deze film in de toekomst speelde, stel ik me die finale film ongeveer zo voor: een beeldenbombardement met het onverbiddelijke gevoel dat er iets vreselijk is misgegaan. En dat het enige dat ik dan kan uitbrengen, is: ‘Wacht! Rij nog eens naar achteren!’
In de vurige hoop dat het ook dan slechts de punt van de nummerplaat is die over de weg schraapt.

Dit Middagjournaal las ik op donderdag 14 september voor in het programma Nieuwe Feiten op Radio 1. 

Waarom zou je een klootzak willen zijn?

Het gaat slecht met de politieke correctheid. Was het een mens, dan zat het fenomeen dezer dagen opgesloten in de donkere kerker van de Hardvochtigen, met schimmel op de muren en een zak over het hoofd. Terwijl het toch vooral een kwestie is van geen klootzak te zijn tegen mensen die toch al moeite hebben om een volwaardige plaats in de maatschappij te verwerven. Of zoals het in Van Dale wordt beschreven: ‘Politiek correct wordt gezegd over (taal)uitingen die in overeenstemming zijn met het politieke streven om historisch achtergestelde groepen (vrouwen, homo’s, minderheden) te emanciperen.’

De Hardvochtigen zullen de Van Dale beschuldigen van politieke correctheid. Want dat is het aardige van het in diskrediet brengen van politieke correctheid: je hebt verder geen argumenten meer nodig. Je kunt elke reden om rekening te houden met achtergestelde groepen, afdoen met hetzelfde argument: ja maar dat is politiek correct. Wetenschappers die aantonen dat het zinvol is om rekening te houden met achtergestelden? Dat zijn politiek correcte wetenschappers. Deskundigen die beweren dat evenwichtige beeldvorming essentieel is voor een veilige samenleving? Politiek correcte deskundigen. Politici die denken dat het goed is om historische achtergestelde groepen niet verder in de verdrukking te brengen door uitsluitingstaal? Politiek correcte politici. Mensen die het redelijk eenvoudige principe van rechtvaardigheid en evenwichtige beeldvorming nastreven, krijgen steeds weer een bijtend: doe toch niet zo rechtvaardig! Het is een escheriaanse fuik, je zwemt er altijd in.

De Nederlandse krant Algemeen Dagblad plaatste na de aanslagen in Barcelona in grote letters op de voorpagina: ‘Weer Marokkanen! Toeval?’ Een deel van de Nederlanders zette daar vraagtekens bij: een retorische vraag op de voorpagina? Zonder context? In een kwestie die zorgvuldigheid vereist? In de krant met het grootste bereik van het land? Bij een groep die toch al voortdurend wordt ontmenselijkt? De familie Hardvochtigheid riep weer eens: politiek correcte kritiek! Je mag ook niets meer zeggen! Vrijheid van meningsuiting!

Terwijl de subliminale boodschap van die voorpagina niet mis te verstaan was: het is geen toeval dat het Marokkanen zijn. ‘Dan moeten ze het artikel maar lezen’, zeiden de Hardvochtigen, ‘daar stond de context’. En dat klopt, het artikel beschreef hoe het gevoel van eenheid onder Marokkanen niet erg groot is, waardoor religieus shoppen sneller leidt tot radicalisme en – o ironie – dat Marokkanen zich meer dan andere groepen buitengesloten voelen. Al deze gegevens waren informatiever geweest dan het badinerende ‘Weer Marokkanen! Toeval?’ Van de meer dan 2 miljoen lezers die dagelijks AD online en op papier onder ogen krijgen, scant het merendeel de koppen zonder de stukken te lezen. Bij die mensen werkt zo’n kop subliminaal: altijd maar weer die Marokkanen!

Een week later verscheen er in de Volkskrant en De Morgen een uitgebreid artikel waarin hetzelfde onderwerp werd aangesneden: waarom waren bij recente jihadistische aanslagen relatief veel mannen van Marokkaanse komaf betrokken? Deze dagbladen kozen ervoor om het onderwerp niet zonder context op de voorpagina te promoten, om geen retorische spelletjes te spelen met ons brein en om het risico op negatieve stereotypering zo klein mogelijk te houden. Geen haan die ernaar kraaide, de redactie waarborgde het recht op bescherming tegen ophitsing én de vrijheid van meningsuiting. De auteur maakte min of meer dezelfde analyse als het AD, maar voegde ook nog toe dat Amerikaanse terrorismeonderzoekers hadden ontdekt dat de antimoslimretoriek in Belgische en Franse politiek en media leidt tot een grotere kans op radicalisering. Waarmee de AD-kop een droste-effect van jewelste oplevert, want door dit soort koppen wordt het natuurlijk steeds minder ‘toeval’.

In 1986 spraken journalistenverenigingen wereldwijd af dat ze niet alleen journalistieke principes als zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en evenwichtigheid zouden hanteren, maar dat ze zich ook bewust zouden zijn van het gevaar van door media verspreide discriminatie, en dat ze al het mogelijke zouden doen om discriminatie te voorkomen. Dat was rijkelijk laat, want in 1948 werd in artikel 7 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens niet alleen wettelijke gelijkheid opgenomen, maar ook het recht op ‘beschermd worden tegen achterstelling en ophitsing’. Pas 38 jaar later vonden journalisten het nodig om die verantwoordelijkheid met een collectieve handtekening te bezegelen. De door de Hardvochtigen zo bruusk in de kerker gesmeten politieke correctheid is dus niets anders dan een mensenrecht dat met een zak over het hoofd nog net kan piepen: waarom zou je eigenlijk een klootzak willen zijn?

Deze column verscheen op vrijdag 8 september 2017 in De Standaard.

Reservaat voor de echte man

Handelaars die een bordje met het opschrift ‘no women’ aan de deur grappig vinden, zijn blind voor de strijd die veel vrouwen dagelijks voeren om gelijk behandeld te worden, schrijft Maartje Luif.

‘Veel vrouwen van onze klanten vinden ons principe juist grappig. En wij blijven daarachter staan: in onze zaak moet een man zich écht man kunnen voelen, zonder de aanwezigheid van een vrouw.’ Dat zei een kapper in Ternat, nadat hij een klacht had ontvangen wegens discriminatie van een vrouw die wilde wachten terwijl haar zoon werd geknipt, maar weg werd gestuurd omdat ze een vrouw was (DS 8 juli).
In zijn reactie zitten drie misvattingen verborgen.
1. Als vrouwen het zelf leuk vinden, kan het toch geen discriminatie zijn? Daarmee gaat de barbier voorbij aan de culturele variant van het stockholmsyndroom waar vrouwen aan lijden. Onze blik is al eeuwenlang gegijzeld door mannen. Hoe we de wereld bekijken, wat we belangrijk vinden, hoe we onszelf zien en waar we al dan niet om moeten lachen: het is allemaal geworteld in een maatschappij waarin het van oudsher van weinig belang was hoe vrouwen naar de zaken keken.
Er zijn tijden geweest dat vrouwen het logisch vonden dat ze geen recht van spreken hadden. Zo was het voor mijn oma vanzelfsprekend dat ze wettelijk handelingsonbekwaam werd toen ze trouwde, waardoor mijn opa zeggenschap kreeg over haar geld en haar beslissingen. De instemming van een vrouw duidt op zichzelf dus helaas niet op gelijkheid.
2. Mannen moeten onder elkaar kunnen zijn wanneer ze maar willen. Dat klopt, thuis mag je vrouwen aan de deur tegenhouden. Maar als je onder de wet op de handelszaken valt, geldt het recht op gelijke toegang en gelijke behandeling. Dankzij dat soort wetten mogen we zwarte mensen niet achterin de bus laten plaatsnemen alleen omdat ze zwart zijn, mogen we joden niet uit het café weren omdat ze jood zijn, en als we een huurwoning weigeren aan een Marokkaan om het eenzame feit dat het een Marokkaan is, dan worden we beboet. Dankzij die wettelijke gelijkheid mocht mijn moeder toen ze trouwde over zichzelf beschikken, en in het verlengde daarvan mag je een vrouwelijke klant niet langer anders behandelen dan een mannelijke, als de enige reden die je aanvoert is dat ze een vrouw is.
Om eeuwenlang ingesleten patronen van macht en uitsluiting in te tomen, zijn er wetten nodig die de cultuur bijsturen. Je zou kunnen zeggen dat de wet nu te strikt is, maar die onverschillige houding is vooral een mannelijk voorrecht. Veel vrouwen moeten nog dagelijks strijden om gelijk behandeld te worden, die kunnen het zich niet veroorloven om met de tondeuse in de ene hand en een pint in de andere de wet terzijde te schuiven. Alleen mannen en vrouwen met weinig historisch besef, die cultureel aan de winnende hand zijn en die zelf nergens last van hebben, zullen volhouden dat die gelijkheid niet wettelijk gewaarborgd hoeft te worden ten koste van een grappig concept.
3. Er zouden plekken moeten zijn waar mannen nog écht man kunnen zijn. Wat een échte man is, is zodanig aan discussie onderhevig dat het maar goed is dat ‘het recht op een reservaat voor de echte man’ wettelijk van geen betekenis is. Maar daarnaast is de opvatting dat een echte man alleen zichzelf kan zijn zonder vrouwen in de buurt, bekrompen, zelfvervullend en daarom gevaarlijk. Wanneer je ervoor kiest om behalve de vormgeving van een barbiersconcept ook de opvattingen over man-vrouwverhoudingen mee te nemen uit de jaren stillekes – bijvoorbeeld het idee dat je met vrouwen erbij niet over voetbal, motoren en geile dingen kunt praten – dan heb je niet alleen een ouderwetse opvatting over vrouwen en hun smaak, maar je draagt ook bij aan het in stand houden en het verspreiden van die opvatting.
Rollenpatronen hebben de akelige eigenschap zichzelf te versterken. Omdat van een vrouw niet wordt verwacht dat ze over geile dingen praat, zal ze sneller besluiten maar niet over geile dingen te praten, zelfs als ze dat zou willen. Als je je dochter leert dat voetbal iets is voor jongens, dan zal ze stevig in haar schoenen moeten staan om van dat beeld los te komen. Daarmee maak je het moeilijk voor alle vrouwen die al meer dan een halve eeuw sleutelen aan dat uitermate tuttige vrouwbeeld dat de boventoon voert. In het economisch verkeer mogen je afkomst, je seksualiteit en je geslacht geen reden zijn om je de toegang te weigeren. Dat een handelaar daarom soms dingen moet laten die hij grappig vindt, is de prijs die hij betaalt voor het recht op gelijke behandeling voor iedereen.

Dit opiniestuk verscheen op maandag 10 juli 2017 in De Standaard.