Het taboe op donker haar

Stelt u zich voor: een lichamelijk ongemak dat uren van je tijd kost, dat honderden euro’s per jaar in rook doet opgaan, dat met enige regelmaat pijn, jeuk, bloed of uitslag veroorzaakt en dat je soms aan huis gekluisterd houdt. Ocharme, denkt u: het dutske heeft een ernstige ziekte.

Maar neen, het is het verhaal van de meeste vrouwen met donker haar en een hoog aantal haarzakjes per vierkante centimeter, het is het verhaal van de vrouw die ophield met scheren en daarmee de krant haalde (Blogster scheert zich al een jaar niet meer, DS online 16 april) en het is mijn verhaal. Wat begon met een kleuter die door de klas riep dat ik een baardaap was, is bijna veertig jaar later uitgedraaid op een situatie waarin ik me koortsachtig afvraag wat ik mezelf aandoe.

Ik weet wel wat ik mezelf aandoe als ik géén inspanning lever. Dan roepen de mensen jongensnamen naar me. Ze staren, fronsen, walgen en ze stoten elkaar aan. ‘Haha, heb je die gezien!’ ‘Papa, waarom heeft die mevrouw een snor?’ Als ik in de zomer even naar de winkel wil, moet ik óf mijn zomerjurk verruilen voor een broek óf eerst mijn benen scheren, tenzij ik zin heb in commentaar van vreemden.

Als ik elke dag van het jaar een cultureel aanvaardbaar lichaam zou willen hebben, dan zou dat rond de 150 uur arbeid en 500 euro per jaar kosten, en ik zou alle zeilen bij moeten zetten om mijn gevoelige huid onbeschadigd mee te laten lopen in een strikt ontharingsregime. Dat kan ik niet opbrengen, dus volg ik een zwalkstrategie. Mijn armen en wenkbrauwen laat ik naturel, mijn schaamstreek wordt gedirigeerd door transpiratie, menstruatie en relatie, en mijn oksels en benen doe ik seizoensgebonden, want bij drie keer in de week scheren is dat zo’n 75 vierkante meter per jaar en ik heb wel wat beters te doen. Mijn bovenlip en kin ten slotte houd ik bij wanneer ik te veel stoppels voel en dat is elke drie dagen.

Dit klinkt allemaal heel bedachtzaam, alsof ik zelf kies wanneer ik wel en niet onthaar, maar in werkelijkheid is het de autonomie van de ­pleaser; het is systeembevestiging in optima forma. Ik ben zo’n vrouw die lang heeft gezegd: ik vind een kaal been zélf gewoon mooier! Maar is dat wel waar? Als ik mijn been naast dat van mijn man zet, dan hebben we ongeveer evenveel haar. Toch vind ik dat hij een prima been heeft, terwijl mijn been mijn goedkeuring pas kan wegdragen na een fikse scheerbeurt. Heeft dat nog iets met mooi te maken? Of is het de schaamte die volgt uit wat me is aangeleerd mooi te vinden?

‘Ik vind een monobrauw onverzorgd’, schreef een andere vrouw laatst naar me. Ze had me nog nooit gezien, dus ze wist vermoedelijk niet dat ik een stuk of zes haartjes boven aan mijn neusbrug heb die mijn twee wenkbrauwen met elkaar verbinden. Toch betrok ik het op mezelf: ben ik door die paar haartjes inderdaad onverzorgd? ‘Onverzorgd’ heeft naar mijn mening met vies en verwaarloosd te maken, niet met smaak of mooi. Is het been van mijn man vies en verwaarloosd? Nee. Waarom het mijne dan wel?

Ik ben enorm teleurgesteld in mezelf dat ik de ultieme consequentie van deze column niet zal trekken. Dat ik een lafaard ben die de aangeleerde schaamte als obstakel accepteert. Als ik straks nog even naar het zwembad wil, zal ik me afvragen: wil ik eerst een uur douchen en scheren, voor ik ga zwemmen? Vaak is het antwoord nee en dan ga ik dus maar niet. Als het antwoord ja is, dan zal ik me onderwerpen aan het regime en gewapend met messen mijn arbeidsuren draaien.

Het moge duidelijk zijn: met mij gaan de donkerharige vrouwen de oorlog niet winnen. Maar misschien wel met u, want u zou kunnen besluiten een einde te maken aan body­shaming in het algemeen en het pesten van vrouwen met lichaamsbeharing in het bijzonder. Als u ophoudt met commentaar te leveren op harig vrouwenvel, dan durf ik misschien voor ik doodga nog eens spontaan naar het zwembad of naar de winkel. Ik kan me er niks bij voorstellen, maar ik gok dat zoiets heel aangenaam is.

Deze column verscheen op vrijdag 21 april 2017 in De Standaard.

Ik wilde u vragen om geld te storten op 12-12

Ik wilde u vragen om geld te storten op 12-12, een samenwerkingsverband van hulporganisaties die in Afrika noodhulp leveren aan de miljoenen mensen die daar omkomen van de honger.

Maar toen dacht ik: hoe doe je zoiets? Want je hebt de mensen die toch al geld geven, die hoef je niet te overtuigen. Die kun je hooguit helpen herinneren: hallo! Wakker worden! Het gaat mis! Maar die anderen, die mensen die nog niet van zins zijn te geven, hoe bereik je die? Want ze hebben een veelheid aan redenen en ze hebben niet altijd ongelijk.

Hoe overtuig je bijvoorbeeld de mensen die zeggen dat het de politiek is, die iets moet doen? Of zij die niet geloven in ontwikkelingssamenwerking?
Wat moet je met het argument van strijkstokken, waar geld aan blijft hangen? En dat je uiteindelijk niemand nog kunt vertrouwen?
Waar te beginnen met de mensen die menen dat we eerst iets aan het klimaat moeten doen? En zij die zeggen moedeloos te zijn?
En wat met de mensen die wijzen op Mosul en Lesbos.
Die niet meer weten wié ze moeten helpen.
En die vinden dat we boter op ons hoofd hebben, met onze luxe levens en onze eerstewereldproblemen.
Ze zijn bang dat noodhulp een doekje voor het bloeden is en ze vrezen dat het de aandacht afleidt van waar het echt over gaat.
Zoals het klimaat.
Conflicten.
Geopolitieke verhoudingen.
De neoliberale wereldorde.
Globalisering.

Ik snap die mensen en hun argumenten, en toch wilde ik u vragen om geld te storten. Want, ja, natuurlijk is noodhulp een doekje voor het bloeden. En, ja, er zijn strijkstokken waar geld aan blijft plakken. En nee, de oorzaak van het probleem wordt niet opgelost door hongerlijders 500 calorieën per dag toe te dienen. Maar in de tijd dat wij nadenken over hoe we de problemen dan wél oplossen, kan noodhulp een grote groep mensen op de been houden.

Natuurlijk moeten we hand in eigen boezem steken en beseffen dat voor vrijwel alle comfort waarin we ons wentelen elders op de wereld iemand de prijs betaalt, maar dat wij de luxe hebben om eindeloos na te denken over de oplossing voor dit probleem, ontslaat ons niet van de plicht om in de tussentijd levens te redden.

Daarom wilde ik u vragen iets te storten op 12-12. Want u kunt wel blijven mitsen en maren, maar dat maakt u niet minder verantwoordelijk voor alles wat u niét doet.
Dus, doe het maar wél.

http://www.1212.be/

Deze column las ik op dinsdag 28 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

De ingesleten patronen van Maartje, tante Dien en Autohandel Rudy

Er kwam zojuist een sms binnen van een vreemd nummer. ‘Met Autohandel Rudy’ stond er. ‘Wij aankoop van auto’s vier-maal-viers en camionetten’. Ik las het bericht niet uit, maar ging terug naar het begin. ‘Mét Autohandel Rudy’. In een sms. Ik moest glimlachen, maar voelde me ook wat ongemakkelijk.

Want die ‘Met Autohandel Rudy’ vertegenwoordigt alles waar ik ook moeite mee heb bij moderne communicatie. Als ik iemand bel en diegene neemt op met ‘Hee Maartje!’ dan zeg ik uit pure onhandigheid nog eens ‘Met Maartje’. Terwijl dat helemaal niet hoeft, de meeste mensen weten immers tegenwoordig dat ík het ben die belt.

Waarmee elk gesprek begint met een moment dat ik het liefste nog even opnieuw zou doen. Waarschijnlijk kun je het beste zeggen: ‘Hallo.’ Of: ‘Hoi Wim’ – mits die persoon Wim heet natuurlijk. Maar op de een of andere manier liggen die openingszinnen mij niet zo goed.

Het zal wel iets te maken hebben met de patronen die je als kind aangeleerd krijgt. Bij mij was dat: als de telefoon gaat neem je op, dan zeg je je naam, en dan wacht je tot die ander zijn naam zegt. Vervolgens groet je de beller.

Daarom vind ik met mijn ouders bellen zo heerlijk overzichtelijk. Zij hebben geen mobiele telefoon, geen nummerverklikker en alleen zo’n mechanisch antwoordapparaat dat als je direct terugbelt aan het terugspoelen is, waardoor je een bezettoon krijgt. Als zij opnemen, kan ik gewoon mijn standaardriedel afsteken en dan begint een gesprek precies goed.

Toen ik begin jaren tachtig voor het eerst aanbelde bij een gebouw met een intercom begon het gedonder.
‘Hallo?’ zei de blikkerige stem in de muur.
‘Hallo, met Maartje’, zei ik. Waarna ik dacht: mag ik het nog even opnieuw doen?
Want die ‘met’ is raar. Je mag dan zelfs via een intercom verbonden zijn mét iemand, je staat toch vooral voor de deur. Iets als ‘Tataaa! Hier is Maartje!’ zou gepaster zijn. Na die eerste keer ‘met Maartje’ door de intercom volgden nog vele keren ‘met Maartje’ en ik kan je niet beloven dat ik het beter zou doen als je mij nu voor een flatgebouw zou zetten.

Want standaardzinnen zijn hardnekkig. Ooit had ik een overbuurvrouw, ze heette tante Dien. Tante Dien had al veertig jaar een buurtwinkeltje en zodoende had ze een repertoire standaardzinnen van heb ik jou daar. Maar tante Dien had haar standaardzinnen zo diep laten inslijten in het ritme van haar handelingen, dat de momenten waarop de zinnen eruit kwamen niet meer gelijk liepen met de momenten waarop de zinnen gepast waren. Tante Dien mompelde op willekeurige ogenblikken: dank u wel! Mag het iets meer zijn? Met mij is het ook goed. Wat mag het wezen? Kan ik u helpen? Gaat het zo mee? En als je bij Dien vertrok was de verwarring compleet. Dan nam ze afscheid met: anders nog iets? Ja, is goed!

Als ik naar mijn palmares kijk, is de kans groot dat ik eindig zoals Tante Dien, en zoals Autohandel Rudy. Bij elk nieuw communicatiemiddel zal ik harder door de mand vallen en op een dag zal ik een hologram de hand schudden en zeggen: ‘Met Maartje.’

Deze column las ik op donderdag 30 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

De symfonie van brom, ruis, piep en tsjilp

We hebben een brom in huis. Al maanden. Wanneer de brom is begonnen weet ik niet en waar de brom vandaan komt ook niet, maar de brom is tegenwoordig bijna altijd hoorbaar. Er zit een cadans in de brom: een ratel en een schraap wisselen elkaar rustig af. Op het ritme van de brom beweeg ik door mijn dagen. Ratel-ratel-schraap-schraap.

Voordat de brom er was, was er al een ruis. Die ruis is periodiek. Soms is de ruis er wel, soms ook niet. De ruis blaast een hogere toon dan de brom. Samen vormen ze de basis van een symfonie. ’s Nachts is de ruis meestal stil, terwijl de brom dan gestaag verder bromt.

Er is ook nog een piep, maar die piept alleen als er auto’s vanaf de rechterkant voorbij komen, dus de piep is te overzien.

In mijn hoofd gebeurt al erg veel, daar heb ik geen gehoordecor bij nodig. Integendeel. Het liefste zou ik een auditieve clean-desk-policy doorvoeren, waarop het nulpunt ‘stil’ is. Echt stil. Volkomen stil. Maar ik herinner me ondanks dertien verhuizingen geen enkele thuisbasis waar stil ook echt stil was.

Toen ik net op mezelf woonde had ik geruime tijd een tsjilp. De tsjilp was er niet altijd, maar wel elke dag even. Na weken speuren naar een kwijnend vogeltje tussen de spouwmuren, en twijfelen of het getsjilp niet tussen mijn oren zat, bleek het de thermoskan die dagelijks sputterend stoom afblies.

Iets later woonde ik in een appartement dat op een dag werd ingenomen door een heel hoge piep, zo’n geluid waarvan je je afvraagt of het er wel is, maar dat er echt altijd blijkt te zijn. Maandenlang belde ik aan bij buren in de hoop een front te vormen tegen de piep, ik vroeg mijn bezoek of het de piep ook hoorde en ik probeerde werk en studie gedaan te krijgen ondanks die snerpende toon die dag en nacht door merg en been trok.

Omdat slechts een enkeling de piep ook hoorde, duurde de strijd lang en was de zoektocht eenzaam. Ik controleerde koelkasten en afzuiginstallaties in de omliggende appartementen, ik struinde door de buurt in de hoop door de bakstenen heen een auditief spoor te vinden, en ’s avonds in bed lag ik te twijfelen aan mijn brein. Want wát als de piep in mij zat?

Na elf maanden zoeken bleek de piep te komen van een vergeten pomp onder de betonnen vloer van de garage op het gelijkvloers. Met een drilboor werd de piep blootgelegd en hij werd stopgezet. Maar hoewel de rust weldadig was, hield ik nog maanden last van een fantoompiep.

En nu is er dus de symfonie van brom en ruis, met een subtiele piep als er verkeer van rechts komt. Ik heb nog steeds een diep verlangen om hamer en aambeeld af te stoffen in de hoop dat er een weldadige stilte neerdaalt over mijn leven, maar ik weet dat de kans gering is dat dat gebeurt.

Beter is het om mijn stukjes te schrijven in het ritme van de brom. Dus mocht u in mijn teksten de cadans van ratel-ratel-schraap-schraap herkennen: dat kan kloppen, ik heb me overgegeven. Die auditieve clean-desk-policy is een illusie. Er zal altijd wat rommel op de stilte liggen.

Deze column las ik op woensdag 29 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

De impulsaankoop van een nieuwe identiteit

Gisterochtend ontving ik een mail. ‘Beste Maartje, Hartelijk dank voor je inschrijving voor de Dagcursus Natuurgids die start in september 2017.’ Ik schrok even. Natuurgids? Ik? Maar toen wist ik het weer. Dit weekend stuitte ik tijdens een rondhangsessie op Facebook op een intensieve cursus natuurgids. Na vijf minuten in dubio maakte ik het inschrijfgeld over. Daarna was de werkelijkheid weer tussenbeide gekomen en vergat ik mijn nieuwe toekomst. Totdat ik de mail ontving.

Ik … Natuurgids …
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik in mijn leven iets doe dat me een nieuwe titel oplevert, dan duurt het enige tijd voordat de ruimte tussen mij en de nieuwe titel volledig is opgelost. Zo ging dat toen ik ‘kok’ werd, later bij de titel ‘journalist’. en nog weer later toen ik me ‘schrijver’ ging noemen. Er was altijd het gevoel dat het over iemand anders ging als die termen gebruikt werden.

Dat geldt ook voor de titel ‘natuurgids’. De luisteraars die mijn Middagjournaal van gisteren over de dode kikkers hebben gehoord, zullen begrijpen: er zit op zijn zachtst gezegd wat ruimte tussen mij en de titel ‘natuurgids’.

Toegegeven, ik heb niet alles tegen. Ik heb een grote tuin, met kikkers, eekhoorns en uilen, en mijn ouders stopten mijn peuterarmpjes al in t-shirtjes van natuurbeschermers. Bovendien had ik geruime tijd de zorg over een cavia met darmkanker. Maar ik groeide op in Amsterdam waar ik verder alleen met natuur in aanraking kwam als ik mijn knikkers tussen de tegels vandaan peuterde en zo, per ongeluk, een pissebed vermorzelde. In het kielzog van mijn ouders leerde ik veel over de natuur en ik eindigde de middelbare school met prima cijfers voor biologie, maar in het dagelijks leven was natuur niet meer dan wat duiven die een nest bouwden op mijn balkon.

Ik … Natuurgids …
Terwijl ik de mail nog eens lees en doorklik naar het lesprogramma, realiseer ik me dat elke nieuwe weg die je inslaat vooral een afrekening is met de vooroordelen die je had. Want ik zie mijzelf niet als natuurvorser; de paden op, de lanen in. Met mijn afritsbroek en mijn camouflageklak. Maar ik zie mezelf wél de rest van mijn leven van wanten weten. Dat ik een veelheid aan vlinders en vogels herken, dat ik snap waarom het ene plantje ergens wel groeit en het andere niet. En dat ik dat dan ook nog eens goed weet te vertellen.

Ik kan het iedereen aanraden: de impulsaankoop van een nieuwe identiteit. Want als ik hier langer over had nagedacht dan had ik me waarschijnlijk laten leiden door de karikatuur van de man met de camouflageklak. Nu zette ik mezelf voor een voldongen feit, en wat blijkt: ik kijk enorm uit naar het determineertrommeltje, de loep, en het studeren op snavelvormen en bodemsoorten.

Ik zou willen zeggen: geef jezelf ook die kans. Doe deze week iets wat je nu nog niet ziet aankomen. Koop een weefgetouw of een clavecimbel, word rallyrijder of wijnbouwer. Kantel het beeld van jezelf en maak korte metten met alles wat je nooit voor mogelijk hield.

Deze column las ik op dinsdag 28 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

We hebben de kikkers vermoord

We hebben de kikkers vermoord, mijn man en ik. Tenminste, we houden het voor mogelijk dat we de kikkers hebben vermoord. Ze zijn in elk geval dood, en we mogen niet uitsluiten dat wij ze met al onze goede bedoelingen over de kling hebben gejaagd. We ontdekten het een paar weken geleden. Zes kikkers lagen op hun rug op de bodem van de ingegraven mortelbak die dienst doet als minivijver. Roerloos, met hun witte buiken omhoog, hun pootjes strak gespannen, alsof ze net de sprong van hun leven hadden gemaakt. Als je wel eens een bord kikkerbilletjes hebt gezien, weet je welke houding ik bedoel.

Eerst twijfelden we nog. Waren ze wel dood? Ik had eens gelezen dat je kikkers in winterslaap nooit uit de vijver moet vissen, omdat je daarmee het risico loopt dat ze sterven door het luchtdrukverschil. Maar was dit niet een heel merkwaardige winterslaap? Zo op hun rug? Met hun witte buik goed zichtbaar voor hongerige reigers?

Omdat we nogal stadse types zijn, googelen we ons meestal door de verzorging van ons natuurschoon. Onze zoekgeschiedenis is een aaneenschakeling van ‘ridderspoor zaaien wanneer?’ en ‘egel gebroken poot, wat nu?’ Maar die zoekmachine-ijver is waarschijnlijk het grote probleem. Zo nu en dan combineren we namelijk betrouwbare informatie met adviezen van mensen die maar wat uit hun nek lullen. En dan loop je dus het risico dat je je kikkers vermoordt.

Want over kikkers, winters en ijs doen veel verhalen de ronde. Inmiddels weet ik: je moet het ijs openlaten, maar als het toch dichtvriest, mag je het niet openbréken. En dat is wat wij een winter lang deden. Elke ochtend braken we het ijs. De trillingen en de luchtdrukverschillen die je zo veroorzaakt, zijn niet goed voor kikkers, en ik las zelfs ergens iets gruwelijks over knappende kwaakblazen. Sorry voor dat beeld.

Ook na de ontdekking van het kikkerkerkhof op de bodem wendden we ons tot het orakel van Silicon Valley met de vraag: zijn onze kikkers dood of liggen ze gewoon heel raar te slapen? Na wat klikken kwamen we tot de conclusie dat Google het ook niet wist. Er leken geen duidelijke regels voor de houding van een kikker als hij slaapt.

Zoals vaker als we de waarheid niet kunnen verkroppen, besloten we het probleem zichzelf te laten oplossen. Als ze nog in leven waren, zouden ze op een dag met hun witte kikkerbuiken en hun kwaakblazen fluitend in het gras naast de vijver zitten. Dat leek ons een prima vooruitzicht. Dus liepen we wekenlang met een ruime boog om de vijver heen, zonder goed te weten op welk teken we wachtten voor we weer zouden checken of de bodem nog bezaaid lag met dood vlees.

Gisteren, na een paar weken doen alsof de kikkers niet dood waren, kon ik er niet meer tegen, die poel des verderfs in het midden van de tuin. Omdat mijn man een sterkere maag heeft dan ik, rustte ik hem uit met pollepels en spaghettigraaiers en vanuit de verte keek ik toe. Daar lag hij, op zijn knieën, kikkers scheppend aan de oever van de mortelbak. Het duurde eindeloos en achteraf wilde hij niet vertellen hoe het was geweest, wat me geen goed teken leek.
Máár, zei hij, … er zit wel een watersalamander in de vijver.

Opgetogen namen we plaats achter de laptop, en we googelden: hoe houd je in hemelsnaam een watersalamander in leven?

Deze column las ik op maandag 27 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

Discriminatie is een systeemfout

Hier ten huize Luif ging de vlag uit toen ik de intro las van het opiniestuk ‘Vijf jaar undercover op de arbeidsmarkt’ (DS 21 maart) . Mystery calls mogen van onderzoeker Stijn Baert uit de koelkast om zo werkgevers die het niet zo nauw nemen met grondrechten en ethiek een grotere pakkans te geven. Onderzoekers die pleiten voor een systematische aanpak van discriminatie: dat zien wij hier graag!

Maar al bij de tweede kolom moest ik even pauzeren om de vlag uit de houder te halen, en tegen het einde van het artikel snoot ik bedroefd mijn neus in de wimpel. Te vroeg gejuicht. Deze wetenschapper pookte het vuurtje van de systeemrechtvaardiging weer eens flink op.

Zo schrijft hij dat vrijwilligerswerk op het cv, net als een hoog opleidingsniveau en een flink aantal jaren werkervaring, de ‘ideale manier is om discriminatie te ontlopen’. Lees ik dat goed? Te ontlópen? Alsof discriminatiebestrijding vooral een kwestie is van er een beetje omheen lopen, en achterstelling iets dat je kunt ontwijken door zelf maar wat beter je best te doen. Ook gaat hij volkomen voorbij aan de rol die discriminatie speelt bij het verwerven van de inhoud van dat cv. Bovendien heeft Baert het over vrouwen die minder gericht zijn op promotiekansen, alsof vrouwen geboren worden met een soort algemeen gebrek aan ambitie. Terwijl vrouwen zonder ambitie ook vaak het gevolg zijn van systeemrechtvaardiging.

Een veelzeggend onderzoek op dat vlak kwam van een wetenschapper die vrouwen en mannen een essay liet schrijven, waarna ze zichzelf met een geldbedrag mochten belonen voor het verhaal. De kwaliteit van de teksten bleek gelijk, maar de vrouwen betaalden zichzelf ongeveer een vijfde minder voor het artikel. In Baerts redenering hadden deze vrouwen niet de ambitie om meer te verdienen, terwijl het voor de hand ligt dat er sprake is van een cultuur waarin vrouwen zichzelf en hun werkzaamheden minder waard vinden.

De benadering van Baert sluit helaas volkomen aan bij het meritocratisch georiënteerde wereldbeeld van de centrumrechtse Vlaamse regering, waarin verliezers van het systeem dat toch grotendeels aan zichzelf te danken hebben en waarin het systematische beeld van grote groepen die worden achtergesteld wordt weggewimpeld met ‘niet alle verhuurders discrimineren’ en ‘Pamper­beleid moedigt allochtonen aan om in hun zetel te blijven zitten’.

Om dat wereldbeeld te kunnen keren, moet je willen inzien dat het systeem niet eerlijk is, dat groepen die jarenlang achtergesteld zijn niet allemaal per individu minder ambitie of cv-building tonen, maar dat ze door stereotypering, angst en verkeerde veronderstellingen minder kansen krijgen. En dat je niet altijd krijgt wat je verdient, maar vaak ook wat het systeem je gunt.

Het lijkt erop dat Baert dat patroon niet ontkent, want hij schrijft dat zijn bevinding dat ouderen, allochtonen en mensen die langdurig werkloos zijn moeilijker aan een jobgesprek komen, weinig verrassend is. Toch suggereert hij dat je je met een stevig cv en meer ambitie aan het systeem kunt ontworstelen, en zo discriminatie kunt ontlopen. Sterker, hij vindt dat je groepen ‘die er meer voor gaan’ niet mag bestraffen via quota of ‘andere vormen van positieve discriminatie’.

Zou hij niet beseffen dat die achterstelling juist het gevolg is van positieve discriminatie? Dat het de mannen, de mensen zonder buitenlands accent, mét een Vlaamse achternaam en zonder zichtbare handicap zijn, die al jarenlang positief worden gediscrimineerd? Dat alles wat we doen om dat recht te trekken een bijstelling is die het systeem hard nodig heeft?

Die geforceerde correctie is nodig, omdat de overheid al jarenlang geen ­hoge ogen gooit als het gaat om discriminatiebestrijding, omdat gelijkheid een grondrecht is en omdat elke vorm van ‘je hebt het aan jezelf te danken’ het systeemprobleem ontkent.
En tot slot: voor het zelfrespect van de verliezers. Want erger dan gewoon verliezen, is volkomen onverdiend verliezen en er dan ook nog de schuld van krijgen.

Deze column verscheen op vrijdag 24 maart 2017 in De Standaard.