Check je privilege

Je zag ze de afgelopen weken weer veel passeren, de ‘je mag ook niets meer zeggen’-adepten. Bij gelijkheidskwesties zijn ze er als de kippen bij om het debat te herleiden tot ‘je mag ook niets meer zeggen’ en ‘willen die politiek correcte zuurpruimen nu ook al onze toogpraat/whatsappgesprekken/locker-room-talk censureren?’
Hoewel er niemand is die zegt dat je niets meer mag zeggen, is het steevast de stok om mee te slaan: mag ik dan helemaal geen grapjes meer over vrouwen maken? Mag ik dan nooit meer ‘neger’ zeggen? Mag ik me dan nergens meer mee bemoeien, omdat ik een voorkeurspositie heb? Als witte? Als man? Als christen?
Het doet me denken aan het antwoord dat papa en mama Luif gaven toen ik vroeg over welke nationaliteiten je wel grapjes mocht maken en welke niet. Wat mijn ouders mij toen op het hart drukten, zou je in modern antidicriminatiejargon kunnen formuleren als: check je privilege.
In kinderjargon kwam het erop neer: kies iemand van de eigen leeftijd, ga nooit door als de ander het niet leuk vindt, en als je twijfelt over de verhoudingen, dan laat je de mopjes over kinderen met rood haar over aan de kinderen met rood haar, Joodse mopjes aan Joodse klasgenootjes en grappen over Turken aan Turkse kinderen. Zij kunnen beter beoordelen of een grap echt leuk is.
De persvoorlichter van uitgeverij De Standaard zou de uitgangspunten der moppentapperij van papa en mama Luif de afgelopen week goed hebben kunnen gebruiken. Ze vergeleek de karikatuur van de zwarte man met de veel te grote lippen in de nieuwe Suske en Wiske met de karikatuur van Lambik, die toch ‘ook geen prototype van de Vlaamse man was’, waarmee ze in één zwiep haar excuses minder waard maakte én de vloer aanveegde met de wet van vader en moeder Luif: check je privilege.
Ook in deze krant neigde een redacteur ertoe om met kwinkslagen de luxe van zijn voorkeurspositie in de verf te zetten (DS 22 juni). Hij ging op zoek naar het antwoord op de vraag of vrouwen nu wel of niet nagefloten willen worden, maar laveerde van grap naar kwinkslag, en van belediging naar minimalisering van het probleem.
Had hij de lessen van vader en moeder Luif over de betere mop meegekregen, dan zou hij zijn privilege hebben gecheckt bij de ludieke toevoeging dat er onder zijn bronnen ook vrouwen zijn ‘met onverdachte intelligentie’. En bij de vraag ‘Hebt u ooit Koen Wauters horen klagen over de opdringerige aandacht van vrouwelijke fans?’, zou hij direct hebben gedacht aan het gebrek aan gelijke uitgangspositie tussen mannen en vrouwen. Het antwoord op de vraag of je van de catcallingkwestie één grote aaneengesloten grap moet maken, was direct beantwoord geweest.
Het radicaal-rechtse Nederlandse parlementslid Thierry Baudet maakte het afgelopen maandag in De Afspraak helemaal bont. Na een confrontatie met zijn opmerkingen dat vrouwen nu eenmaal minder excelleren in bepaalde beroepen en meer van familiedingen houden – ‘Dat is gewoon zo!’ – klaagde hij: ‘Maar we zijn met zijn allen wel heel snel verontwaardigd, en dingen zijn wel erg snel taboe. Het debat wordt versmald en dat is slecht voor de democratie.’
Zijn reactie laat goed zien hoe moeilijk het is om als privilegieerde los te komen van de in steen gehouwen standaard. Want kritiek op de maat der dingen van de bevoorrechte is niet de grens van dat debat, die kritiek ís het debat. Maar juist die bevoorrechten kunnen vaak moeilijk afscheid nemen van wat de publieke opinie was toen zij het voor het zeggen hadden. Andere perspectieven niet willen zien, is bij uitstek een privilege van de bevoorrechten.
Dat gebrek aan oog voor machtsverhoudingen kan ook gevaarlijk zijn, want, zo schreef hoogleraar sociale psychologie Naomi Ellemers vorige week in de Volkskrant: seksistische grappen zijn vaak niet onschuldig. Vooral wanneer die grappen worden gemaakt door iemand met een bevoorrechte positie, duiden ze vaak op een verziekte cultuur waarin daadwerkelijk strafbare zaken als verkrachting en intimidatie meer voorkomen en minder erg worden gevonden.
‘Misschien had ik het niet moeten zeggen’, zei Baudet in De Afspraak over zijn seksisme, en dat was het enige zinnige dat er die avond uitkwam. Inderdaad Thierry, zouden vader en moeder Luif adviseren, check je privilege en bij twijfel zeg je gewoon niets.

Deze column verscheen op vrijdag 30 juni 2017 in De Standaard

U heeft altijd gelijk

Het maakt niets uit wat ik hier ga schrijven, u heeft namelijk al een mening. U gelooft wat u gelooft, daar kan geen lieve moeder iets aan veranderen. Dat kunt u verder niet helpen, we lijden er allemaal aan. Er zijn weinig fenomenen in de psychologie zo onbetwist als de confirmation bias: de onbewuste hang naar het Grote Gelijk. Het schijnt zelfs zo te zijn dat we – ongeacht de feiten – alleen dát willen geloven wat onze positie in de groep niet schaadt, vermoedelijk omdat we er evolutionair geen belang bij hadden om door zoiets onzinnigs als ‘de feiten’ verstoten te worden. Door de bedrading van ons brein zien we de bewijzen eenvoudigweg niet als we daarmee onze plaats in de groep riskeren. Het is trouwens nog erger, want u denkt al sinds het begin van deze column te weten wat ik wil zeggen. Het maakt dus niets uit of ik hier zinnige dingen schrijf, de kans dat u na de titel en – vooruit – de eerste zin nog erg veel meekreeg is gering.
U vindt dus niet alleen wat u toch al vond, u beperkt zich ook nog eens tot de eerste indruk én u vindt vooral dezelfde dingen als de mensen die belangrijk voor u zijn, zelfs wanneer de feiten het tegendeel bewijzen, want feiten kun je niet eten, ze zullen niet voor je zorgen en je kunt er ook geen kinderen mee maken. Tot zover het nut van feiten.
U bent vooringenomen als de pest en ik ben uiteraard geen haar beter. Als ik research doe voor deze column, dan zoek ik bewust en onbewust de juiste informatie bij mijn al bestaande wereldbeeld, ik draai u en mezelf een rad voor ogen door de zweem van rationaliteit die ik over mijn argumenten leg. En zelfs al leid ik het kluizenaarsbestaan van een kinderloze schrijver, waardoor ik me vanzelf grotendeels onttrek aan de directe interactie met een groep, ik ben tegen wil en dank toch bedraad als was ik een oermens met een levensverwachting van 35 jaar en een grote behoefte aan iemand die ’s nachts het vuur brandende houdt.
Daar komt bij dat, zelfs als je de voorkeur voor bevestiging in de gaten hebt, dat nog niet wil zeggen dat je je brein om de tuin kunt leiden. Je bent immers voor eeuwig gevangen in de grijze massa die de evolutie voor je heeft klaargelegd.
In dat licht is de kans groot dat veel links georiënteerde mensen het geregeld eens zijn met wat ik zoal op deze plek beweer, terwijl rechtse mensen elke twee weken bij de titel en de eerste zin afhaken of geërgerd verder lezen om hardnekkig te blijven vinden dat ik ongelijk heb.
Het is om moedeloos van te worden, zeker wanneer je bedenkt dat de stellingenoorlog die dat oplevert onvermijdelijk leidt tot een competitie in het Grote Gelijk. Vandaag over een week is het een jaar geleden dat die neiging tot armpje drukken resulteerde in de Brexit, drie jaar geleden leverde die winner takes all-mentaliteit ons een centrumrechtse Vlaamse en een centrumrechtse federale regering op en de roep om referenda (Europa! Circulatieplan!) wordt steeds luider, terwijl dat bij uitstek wedstrijdjes zijn waarbij een grote groep bevooroordeelde mensen een andere grote groep bevooroordeelde mensen rauwelings afscheurt van zijn wereldbeeld en toekomstdroom.
De vraag is waarom we, als de bewijzen voor onze voorkeur voor bevestiging zo overweldigend zijn, niet per definitie streven naar compromissen die recht doen aan onze genetische loopgravenoorlog.
Toen ik een jaar of achttien was schreef ik in mijn dagboek: ‘Bewust zijn is het halve werk.’ Bij nader inzien is dat flauwekul, want dankzij mijn groepsgestuurde behaagzucht is het hooguit een fractie van het werk. Maar het is wél het enige dat ons te doen staat: bij alle informatie die we tot ons nemen of zelf verspreiden, bedenken dat we allemaal arme stakkers zijn in de houdgreep van ons kuddebrein. Geen enkel debat, geen enkel medium, geen enkel politiek besluit is vrij van de onverzoenlijkheid van onze hersens. Dat te weten zou ons nederig moeten stemmen. We kunnen doorpolariseren tot we een ons wegen, daar is ons zenuwstelsel immers uitermate geschikt voor, maar we kunnen beter direct op zoek gaan naar het compromis, want we hebben toch allemaal gelijk.

Deze column verscheen op vrijdag 16 juni 2017 in De Standaard.

De parade van vieze mannen

We waren nog lang geen jonge vrouwen, we waren meisjes zonder borstjes die wekelijks een vergadering belegden onder het klimrek. Daar bespraken we wie zich onze beste vriendin mocht noemen, we beklaagden ons over de stinkbommetjes die ons ten deel vielen en we vertelden over de vieze mannen die ons pad kruisten. De verzamelnaam ‘vieze mannen’ volstond binnen onze actieve woordenschat van vervelende buurvrouwen, strenge leraars en zeurende moeders. Vieze mannen hoorden bij het leven, net als fietsen in de regen of ruzie met je zus.
Zo was er de coach van de turnclub die bij de handstand je bovenbeen altijd zó dicht bij je liezen vastpakte dat je de warmte van zijn vingers tegen je schaamlippen voelde, er was de man die langs de route van bus 8 woonde en zich geregeld voor het raam stond af te trekken, er was de grote broer van een klasgenoot die luidop verslag deed van ontluikende tietjes op de speelplaats en er was de neef van een vriendinnetje die alle meisjes die hij tegenkwam in het kruis greep. De parade van vieze mannen was schier eindeloos, maar het woord machtsverhouding konden we slechts met grote inspanning foutloos spellen.
In het middelbaar waren we bijna jonge vrouwen en de vieze mannen kregen steeds vaker namen. De vergadering onder het klimrek vond voortaan plaats onder het poortje om de hoek, waar we stiekem rookten en mekkerden over tussenuren, kalverliefdes en steeds viezere mannen. De turncoach plantte inmiddels zonder omhaal zijn onderarm onder onze jonge borsten, zodat we er een salto omheen konden draaien, en naarmate we hoger afsprongen, vond hij meer redenen om ons met ongepaste grepen op te vangen. De verjaardagsfeestjes van de vriendin met de nietsontziende neef werden slecht bezocht, want de neef was groter geworden en zijn kruisgreep indringender. Bij het uitgaan knepen mannen in mijn borsten als ik met mijn handen vol glazen voorbijkwam, en de potloodventers veranderden in kerels die aan mijn bagagedrager trokken en me van mijn fiets sleurden. Een klasgenoot dreigde te blijven zitten, omdat ze zich geen raad wist met de leraar die de antwoorden op haar vragen richtte tot de spleet tussen haar borsten. We begrepen steeds beter wat machtsverhoudingen betekenden.

Twintig jaar na het klimrek leunden we met onze boezem op de stamtafel. We waren jonge vrouwen en de meeste vieze mannen hadden namen. Het was de docent die ongevraagd mijn schouders begon te masseren, de stagebegeleider die élke dag liet weten dat ik zo’n leuk shirt aan had en mijn baas die dacht me een plezier te doen met een compliment over mijn tepels. We schreven eindwerken over machtsverhoudingen, maar niettemin waren we machteloos.
We werden betast, bevraagd, verleid en belaagd door naasten en naamlozen, maar het bewustzijn stopte bij de onzichtbare muren van ons klimrek, ons poortje, onze stamtafel. Natuurlijk waren er inmiddels grote woorden voor wat wij meemaakten. Er kwamen ethische commissies, het woord seksueel grensoverschrijdend gedrag werd gemeengoed en tuchtprocedures en speciale telefoonnummers moesten de problemen oplossen. Maar in mannenbladen werd met geen woord gerept over ongewenste seksuele toespelingen, alleen de badmeester werd openlijk tot de orde geroepen en geen enkele vieze man had ooit sorry tegen ons gezegd.
Vieze mannen waren tot mijn dertigste een constante in mijn leven en in dat van mijn vriendinnen. Wij praatten erover, zoals Sensoa adviseert. Wekelijks deelden we getuigenissen, waarschuwingen en schuldvragen. Maar zij? Praatten zij er wel over? Want als vieze mannen in zoveel levens een deel van het meubilair zijn, dan betekent dat onherroepelijk dat er andere mensen zijn die het leven leiden van de vieze man. Dat zijn niet allemaal slechte mensen, integendeel, maar het zijn wel mensen die nog te weinig klimrekconferenties over seksueel overschrijdend gedrag hebben bezocht, mensen die zichzelf tot de orde moeten roepen, mensen die zich bewust zouden moeten worden van hun machtspositie.
Want je mag best per ongeluk aan mijn borst komen, zoals je ook op mijn teen mag gaan staan, maar doe niet alsof het niet gebeurd is en je geen sorry hoeft te zeggen, want dan verdenk ik je ervan dat je je positie misbruikt om zonder schroom een vieze man te zijn. En in dat geval veracht ik je.

Deze column verscheen op vrijdag 2 juni 2017 in De Standaard.

We zullen krampachtig doen

De foto hierboven is de laatste foto van onze vorige vakantie voor die onbestaande werd. Over niet al te lange tijd gaan we het weer proberen.

Vermoedelijk zal het zo gaan: we rijden weg, we raken in paniek, we dreunen op waar we allemaal geld hebben verstopt, wat we met onze papieren hebben gedaan en dat het allemaal heus wel in orde komt, vervolgens zullen we bij de eerste rotonde (1 km verderop) in huilen uitbarsten, waarna onze vakantie eindelijk kan beginnen.

Tot april duurde het, de mentale nasleep van de adrenalinebom na de beroving van een jaar geleden. Tot april wisten we ons vaak geen raad met onszelf, elf maanden lang sliepen we weinig, kort, rommelig, licht. We voelden, stress, leegte en volte, en nog steeds zijn er tekenen van overdreven alertheid, van irrationele angsten en van gedeelde vrees voor het alledaagse. Maar het woord ‘gedeeld’ maakt veel goed, we staan er redelijk hetzelfde in, we hebben grotendeels last van dezelfde symptomen en we zijn ook allebei bereid om te relativeren als onze gemoedstoestand dat toelaat.

We gaan drie weken op vakantie. Inbrekers hoeven zich geen illusies te maken want we hebben een poezenoppas. Wijzelf maken ons ook geen illusies: het zal de eerste dagen niet meevallen. We gaan wederom op de bonnefooi rondtrekken, omdat dat nu eenmaal is wat we het liefste doen. We gaan wederom naar Zuid-Frankrijk met uitwijkmogelijkheden naar de rest van Zuid-Europa, en we zullen wederom moeten tanken op tolwegen. De situatie zal talloze keren van dien aard zijn dat we ongewild zullen terugdenken aan het hallucinante einde van onze vakantie vorig jaar. En elke keer zullen we onze stofwisseling moeten sussen: sshhh, stil maar, er is niks aan de hand, laat de adrenalinepomp maar weer los.

We zullen krampachtig doen, nutteloos krampachtig, lachwekkend krampachtig, vermoeiend krampachtig. We zullen bij elke benzinepomp tot op de wc onze hand op onze spullen houden, ik zal het hengsel van mijn schoudertas twintig keer om mijn enkel wikkelen als ik op een terras zit, we zullen ons geld over zoveel plekken verdelen dat we nog jarenlang onverwacht briefjes van twintig tegenkomen, bovendien zullen we iedereen in eerste instantie wantrouwen, en in tweede instantie ook. Dat zal hels vermoeiend zijn, maar onvermijdelijk.

De krampachtigheid zal ook de andere kant op werken: we zullen geforceerd proberen het geen invloed op onze vakantie te laten hebben, we zullen regelmatig denken: hee, die jongen lijkt op onze dief Marek, we zullen bang zijn maar stoer doen, en we zullen voortdurend opluchting voelen: kijk, ook dit is weer niet rampzalig afgelopen! Steeds opnieuw zullen we zwijgen over wat we denken, want die kutlul mag verdorie niet opnieuw het enige onderwerp van gesprek zijn.

En het mag misschien niet zo klinken, maar we hebben er verschrikkelijk veel zin in.

Als ik minister Homans was

Soms stel ik me voor dat ik minister Homans ben. Dat ik in de frontlinie vecht voor een partij die de retorische pijngrens voortdurend tart, terwijl ik intussen minister van Gelijke Kansen moet zijn. En hoewel ik een lenig lijf heb, is de spagaat die ik moet aannemen wanneer ik me inbeeld dat ik minister Homans ben er een waarvan mijn spreekwoordelijke liezen scheuren.
Want hoe combineer je dat? Het boegbeeld zijn van de Partij van Angst en Beven en tegelijkertijd strijden voor gelijkheid? Wat doe je als je partij van je verwacht dat je meedraait in de cyclus van Moederdag- en kerststalhetzes, terwijl jij juist medeverantwoordelijk bent voor het wegnemen van vooroordelen en de gevolgen daarvan?

Als ik minister Homans was, zou ik er niet van slapen. De pijn in mijn liezen en de hypocrisie zouden me wakker houden, mijn hoofd zou tollen van de tegenstrijdigheden. Mijn partij koppelt migratie om de haverklap aan onwettelijkheid en een gebrek aan aanpassing, welwillendheid en respect, terwijl ik als opperbevelhebber van het antidiscriminatielegioen campagnes tegen vooroordelen lanceer. Wat zullen de mensen wel van me denken? Zouden ze me nog geloven? Zouden de gediscrimineerden zich nog serieus genomen voelen?

Al draaiend in bed zou ik mijn zelfrespect verliezen, want als minister van Gelijke Kansen zou ik me verdiepen in de literatuur over ongelijkheid, vooroordelen, beeldvorming, machtsverhoudingen en sociale uitsluiting. Zodoende zou ik weten dat negatieve stereotypering aan de basis ligt van veel vormen van ongelijkheid en ik zou het niet kunnen verkroppen dat juist mijn geestverwanten en ik die schadelijke beeldvorming nog eens aandikken.

Ik zou mijn partijgenoten midden in de nacht whatsappen: ‘Theo, ik heb er nog eens over nagedacht, je moet niet dag in dag uit twitteren over moslimterrorisme, veroordeelde illegalen en opgesloten migranten. Als staatssecretaris voor Asiel en Migratie ben je ook verantwoordelijk voor evenwichtige beeldvorming. Denk eraan!’ Met kleine oogjes van slaaptekort zou ik vervolgens een berichtje sturen naar de socialemediaredacteur van de partij: ‘Hela, de hele Facebookpagina van de N-VA vullen met berichten over terroristen, mensensmokkelaars, islamleraars zonder diploma en een bedreigde Moederdag is eenzijdig en onzinnig. We hebben een voorbeeldfunctie!’ Een diepe geeuw onderdrukkend, zou ik ten slotte op een post-it noteren: ‘Morgen: berichtje Zuhal en Bart.’

Na een kop warme melk zou ik opnieuw een slaappoging wagen, maar bij het in bed stappen zouden mijn liezen wederom protesteren tegen de spreidstand. Want ik zou me herinneren dat ik dinsdag de campagne ‘Zit u hier voor iets tussen?’ tegen vooroordelen lanceerde. Een campagne waarmee ik duidelijk wil maken dat wie weleens vooroordelen uit, moet beseffen dat het allemaal niet zo onschuldig is. Maar diezelfde dag bleef ik akelig stil toen de ondervoorzitter van Jong N-VA de wereld schokte met een seksistisch, xenofoob verkrachtingsplaatje (DS 16 mei). Terwijl dat een prima moment was om te laten zien hoe je dat doet, vooroordelen in eigen kring bespreekbaar maken. Ik zou me benard voelen, ik zou liggen woelen en in mijn hoofd zou het echoën: Liesbeth! Practice what you preach!

Ik zou in arren moede dan maar rechtop gaan zitten, en bij het schemerlicht van het lampje op mijn nachtkastje zou ik mijn bijdrage aan de negatieve beeldvorming glashelder voor me zien. Hoe ik de afgelopen jaren hamerde op het verfoeilijke pamperbeleid waarmee allochtonen in de zetel blijven zitten, hoe ik onderstreepte dat racisme aankaarten vaak vooral een excuus is van mensen die het eigen falen willen verdoezelen. Hoe ik volkomen voorbijging aan machtsverhoudingen door bij werkelijk elk interview iets te zeggen in de trant van ‘ja, maar omgekeerde discriminatie is ook heel erg’ of ‘ja, maar mensen zonder migratieachtergrond worden ook gediscrimineerd’.

Bij het ochtendgloren zou ik me hebben vastgedraaid in de enige vraag die me nog zou resten als ik minister Homans was: zouden ze het doorhebben? De vrijblijvendheid en dubbelhartigheid van wat ik doe? Na een slapeloze nacht zou ik beseffen dat ik misschien wel de slechtste pleitbezorger van de gelijkheidsstrijd was. En met lucifers tussen mijn oogleden zou ik aan mijn ontslagbrief beginnen. ‘Beste mensen, dit is niet te doen. Niemand gelooft me nog. Het is allemaal te gratuit. Ik stop ermee.’

Deze column verscheen vrijdag 19 mei 2017 in De Standaard.

Even geen superioriteitsgevoel

Eind april beginnen over de superioriteit van ‘onze’ cultuur: in Nederland zouden ze het niet durven. Niet omdat er in Nederland geen politici wonen die kampen met een misplaatst superioriteitsgevoel, integendeel, maar omdat het eind april al bijna begin mei is en meidagen in Nederland bestaan uit grote woorden. Opdat we niet vergeten. Iedereen is gelijk. Dit mag nooit meer gebeuren. Vrijheid geef je door. Op 4 mei worden de Nederlandse oorlogsslachtoffers herdacht die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn gevallen en vandaag, op Bevrijdingsdag, vieren we dat de Duitse bezetter in 1945 capituleerde.

Dat klinkt als een evenement met veel geblaat en weinig wol, van kransen leggen en, hup, weer door, maar dat is niet het geval. Na de polonaise op Koningsdag schminkt iedereen zich af, de oranje pruiken gaan de kast in en de onbevangen hysterie maakt plaats voor ruim een week contempleren over oorlog, vrijheid en de consequenties van die twee. De media staan dagenlang bol van de interviews, reportages en achtergronden over de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en de dunne grens tussen goed en kwaad. En dan niet op de National Geographic-manier – ‘Hebben we nog een filmpje van een bommenwerper?’ – maar diepgaander, met gesprekken over gewetenskwesties en dubbelhartigheid. Kinderen luisteren in de klas naar ver­halen over leeftijdsgenoten die moesten vluchten voor honger of geweld. Kranten­abonnees lezen over moedige verzetsdaden en het drieste verraad van boeren, burgers en buitenlui. Overal in het land zijn lezingen over de gevolgen van oorlog en genocide voor families, dorpen en gemeenschappen. De bezoekers van de talloze Bevrijdingsfestivals worden tussen de nummers door bijgepraat over vrijheid, samen delen, keuzes maken, nadenken en verdraagzaam zijn.

Sinds ik in België woon, mis ik die twee dagen van stilstaan en beseffen. Niet als privé-aangelegenheid, want ik ben tobberig aangelegd, aan stilstaan en beseffen geen gebrek, maar wel als collectief moment waarop er zonder meer aandacht is voor wat vrijheid inhoudt. Want er wordt niet alleen gefocust op de Holocaust, in de aanloop naar Bevrijdingsdag gaat de boodschap ook over de implicaties van vrijheid: dat vrijheid alleen bestaat bij de gratie van gelijkheid, dat discriminatie logischerwijs een bedreiging is van die vrijheid, en dat de cultuur van bepaalde bevolkingsgroepen als inferieur bestempelen een heil­loze weg is wanneer je die vrijheid voor toekomstige generaties wilt behouden.

Ik maak me geen illusies. Ik realiseer me terdege dat niet iedereen in Nederland even vatbaar is voor die dagenlange viering van humanistische waarden, dat steeds minder mensen weten wat er precies herdacht en gevierd wordt, en dat op sommige scholen het gesprek over de Holocaust elk jaar moeizamer verloopt. De laatste jaren zijn er ook steeds meer discussies over het in- dan wel uitsluiten van bepaalde groepen bij de herdenking.
Toch gun ik elk land een officiële feestdag in combinatie met een jaarlijkse ­mediahype, die het zoeklicht zet op de uitwassen van nationalisme, op het belang van tolerantie en op de gewetensvragen die horen bij onderdrukking.

Je op een amorfe christelijke feestdag volvreten in familieverband kan heel bevrijdend zijn, maar het is pas echt feestelijk om elk jaar te zien dat zelfs de minst maatschappelijk bewuste vrienden zich ineens wel inleven in oorlogsslachtoffers en dat grote groepen flierefluiters vol overgave documentaires kijken over de breekbaarheid van de vrije wereld.

Want zelfs als de mensenrechten­verering hypocriet is, omdat een deel van de bevolking stemt op partijen die er hun voeten aan vegen, omdat bepaalde groepen in de samenleving zich meer en meer verschansen achter hun middelvinger, en omdat de segregatie allang een feit is, dan nog is die dagenlange anti-uitsluitingscorridor in april en mei een ware verademing. Dat het gekrakeel daarna met volle kracht terugkeert, is teleurstellend, maar je weet dat je één keer per jaar meer dan een week op adem kunt komen om je te laven aan het feit dat zoveel mensen wél bereid zijn om periodiek stil te staan bij de gevolgen van misplaatste superioriteitsgevoelens. Tien dagen waarin geen levende ziel het in zijn hoofd haalt om, zich op de borst roffelend, een andere groep inferieur te verklaren ten behoeve van electoraal gewin. Wie wil dat nu niet?

Maartje Luif is journalist en schrijver. Haar column verschijnt tweewekelijks op vrijdag.
Deze column verscheen op 5 mei 2017 in De Standaard.

Het taboe op donker haar

Stelt u zich voor: een lichamelijk ongemak dat uren van je tijd kost, dat honderden euro’s per jaar in rook doet opgaan, dat met enige regelmaat pijn, jeuk, bloed of uitslag veroorzaakt en dat je soms aan huis gekluisterd houdt. Ocharme, denkt u: het dutske heeft een ernstige ziekte.

Maar neen, het is het verhaal van de meeste vrouwen met donker haar en een hoog aantal haarzakjes per vierkante centimeter, het is het verhaal van de vrouw die ophield met scheren en daarmee de krant haalde (Blogster scheert zich al een jaar niet meer, DS online 16 april) en het is mijn verhaal. Wat begon met een kleuter die door de klas riep dat ik een baardaap was, is bijna veertig jaar later uitgedraaid op een situatie waarin ik me koortsachtig afvraag wat ik mezelf aandoe.

Ik weet wel wat ik mezelf aandoe als ik géén inspanning lever. Dan roepen de mensen jongensnamen naar me. Ze staren, fronsen, walgen en ze stoten elkaar aan. ‘Haha, heb je die gezien!’ ‘Papa, waarom heeft die mevrouw een snor?’ Als ik in de zomer even naar de winkel wil, moet ik óf mijn zomerjurk verruilen voor een broek óf eerst mijn benen scheren, tenzij ik zin heb in commentaar van vreemden.

Als ik elke dag van het jaar een cultureel aanvaardbaar lichaam zou willen hebben, dan zou dat rond de 150 uur arbeid en 500 euro per jaar kosten, en ik zou alle zeilen bij moeten zetten om mijn gevoelige huid onbeschadigd mee te laten lopen in een strikt ontharingsregime. Dat kan ik niet opbrengen, dus volg ik een zwalkstrategie. Mijn armen en wenkbrauwen laat ik naturel, mijn schaamstreek wordt gedirigeerd door transpiratie, menstruatie en relatie, en mijn oksels en benen doe ik seizoensgebonden, want bij drie keer in de week scheren is dat zo’n 75 vierkante meter per jaar en ik heb wel wat beters te doen. Mijn bovenlip en kin ten slotte houd ik bij wanneer ik te veel stoppels voel en dat is elke drie dagen.

Dit klinkt allemaal heel bedachtzaam, alsof ik zelf kies wanneer ik wel en niet onthaar, maar in werkelijkheid is het de autonomie van de ­pleaser; het is systeembevestiging in optima forma. Ik ben zo’n vrouw die lang heeft gezegd: ik vind een kaal been zélf gewoon mooier! Maar is dat wel waar? Als ik mijn been naast dat van mijn man zet, dan hebben we ongeveer evenveel haar. Toch vind ik dat hij een prima been heeft, terwijl mijn been mijn goedkeuring pas kan wegdragen na een fikse scheerbeurt. Heeft dat nog iets met mooi te maken? Of is het de schaamte die volgt uit wat me is aangeleerd mooi te vinden?

‘Ik vind een monobrauw onverzorgd’, schreef een andere vrouw laatst naar me. Ze had me nog nooit gezien, dus ze wist vermoedelijk niet dat ik een stuk of zes haartjes boven aan mijn neusbrug heb die mijn twee wenkbrauwen met elkaar verbinden. Toch betrok ik het op mezelf: ben ik door die paar haartjes inderdaad onverzorgd? ‘Onverzorgd’ heeft naar mijn mening met vies en verwaarloosd te maken, niet met smaak of mooi. Is het been van mijn man vies en verwaarloosd? Nee. Waarom het mijne dan wel?

Ik ben enorm teleurgesteld in mezelf dat ik de ultieme consequentie van deze column niet zal trekken. Dat ik een lafaard ben die de aangeleerde schaamte als obstakel accepteert. Als ik straks nog even naar het zwembad wil, zal ik me afvragen: wil ik eerst een uur douchen en scheren, voor ik ga zwemmen? Vaak is het antwoord nee en dan ga ik dus maar niet. Als het antwoord ja is, dan zal ik me onderwerpen aan het regime en gewapend met messen mijn arbeidsuren draaien.

Het moge duidelijk zijn: met mij gaan de donkerharige vrouwen de oorlog niet winnen. Maar misschien wel met u, want u zou kunnen besluiten een einde te maken aan body­shaming in het algemeen en het pesten van vrouwen met lichaamsbeharing in het bijzonder. Als u ophoudt met commentaar te leveren op harig vrouwenvel, dan durf ik misschien voor ik doodga nog eens spontaan naar het zwembad of naar de winkel. Ik kan me er niks bij voorstellen, maar ik gok dat zoiets heel aangenaam is.

Deze column verscheen op vrijdag 21 april 2017 in De Standaard.