Cute overload: het aantal verkeerslichten in de vijfde stad van Vlaanderen

Leuven is de vijfde stad van Vlaanderen en toch zijn er maar zes kruispunten met verkeerslichten binnen de ring. Waarvan sommige nauwelijks een kruispunt mogen heten. Dit bijvoorbeeld:

Of dit:

Ik hou van Leuven. Ik was na dertig jaar Amsterdam heel erg toe aan een stad voor beginners en Leuven is de beste stad voor beginners die er is. Leuven is bedoeld voor mensen die een stad nog verkeerd om houden als ze erop gaan spelen, zoals beginnende gitaristen doen met een gitaar.

Nu kun je zeggen: ja, maar dat is niet eerlijk, want in de Benelux zijn alleen maar steden voor beginners. En dat is waar. Maar in de categorie Steden voor Beginners mag Leuven onder het kopje Allergeschiktst voor Absolute Beginners.

België is een uitsmeerland. Alle bebouwing is uitgesmeerd over de hele oppervlakte, want niemand wil ‘omhoog’ wonen, dus heeft België heel weinig grote steden. Ik zal de situatie even vergelijken met Nederland:

De tweede stad van Nederland (Rotterdam) heeft 639.587 inwoners, de tweede stad van België (Gent) heeft er 259.083.

Leuven, de achtste stad van België en de vijfde stad van Vlaanderen heeft 100.291 inwoners tegenover 201.703 voor de achtste stad van Nederland, Almere.

In zekere zin zijn de cijfers onvergelijkbaar, juist omdat België een uitsmeerland is. De tentakels van de ene stad haken in de tentakels van een andere stad door deelgemeenten en dorpskernen die allemaal een eigen naam hebben, maar alleen door insiders van elkaar te onderscheiden zijn. En zelfs de ingewijden kunnen het nauwelijks overzien. Wie mij uit het hoofd kan vertellen waar Leuven, Herent, Holsbeek, Wilsele en Kessel-Lo precies eindigen en beginnen is een krak.

Door die wirwar van woonkernen lijkt Brussel in de cijfers op een stadje ter grootte van Nijmegen, terwijl iedereen die wel eens in Nijmegen en Brussel is geweest dat een beroerde vergelijking zou vinden. Maar toch, zelfs als je deze arbitraire ordening der dingen en beetje relativeert heeft de vijfde stad van Vlaanderen en de achtste stad van België toch maar zes kruispunten met verkeerslichten binnen de ring. Daar kan ik me echt om verkneukelen.

Voor de liefhebbers: de kruispunten die ik heb geteld. Mocht ik er een zijn vergeten, let me know!
1. Kruispunt Blijde Inkomst/Maria Theresia
2. Kruispunt Tiense/Maria Theresia
3. Kruispunt Petermannen/Ridderstraat
4. Kruispunt Vaart/Vaartstraat
5. Bruul/Brouwersstraat
6. Kruispunt Tervuurse/Sint-Hubertus

Update: ik kreeg de vraag of het wel klopt, want is Brussel niet toch de grootste stad? Maar het Brussels gewest bestaat uit 19 gemeenten die statistiekentellers niet meetellen bij de stad Brussel, terwijl dat best verdedigbaar zou zijn. Maar als je dat doet, is de vraag: waar houdt het op? Welke gemeente tel je dan wel mee en welke niet? Want als we vastgeplakte buurgemeenten meetellen, loopt Brussel door tot buiten het Brussels gewest. Brussel is een soort Malta: alleen in de hoofden van de mensen zijn er grenzen tussen de ene straatsteen en de andere.

Update 2: ik kreeg net te horen dat de verkeerslichten aan het kruispunt Maria Theresia/Blijde Inkomst en Maria Theresia/Tiense uitstaan. Ik schrap die nog niet, maar de facto zijn het er dus nog maar vier.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 16.

Cijfers: 2017, FOD Statistiek/CBS

Gouwe ouwe: mijn lezers draaien alle kanten op

In mei 2009 (al bijna tien jaar geleden!) vroeg ik mijn lezers of ze óók buikdraaiden in bed. De antwoorden bleken verrassend gevarieerd, net als als jullie beeld van de de man-vrouw-verhouding in de Bende van Grootmoeders Kastje. Mede daarom herplaats ik het stukje met de antwoorden.

Wat een verrassing. Ik ben niet vreemd. Helemaal niet zelfs. Ik ben zo gemiddeld als wat. Maar u ook, u bent ook zo gemiddeld als wat.
De vraag of u rug- of buikdraait, is namelijk grofweg geëindigd in een gelijkstand voor alle opties.
Er waren 37 respondenten die ik elk bij een categorie heb ingedeeld: buikdraaien, rugdraaien of beide.
Hier zijn de cijfers:
Buikdraaien: 13 mensen
Rugdraaien: 13 mensen
Beide: 11 mensen

Kortom: wat u ook doet, u bent niet vreemd. Toch is dat voor velen moeilijk voor te stellen. Veel mensen schreven iets bij hun antwoord als ‘natuurlijk’ of ‘hoe anders?’. En de redenen waarom op een andere manier draaien onplezierig of zelfs levensgevaarlijk zou zijn, waren ook niet van de lucht.

Over buikdraaien
“Buikdraaien is net zoiets als verdrinken.”
“Als ik eens flink wil zuchten dan ga ik via mijn buik.”
“Via mijn buik, dat is zo’n lekker warm en veilig gevoel.”
“Wanneer ik het koud heb, neem ik de buikweg, die is warmer.”
“Buik, zelfs al wordt er dan zeer on-economisch driekwart gedraaid!”
“Als ik over mijn buik omdraai dan betekent dat, dat ik niet kan slapen.”

Over rugdraaien
“Dat is makkelijker, en/want minder hobbelig.”
“Rugdraaien is net zoiets als over de kop gaan: het voelt raar.”
“Denk dat het is omdat ik dan niet met mijn gezicht door het kussen moet tijdens het draaiproces.”
“Wanneer ik het te warm heb, neem ik de rugweg, want dan kom ik lekker veel frisse lakens tegen.”
“Dan kan je ook beter je dekbed in bedwang houden.”

Over het afwisselen van beide
“Ik neem namelijk steeds de kortste weg.”
“Sorry hoor, maar dit hangt er maar helemaal van af aan welke kant van het bed je ligt.”
“Ligt eraan hoe lui ik ben, geloof ik.”
“Ik draai namelijk rondjes.”
“Als je ‘lepeltje lepeltje’ in slaap valt, dan kan de ene alleen via zijn/haar buik draaien en de ander via de rug.”

Hoewel veel mensen die buikdraaien ook buikslapen, lijkt er geen direct verband te zijn. Er zijn ook mensen die buikdraaien en rugslapen, en voor mij geldt: ik slaap alleen op mijn zij en ik draai altijd langs mijn buik. Sommige mensen draaien helemaal niet, dat is ook wonderlijk. En sommige mensen laten het afhangen van hun energiepeil, hun temperatuur of de geometrische verhouding tot bedrand of het lief. Razend interessant!

Bedankt voor al jullie reacties.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 15.

Allegaartje

Een jaar of elf geleden schreef ik mijn eerste allegaartje, in 2016 mijn laatste en vorige week schreef Lilith er een waardoor ik me weer herinnerde dat een allegaartje een heel geschikte manier was om blogjes te schrijven wanneer je weinig tijd had.

Dingen die ik niet ging doen

1. Mijn cursus vandaag. Zo jammer, want het is de koudste ochtend van het jaar en er stond een Miradal-excursie op het programma. Maar een zelfstandigenbestaan is alleen leefbaar als je goedgezind en energiek bent, dus moet je de workload soms geforceerd terugschroeven.
2. Een blogje schrijven, gisteren. Ik heb gefoefeld door mijn column van twee weken geleden over twijfelen over België – die nog op mijn site gezet moest worden – als blogje mee te rekenen. Dag dertien: check!
3. Me laten opfucken. Al weken zeilen er mensen mijn berichtenboxen binnen die om wat voor reden dan ook kwaad op mij zijn, meestal door dingen die ze van of via mij lezen. Ik vind het ontzettend moeilijk om het me niet aan te trekken als bekenden kwaad op mij zijn, maar gelukkig lukt het me steeds beter. God, wat zijn er veel giftige mensen.

Dingen die ik leerde

1. Dat meerkoeten zich over hun intolerante gedrag heen zetten om gezamenlijk het ijs open te houden.
2. Wat een paskwil betekent.
3. Dat er zoiets bestaat als het missing white woman syndrom.

Dingen die ik misschien niet had moeten doen

1. Toch weer drop kopen, terwijl ik er heel snel misselijk van word.
2. Schrijver worden. Ik ben meer de drummer van de band, die zich niet zo senang voelt vooraan op het podium.
3. Nee zeggen tegen mensen die werkgewijs iets van mij willen. Misschien vind ik dat wel het moeilijkste aan mijn werk: al dat nee zeggen en dan later het gevoel bezweren dat ik de afslag to end all afslagen heb gemist.

Dingen die ik momenteel begeleid

1. Een boek dat onderdeel is van een multidisciplinair project met beeldende kunst en muziek.
2. Een nieuwssite die schrijvenderwijs de paywall wil overwinnen.
3. Een roman over een man wiens zoon de diagnose autisme kreeg. Door die diagnose kijkt hij met een andere blik naar zijn eigen leven. Het boek komt in de loop van dit jaar uit.

Dingen die ik onlangs naar mensen schreef

1. ‘Bedankt dat je me behoedt voor weer een aantal foutjes!’
2. ‘Mail is natuurlijk voor die jongens en meisjes zoiets als dat ik een brief op de post moest doen toen ik 14 was, dat kon zonder aansporing van mijn ouders eeuwen duren.’
3. ‘Ik lees terug wat ik heb geschreven en denk: god Maartje, je hebt wel lef.’

Interessante stukken die ik onlangs las

1. Een verhaal over de sluwe Onavo-app. Gebruik je die? Niet meer doen.
2. How Trump conquered Facebook – without Russian ads. De twitteraar via wie ik dit stuk las, beschreef het goed: ‘Facebook is a unique enabler of extremism, full stop. “If it’s outrageous, it’s contagious” is literally the bedrock, fundamental modus operandi of its engagement-optimizing algorithms.’ Mijn column van vandaag gaat daar ook over.
3. ‘Ik vind het makkelijk om te vechten voor goede journalistiek’. In de intro: ‘Vrij Nederland maakt een radicale omslag: het zet nog maar één verhaal per dag online. Hoofdredacteur Ward Wijndelts weet dat hij vecht voor het voortbestaan van het blad.’ Hier staat het artikel op Blendle (€).

Dingen die me onaangenaam verrasten

1. De populariteit van stropop-argumenten. Stropop-argumenten zijn argumenten die een andere (vaak gemakkelijker aan te vallen) stelling bestrijden dan de oorspronkelijke stelling. Een voorbeeld: ‘Ik vind dat we vluchtelingen humaan moeten opvangen.’ Stropop-argument: ‘Maar als we iedereen toelaten, wordt de sociale zekerheid onhoudbaar.’ De oorspronkelijke stelling – we moeten vluchtelingen humaan opvangen – wordt in het tegenargument omgevormd tot ‘we moeten iedereen toelaten’. Die manier van debatteren is zó oneerlijk dat ik, en vermoedelijk velen met mij, mijn debatpartners pardoes niet meer serieus neem. En dat is jammer, want een kwalitatief debat kan zo verhelderend zijn.
2. Dat de buren gaan verhuizen. Het zijn aangename buren en in Leuven is de kans dat het huis volledig gestript wordt als er nieuwe mensen gaan wonen aanzienlijk. Bear with me.
3. Dat de Vlaamse luchtkwaliteit echt áltijd slechter is dan in de meeste regio’s in West-Europa. Bekijk hier een actueel overzicht.

Dingen die niet helemaal kloppen

1. Dat ik soms mailtjes wil liken. Dus ik lees een mail en denk ‘cool’, maar meer niet. Als ik op andere platforms bij vrienden denk ‘cool’ maar meer niet, dan druk ik op een duimpje of een hartje. Mijn mailbox roept kennelijk dezelfde brainwave op.
2. Dat ik juist nu veertig dagen ga bloggen, terwijl het vroege voorjaar van oudsher een heel drukke tijd is in mijn beroepspraktijk.
3. Dat juist ík, met mijn ietwat beroerde geheugen, een natuurgidscursus volg. Ál die fucking weetjes, al die essentiële details (ik bedoel: de grote bonte specht, de middelste bonte specht, de kleine bonte specht, are you kidding me?)

Dingen waar ik naar verlang

1. Nog eens een boek in twee dagen uitlezen in plaats van eindeloos worstelen omdat mijn concentratie weer de gedaante van een Jack Russell heeft aangenomen.
2. Het rozige gevoel dat we zullen hebben als we deze zomer in onze tent op Vlieland liggen.
3. Dat het me lukt om ooit definitief te stoppen met roken en niet een jaartje hier, een half jaartje daar, nog eens wat weken zus en een maand of elf zo.

Dingen die ik ga proberen

1. Me niet meer laten opfucken. Toe maar, wees maar onvriendelijk, gooi me maar voor de bus, schend mijn vertrouwen, het zal me raken, het zal me pijn doen en het zal aan me knagen, maar ik zal rustig blijven.
2. Het verschil tussen de kleine, middelste en grote bonte specht onthouden.
3. Meer vrij schrijven. Ik vind het moeilijk, want ik denk steeds: is er niet iets zinnigers te doen? Calvinist die ik daar ben. Maar het lucht zo op.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 14.

Waar kan ik heen?

Mijn moeder zei het soms als ik zeurde om meer hagelslag op mijn boterham: ‘Als het je hier niet bevalt, ga je toch weg?’ Ze gaf me uiteraard niet echt de keuze om mijn tandenborstel en mijn teddybeer in te pakken, maar als ze geen zin had in de discussie, gebruikte ze het als machtsmiddel. Het was haar manier om duidelijk te maken dat ze de baas was. En hoewel mijn innerlijke driftkikker schreeuwde ‘oké, dan ga ik wel!’, was de werkelijkheid onverbiddelijk, want waar moest ik heen?

‘Waar kan ik heen? Ik kan niet naar China,’ zong Het Goede Doel in diezelfde tijd en hoewel de vluchtneigingen van de tekstschrijvers wortelden in het No future-sentiment van begin jaren tachtig, was het ook een geschikte soundtrack voor een negen­jarige die zat te mokken in haar kamer. ‘Is er leven op Pluto? Kun je dansen op de maan? Is er een plaats tussen de sterren waar ik heen kan gaan?’

Fast forward naar 23 jaar later. Ik twijfelde niet over België. Of misschien eventjes, omdat het niet niets is, ontslag nemen en je naasten verlaten, maar de twijfel was van korte duur. Er wachtte een liefde, er wachtte een leven, en het zou een einde maken aan ontwrichtende financiële en lichamelijke consequenties die een lange­afstandsrelatie met zich brengt.

Maar wat bleek: België twijfelde wel over mij. Want hoewel ik me al geruime tijd neerlegde bij een enkele laag hagelslag, bleek het machtsmiddel ‘als het je niet bevalt, ga je toch weg’ nog steeds actueel. Ik kreeg het te horen toen ik een foutparkeerder vroeg om zijn bestelwagen niet voor mijn raam te zetten, het werd me geadviseerd toen ik Belgische freelancetarieven ter discussie stelde, en ik kreeg het niet zelden te verstouwen in de ongezellige berichten die je als columnist geregeld ontvangt. Zelfs weldenkende mensen zeggen soms tegen me: ‘Je hóéft hier toch niet te zijn?’

Er is soms verwarring over waar ik dan wel naartoe zou moeten. Op basis van mijn uiterlijk adviseren mensen me vaak om de terugreis naar de Caraïben of Marokko te boeken, maar mijn stemgeluid leidt meestal tot de tip om in Nederland te gaan zitten klagen.

En dat is de overeenkomst met groepen die nog veel hardnekkiger worden buitengesloten – mensen die hier vaak geboren en getogen zijn: het maakt niet uit waar we vandaan komen, als we maar weggaan. Als je klinkt of eruitziet als een nieuwkomer, dan is dat genoeg om legitieme kritische noten te pareren met de vraag wat je hier eigenlijk nog doet.

De vraag is retorisch, want ze willen het antwoord niet horen. Ze willen niet weten dat we op zoek zijn naar liefde en welbevinden, dat we al jaren hard werken om een leven op te bouwen en dat de vraag waarom we hier nog blijven te groot is om te beantwoorden.

Bovendien is het niet onschuldig om die vraag te stellen, want het is een machtsmiddel, een manier om dissonante stemmen de mond te snoeren en een vorm van microagressie die, als je maar vaak genoeg in herhaling valt, hetzelfde effect heeft als lichamelijke mishandeling. Onderzoekers hebben zelfs ontdekt dat pijnstillers werken als je last hebt van kleinschalige uitsluiting.

Het afgelopen jaar is die vorm van agressie gepromoveerd tot het politieke vergezicht van centrumrechts. De Nederlandse premier Mark Rutte vernauwde zijn verkiezingscampagne begin 2017 tot de quote: ‘Als het je hier niet bevalt, dan ga je toch weg?’ Waarna Gwendolyn Rutten (Open VLD) schreef: ‘Ik kom gewoon op voor wat wij hier normaal vinden. Wie het daar niet mee eens is, hoeft hier niet te blijven.’

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen zijn er plannen om niet-Belgische Brusselaars voortaan stemrecht te geven, dan kunnen ze meepraten als het ze niet bevalt. Vlaams minister van Brussel Sven Gatz zegt daarover: ‘Na de aanslagen en de rellen voel je dat er een grote noodzaak aan eenheid is en dan is het logisch dat je meer mensen die eenheid laat bepalen.’ Ik lees zijn woorden, strooi nog wat extra hagelslag op mijn boterham en stel vast dat hij van Open VLD is, de partij die meent dat ik hetzelfde normaal moet vinden als Gwendolyn Rutten. En hoewel ik weet dat het me opnieuw die eeuwige vraag zal opleveren, twijfel ik nog maar eens hardop over België.

Deze column verscheen op woensdag 14 februari 2018 in De Standaard.

10 jaar geleden: mijn eerste Youtube-video’s

Tien jaar geleden plaatste ik mijn eerste Youtube-video’s. Ik filmde ze met mijn eerste telefoon met camera en dat is te zien.

Dit was het eerste filmpje. De magische wisseltruc der parende lieveheersbeestjes. Tot het einde kijken.

In het tweede filmpje constateerde ik dat je als blinde persoon in Gent Dampoort niet alleen nauwelijks kunt ontkomen aan een aanrijding, je wordt ook door het blindenpad behoorlijk in de steek gelaten. Ook tot het einde kijken.

• Omdat ik heel weinig tijd heb deze week zullen er een paar gouwe ouwen langskomen.
• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 12.

Smeerlapperij

In mei 1974 schreef mijn opa deze brief naar de Volkskrant. Hij was toen 63 jaar oud, ik drie maanden. Ik ben een gretige Delpher-delver, dus deze brief had ik al eens opgeduikeld, maar toen ik er onlangs weer op stuitte, was ik opnieuw onaangenaam verrast. Kennelijk was het me gelukt de brief weer te verdringen, terwijl ik niet verbaasd was de eerste keer ik dat ik de brief las.

Mijn opa werd gekneveld door een ernstige dwangneurose, een niet-aflatende godsvruchtigheid, een levenslang knellend conformisme en diep verankerde militaire discipline. Hij deed daar zichzelf en anderen de duvel mee aan, en soms maakte hij zich kennelijk zo kwaad dat hij vond dat het in de krant moest.

Behalve een boel aankondigingen dat hij een vulpotlood had gewonnen door de ‘puzzle’ in te vullen, en uiteraard de nodige familieberichten, vond ik in Delpher twee brieven met zijn grieven en twee nieuwsberichten over zijn taak als reserve-majoor in Indonesië (ook al zoiets). De andere brief zal ik hieronder plaatsen.

De Reve-brief raakt me. In de eerste plaats natuurlijk omdat het geen fijn idee is dat je opa er allerlei nare ideeën op na hield, ideeën waarvoor ik me plaatsvervangend schaam. Maar in de tweede plaats omdat je aan alles ziet dat hij er heel erg lang over heeft nagedacht. Er mocht nergens een misverstand over bestaan: niet over zijn vroomheid, niet over zijn patriottisme, niet over zijn keurig burgerschap, niet over zijn bekommernis om de jeugd.

Zo heeft hij willen uitsluiten dat er ook maar iemand kon denken dat hij vrijwillig naar De Grote Gerard Reve Show keek:

Ik denk dat hij niet naar de kerk wilde met de mogelijkheid dat de mensen dachten: o kijk, daar heb je die kerel die naar vunzige tv-programma’s kijkt. Hij achtte daarvoor het woordje noodgedwongen niet afdoende, hij vond dat de omstandigheden erbij moesten: hij was op bezoek bij iemand die ernaar keek. En omdat hij het voor mogelijk hield dat er op dat punt nog iemand twijfelde, vond hij dat men ook moest weten dat hij zelfs al heel uitdrukkelijk had besloten niét naar dat programma te kijken.

De tweede alinea lijkt minder eenduidig:

Hij schrijft dat hij de “literator” niet verwijt dat hij ‘homofiel’ is, maar heeft het in dat verband wel over ‘abnormale ideeën’ waarmee ‘kleine kinderen vergiftigd worden’. Dat klinkt als een tegenstelling, maar ik denk echt dat mijn opa enerzijds dacht: je mag mensen niet kwalijk nemen dat ze ‘ziek’ zijn – hij was zelf ook opgenomen geweest – maar anderzijds vond hij dat je zo’n ziekte met alle schroom die je in je had diende te verbergen. Dat had vermoedelijk alles te maken met zijn vroomheid en het heilige geloof in het huwelijk zoals God het bedoeld had. Zijn zinnen over de ezel en het weesgegroetje mogen dan terloops zijn, ze verklaren veel van wat hij beoogde met deze brief. De angst voor een plaatsje in de hel was na zo’n brief in de krant toch weer even bezworen.

De laatste alinea laat al iets zien van de Telegraaf-lezer die mijn opa later werd:

De oranjegezindheid, het burgerlijk fatsoen, de hyperbolen van erg diep gezonken, het duidelijkste bewijs, alle perken te buiten. De aanhalingstekens om “heren”. Mijn opa was een bange, depressieve man die vrijwel alleen maar houvast vond in dingen die ik verafschuw. Een man die zijn macht ontleende aan zijn afkomst, zijn sekse, zijn voorbestemde plaats in de maatschappij. Een man die zag hoe zijn kinderen verloederden en hoe de wereld naar de gallemiezen ging.

Het is zielig en het is gevaarlijk. Dit is hoe mensen radicaliseren: een combinatie van angst en niet beter weten. Mijn opa was geen leuke opa, geen leuke man, maar hij was daar niet uniek in. En hoewel hij in een tijd leefde waarin verstikkende zuilen en fluks vervlogen aanzien veel meer mensen tot zulke uitersten dreven, is het extremisme van alle tijden. Ook nu zijn er weer veel te veel mensen die van bangigheid niet meer weten wie ze de schuld zullen geven.

Mijn opa zet mij aan tot denken. Ik heb hem gekend, bijna twintig jaar lang. En hoewel we niks met elkaar hadden – want hij mag dan in de brief kleine kinderen aanhalen, het was er de man niet naar om zich met kleine kinderen bezig te houden – zag ik hem niet als een man met slechte ideeën. Ik zag een man die elke dag zijn boterham hetzelfde belegde, een man die in paniek raakte als hij de krant niet uitkreeg, een man die zelfs toen hij niet op meer op kon staan de hele dag wilde knielen, een altijd bange man.

Ik heb zijn angst geërfd en ik bezweer het door te beseffen dat er geen beginnen aan is. Dat angst van binnen zit, dat al mijn kennis verhult hoe diep de angst zit en dat het voornaamste wat ons te doen staat, is zorgen dat we geen nieuwe bange mensen maken. Want dat is verdomme de echte smeerlapperij.

Voor de liefhebbers: de tweede brief van mijn opa:

  • Een paskwil is ‘iets waarmee men iets belachelijk maakt’.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 11.

Aangeboden: zaalquizzers

Als ik een Nederlander zou moeten vertellen over de zaalquizcultuur in Vlaanderen is, dan zou ik niet weten waar ik zou moeten beginnen. Het is misschien vergelijkbaar met Koningsdag, de kenmerken zijn zó specifiek dat je bijna geen parallellen kunt trekken. Met koningsdag en het oranjegevoel deed ik ooit een poging, maar dat leverde direct een ellenlange tekst op.

Een zaalquiz in Vlaanderen is een militaire operatie waarbij discipline voorop staat: je laat je meevoeren in de drill van de avond of je bent reddeloos verloren. Je krijgt papieren, je moet goed luisteren, je mag niet te luid overleggen, je moet erop letten dat je netjes schrijft en je mag het belangrijkste niet vergeten: de juiste antwoorden geven. Als je iets wilt drinken moet je bonnetjes of muntjes halen, je moet een bestelformulier invullen, je moet een papier omhoog houden waarop bijvoorbeeld staat: DORST! En dan staat er in een mum van tijd een vrijwilliger aan je tafel die de versnaperingen regelt. De zalen zijn vol, het tempo is hoog en het fanatisme is bij elke tafel verschillend, maar in de goedgevulde zaal zitten áltijd geduchte tegenstanders.

Ik heb pas twee keer aan een officiële zaalquiz meegedaan, dus ik ben ongeveer de slechtste persoon om erover uit te weiden, maar ik kijk wel met grote ogen naar het fenomeen, dus dat maakt mij juist weer heel geschikt.
Dat ik pas twee keer meedeed, is eigenijk verbazend: ik ben in andere contexten doorgaans een fanatieke quizzer en de setting is er een waar ik van hou. Je bent met tientallen, soms honderden mensen bij elkaar, maar je hoeft geen kletspraatjes te voeren, aan het einde van de avond ben je niet overprikkeld, en ook met de mensen aan je tafel heb je vooral veel te doen. Druk druk druk.

Lijkt het op een pubquiz? Misschien, een beetje. Maar de schaal, de hoeveelheid quizzen, het feit dat de quiz vaak voor een goed doel georganiseerd wordt, de organisatiegraad (al die vrijwilligers!), de oubolligheid en de aanpak met die bestellingen en al dat papierwerk – een aanpak die overal hetzelfde lijkt – maken het toch een totaal ander fenomeen.
Gisteren belandde ik weer onverwacht aan een zaalquiztafel. De vorige keer eindigden we ergens in de toptien van – wat zal het geweest zijn – zo’n zestig tafels. Toen mochten we een goodiebag uitkiezen. Dit keer werden we zevende van 42 tafels, maar dat leverde niks op.

Het fijne van zo’n groot deelnemersveld is dat je het je totaal niet aantrekt als je niet bij de winnaars zit, want het is geen schande om niet slimmer te zijn dan 250 andere mensen. Maar als je hoog eindigt, geeft dat wel een boost, want verdorie, je bent zowaar slimmer dan die andere 250 mensen!

Om een lang verhaal kort te maken: mocht je in de buurt van Leuven ooit twee mensen nodig hebben, Wannes en ik schuiven graag aan.

Update:

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 10.