Jarig (met liefs voor mijn moeder)

‘Ik dacht nog: ik weet helemaal niet meer hoe je eruitziet’, zei ze.

Als je emigreert is schuldgevoel een tweede natuur. Je bent nergens bij, je kunt nergens mee helpen, je bent er niet op belangrijke momenten en niemand weet nog hoe je eruitziet. En dat is in elk geval niet hun schuld, dus go figure.

Mijn moeder zegt vaak. ‘Ik had er best bij willen zijn.’ Of: ‘Ik had je best wel willen verzorgen.’ Of: ‘Ik had je wel willen helpen.’ En hoewel de meeste zinsconstructies suggereren dat ík iets misloop, is het schuldgevoel over wat zij allemaal misloopt allesverzengend. Want als je vertrekt ontneem je mensen de kans om zich om je te bekommeren, om je te koesteren en om je te verzorgen. Als je ziek bent kunnen ze je niet soigneren, als je jarig bent niet feliciteren, en in het allerergste geval weten ze gewoon helemaal niet meer hoe je eruitziet.

43 jaar geleden kon zij niet zien aankomen dat ze zich zo onthand zou voelen op een dag als vandaag. Dus plaats ik vandaag, op mijn verjaardag, even een fotootje voor mijn moeder. Zodat ze in elk geval nog weet hoe ik eruitzie. Met heel veel liefs.

Vaste columnist bij De Standaard

Jarenlang hoopte ik het, een vaste column in een medium dat ik hoog had zitten. Ik schreef al veel columns voor grote media, maar vaak tijdelijk, of wel vast, maar dan in niche-media, of in media die niemand kende, of in media die net zo goed niet hadden kunnen bestaan, of of of.

De mensen die mij al langer volgen, weten dat ik me maar deels geaccepteerd voel in België, soms voel ik me eerder ‘getolereerd’ en af en toe voel ik me zelfs niet geaccepteerd. Een column in een Belgisch medium dat ik hoog had zitten, schreef ik in mijn hoofd dus al af: er zijn genoeg mensen minder controversieel door hun afkomst, dus waarom zouden ze mij daarvoor kiezen?

Ik gooide wel eens lijntjes uit, maar ik moet toegeven: leuren is niet mijn sterkste kant en als je dan ook nog eens het vermoeden hebt dat het vechten tegen de bierkaai is, dan neemt de neiging je bakens te verzetten toe. Dus verzette ik mijn bakens.

Tot ik gebeld werd. Of ik een vaste column in De Standaard wilde. Op de opiniepagina’s.

Nog tijdens het telefoongesprek vestigde zich een brok in mijn keel. Wat? Ik? Een Hollandse? Een vaste column? In een medium dat ik hoog heb zitten?

Ik zei ja. Obviously.

De volgende dag werd ik wakker als columnist van De Standaard. Het maakte me nerveus, zoals dat hoort als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen, en ik huilde nog eens van verwarring en blijdschap. Ik las de krant nog beter dan anders. En ik ijsbeerde, zoals dat soms gaat als je een verantwoordelijk taakje hebt gekregen.

Ik praatte met Wannes en mijn ouders. Ik las, luisterde en zag alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik sliep slecht, maar liet de roetsjbaan maar begaan. Het leek me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in je nieuwe land, in een krant die je zo hoog hebt zitten.

Na een paar dagen nam de nervositeit af. Ik kan dit, dacht ik. Ik kan columnist van De Standaard zijn zonder mezelf belachelijk te maken. Ik ben geen bedrieger, want dat zou veronderstellen dat zij zo dom zouden zijn mij te vragen. Terwijl: ik heb ze hoog zitten en ik duld geen inconsistentie, kortom: ik kan dit.

En toen werd Trump president. Ik heb mijn mening doorgaans vrij snel paraat, maar dit ging te snel, te hard, te anders. Dat het niet in orde was, was duidelijk, maar hoe ik het allemaal precies moest beschouwen, was me die eerste dagen een raadsel. Dus golfde de nervositeit weer op. What the fuck? Waarom hebben ze me net nu columnist gemaakt? Hadden ze me niet even een aanloopje kunnen geven? Kon ik dit wel? Mijn referentiekader zo snel aanpassen dat het de moeite waard zou zijn om juist mijn mening op de opiniepagina’s te lezen?

Nu praat ik dus opnieuw met Wannes en mijn ouders. Ik lees, luister en zie alles, in de hoop gevoed te worden, in de hoop het waard te zijn, en bovenal: in de hoop mijn imposter syndroom eronder te houden. Ik slaap slecht, maar laat de roetsjbaan maar begaan. Het lijkt me niet zo’n vreemde reactie als je een column krijgt in een nieuwe wereld.

Inmiddels neemt de nervositeit weer af, maar niet omdat ik weet dat ik het kan. Dus op hoop van zegen dan maar: ik ben columnist van De Standaard. En belangrijker: ik vind dat ik daarmee mijn inburgeringsdiploma met vlag en wimpel heb gehaald.

Mijn invloedrijkste tieneralbums

Zomer 1989, 15 jaar.

Weer een spelletje met muziek. De vorige keer zocht ik de mooiste nummers bij dertig thema’s, deze keer de invloedrijkste albums tussen mijn 14e en 18e. Voor mij dus tussen begin 1988 en eind 1991. Ik schreef op Facebook aan Maarten en Seppe van wie ik het idee jatte (en die het zelf hier vandaan hadden): ‘Tien … godallemachtig … de helft van de platen die ooit belangrijk zijn geworden, heb ik toen ontdekt. Het is gekkenwerk. En toen ik 14 was luisterde ik ook nog eens totaal andere muziek dan toen ik 18 was. Maar ik zal verder niet morren, streng zijn en gewoon aan de slag gaan. Verdorie.’

Dat doe ik dus maar. Nog een paar disclaimertjes. Ik meen opgevangen te hebben dat je bij het einde van je middelbare school moet ophouden, daarom heb ik Pearl Jam, Red Hot Chili Peppers, Nirvana, Rage Against the Machine en zulks eruit gelaten. Officieel vallen die nét binnen die vier jaar, maar eind 1991 hadden die mijn hart nog niet of nauwelijks veroverd. Ook heb ik Prince niet genoemd, want ik draaide alle albums die hij tot dan toe had gemaakt helemaal grijs, dus dan zou de top tien in een keer vol zitten. Ik heb bij de video’s wederom vooral gelet op twee dingen: 1. Is het wel de uitvoering die ik zo mooi vind? en 2. Is de geluidskwaliteit aanvaardbaar? Daarom zitten er filmpjes tussen met belachelijk beeld: niet op letten alsjeblieft.
Ik probeer ook een ranking aan te leggen: hoe invloedrijk was de muziek? Bovendien doe ik mijn best om het meest invloedrijke nummer van de plaat te kiezen. Gedoe!

10. Niemand in de stad – De Dijk

Hoe? Via de vriend met wie ik op mijn zestiende ging samenwonen. Hij had toen ik in 1989 verkering met hem kreeg als een van de weinige vrienden een cd-speler én ook een paar cd’s (geen grapje: niet iedereen met een cd-speler had cd’s, want die waren rete-duur). Een daarvan was Niemand in de stad van De Dijk.

Wat? Ik herinner me dat ik De Dijk vanaf het begin af aan niet helemaal serieus nam. Ik vond het wat kinderlijke muziek, en als ik iets niet van plan was, dan was het wel mijn muzieksmaak in de omgekeerde richting ontwikkelen. Maar in het Amsterdam van eind jaren tachtig/begin jaren negentig kon je niet om De Dijk heen. Dus hoewel ik hun muziek zelf vrijwel nooit opzette, kroop de plaat toch onder mijn huid. Begin jaren negentig maakte ik voorgerechten en toetjes in een Amsterdams eetcafé. Dit was de plaat die de afstand overbrugde tussen mij en de hardcoregabberkoks met wie ik in de keuken werkte: dit vonden we allemaal goed.

En nu? Ook een plaat die je nooit bewust hebt opgezocht kan een deel van jezelf kan worden. Toch zet ik deze cd nog steeds nooit op.

Waarom dit nummer? Dit nummer is me waarschijnlijk het meeste bijgebleven omdat het een van de minst ‘grappige’ nummers is; niet de gimmick, maar de tekst en de muziek dragen het. En in het kader van ‘zestienjarige Maartje wil niet langer J.J. De Bom, maar Maartje wil Led Zeppelin’ trok een rechtgeaard bluesnummer me vermoedelijk meer aan dan de cartooneske teksten waar deze plaat verder vol mee staat.

https://www.youtube.com/watch?v=ShP3vJogxeQ

 

(meer…)

Een illusie armer

De nieuwssite voor personeel van de Vlaamse overheid, 13, bracht een jaarmagazine uit. Ik schreef er een column voor. 

Ter ere van mijn verhuizing van Nederland naar België organiseerde ik tien jaar geleden een afscheidsquiz voor mijn Amsterdamse vrienden. Een van de vragen was: hoeveel regeringen heeft België? Zelf wist ik dat omdat ik in de slipstream van ‘hoe bevries ik mijn pensioen als ik emigreer?’ ook even de uitvoerende macht van België had gegoogeld. Het aantal regeringen verbaasde me en de ultieme quizvraag was geboren. Op de quizavond zelf bleef het antwoord uit, waarna ik sardonisch in mijn vuistje lachte, mijn vrienden een afscheidskus gaf, mijn biezen pakte en mijn rommel over de grens zette.

Aan mijn nieuwe Vlaamse vrienden stelde ik later dezelfde vraag: hoeveel regeringen heeft België? Ze keken onverwacht glazig – vier? drie? zeven? – en vertrokken vervolgens naar de wc om te googelen. Het bleek een van de illusies die ik koesterde over de Belgen: naast de illusie dat ze allemaal min of meer tweetalig zouden zijn, dacht ik dat ze hun eigen staatsstructuur wél begrepen. Het duurde niet lang voor ik in de gaten kreeg dat ik met mijn intensieve cursus Frans menig Vlaming onder de tafel zou lullen en dat de vraag ‘hoeveel regeringen heeft België?’ een onverwoestbare quizvraag zou blijven.

Het stelde me gerust, want ik had de Wikipedia-pagina van de Belgische overheid dan wel meermaals uit mijn hoofd geleerd, het was me nog niet gelukt een overzichtelijk boomdiagrammetje van gewesten, gemeenschappen, regeringen en parlementen voor mijn geestesoog op te hangen. Maar daarmee viel ik dus niet uit de toon.

Uiteraard vroeg ik me af hoe ze het deden, die Vlamingen. Hoe kon je geen idee hebben welke overheden er zoal waren en toch een zinvol maatschappelijk leven leiden? Na een tijdje afkijken, kreeg ik in de smiezen wat de truc was: de Belgen googelden zich een ongeluk. Bij wie moet je zijn voor btw? Google. Wegenbelasting? Google. Nachtlawaai van vliegtuigen? Google. Rechtshulp? Google. Is Kris Peeters minister op Vlaams of op federaal niveau? Google. Welke verkiezingen zijn er ook alweer in 2018? Google.- Waarmee mijn inburgering in een handomdraai was volbracht, want googelen kan ik toevallig als de beste.

Kortom, er is niet veel verschil tussen u en mij, behalve dat ík al heb gegoogeld hoeveel regeringen België heeft en dat u dat nog moet doen. Want u dacht misschien dat u eraan zou ontkomen, maar nu ik u toch aan de lijn heb, laat ik de kans niet liggen om de quizvraag der quizvragen te stellen: lieve lezer, vertel eens, hoeveel regeringen heeft België eigenlijk?

Jaaroverzicht 2016

https://www.youtube.com/watch?v=y7dyFyxSZOg

 

Omdat mijn werk vrijwel alleen maar bestaat uit lezen en schrijven, probeer ik tijdens vrije dagen mijn letterconsumptie een beetje te beperken. Dan doe ik doorgaans dingen die ik minder goed kan, zoals websites maken, muziek, tekeningen, of een kruidentuin. Deze kerstvakantie besloot ik iets te doen met de 148 video’s die 2016 me had opgeleverd. In 2010 deed ik ook al eens zoiets en ik herinnerde me dat het bevredigend was om al je filmpjes uit één jaar nog eens te bekijken met een goede reden.

Het probleem is: ik kan niet alleen niet goed monteren, het materiaal dat ik mezelf aanlever is ook nog eens tamelijk waardeloos. Zo ben ik een ouderwetse staandbeeldfilmer, ik zie slecht waardoor ik bij bruine beesten in bruine natuur niet voldoende scherpstel. De iPhone-camera weet zich geen raad met 80 procent van de lichtsituaties en ik kan enorm slecht overweg met de iPhone-video-interface (zie het einde van dit filmpje) waardoor ik de beste beelden vaak net niet heb. Kortom: dit filmpje is een worsteling met alles wat ik niet kan. Geniet ervan.

Zet je geluid aan, je scherm groot en let goed op.

Everything she wants

Mijn oudere zus en ik kunnen inmiddels goed met elkaar overweg, maar dat is ooit anders geweest. Vier jaar verschil en een diametraal ander karakter leidden nogal eens tot slaande ruzies en uiteindelijk tot een ietwat vroeg vertrek mijnerzijds. Harmonieuze momenten bestonden bij ons uit op vreedzame wijze elk wat voor onszelf doen, want samen spelen was niet onze sterkste kant en onze ouders waren al dik tevreden als we elkaar niet verbaal of fysiek te lijf gingen. Echte vriendschap leek een optie uit het ongerijmde.

Ik was de jongste en tot mijn twaalfde de meest bedeesde en ik verlangde intens naar een connectie met mijn zus, maar wist bij God niet hoe ik dat aan moest pakken. Mijn leven bestond uit Monchhichi, lego en Kinderen voor Kinderen, haar leven bestond uit stiekem roken, oogpotlood en jongens. Daartussenin lagen vier onoverbrugbare jaren. Om haar terwille te zijn stelde ik me deemoedig op als we samen waren. Ik liet de koptelefoon afpakken, de afstandsbediening en de televisiegids, en ik keek en luisterde mee naar dingen die ik niet begreep in de hoop dat die vier jaar ineens vervlogen zouden zijn.

In eerste instantie moesten we alleen de audio-installatie en de tv delen, maar met de komst van de videorecorder was er nog een apparaat dat diplomatie en afspraken vereiste. Bovendien had mijn vader één videoband voor ons samen gereserveerd waarop we clipjes mochten opnemen. Dus stelde ik me opnieuw deemoedig op en protesteerde ik niet als zij clipjes van de lekkere kerels van Wham! opnam over mijn zo zorgvuldig opgenomen Greatest love of all van Whitney Houston.

Vorig jaar sprak ik met mijn zus over die tijd van die videoband. Ik vertelde dat het een van de weinige periodes was dat we samen dansjes instudeerden. ‘O ja?’ zei ze. ‘Dansjes? Daar kan ik me helemaal niets van herinneren.’ Ze wist nog wel van het steeds vooruitspoelen en scherp zetten voor weer een nieuwe clip, en van onze trofeeën: clips van Madonna, Wham! en Michael Jackson. En later: hoe trots we waren op de lange versies van We all stand together van Paul Mc Cartney en Thriller. Maar die dansjes, nee, die kon ze zich niet herinneren.
‘Weet je dan ook niet meer dat we samen urenlang het dansje uit Everything she wants hebben geoefend voor de tv?’
‘Nee’, zei ze.
Ik googelde de clip en zag ons weer staan op onze sokken op het krakende parket.

https://www.youtube.com/watch?v=Yf_Lwe6p-Cg

 

We wachtten. Pas op 3.35 kwam het dansje. Het duurde zeven seconden.
En nee, ze wist er echt niets meer van.

Zeven seconden. Een dansje van niks. Toen ik er langer over nadacht, realiseerde ik me dat onze woonkamer het helemaal niet toeliet om urenlang naast elkaar pirouettes te draaien. Een incidentele toer zou misschien nog goed af kunnen lopen, maar eindeloos om je as draaien met twee onstuimige lijven van 10 en 14? Nee.

Kortom: ergens in mijn hoofd waren zeven incidentele seconden, een onbeduidend ogenblik, uitgegroeid tot een wekenlange verbintenis tussen mij en mijn zus. Het had me vertrouwen gegeven, kracht, hoop en vriendschap. En het had me het vermoeden bezorgd dat het ooit zo kon zijn als het nu is.

Daar moest ik gisteren aan denken toen ik hoorde dat George Michael was overleden. Dat je dansjes in je hoofd moet verzamelen, tegen de klippen op. En dat je met iedereen kan dansen, wekenlang. En dat het ook als het niet waar is, altijd nog waar kan worden.

Lieve Janneke, ik hou van jou.

Bij het afscheid van twee andere muzikale helden schreef ik dit jaar ook iets:
David Bowie: Sweet thing
Prince: Op zoek naar Prince

Geen katachtige

Gang door, langs de dansvloer, trap op, zaal in, trap af, andere gang, andere zaal, omdraaien, terug, en dat steeds opnieuw. Ik kijk op mijn telefoon. 22:30. Negen uur reizen, meer dan honderd euro aan reis- en verblijfkosten en dan na twee uur weggaan? Kan dat? Ik denk aan al die keren dat ik op feestjes, concerten en evenementen door het gedruis cirkelde op zoek naar een nog leuker feest, concert of evenement. Paradiso, Roxy, Dansen bij Jansen, Melkweg, de AB, het Depot. Een leven lang langs hallen, wc’s en garderobes naar boven- of benedenzalen in de illusie dat om de volgende hoek de avond wél is zoals ik me had voorgesteld. Huisfeestjes: voorkamer, achterkamer, gang, keuken, tuin of balkon. Of Lowlands: van de Alpha naar de X-Ray, naar de India, naar de Charlie. Steevast op weg naar het gevoel waar ik op hoop, de gesprekken die ik droom en de mensen die exact passen in de illusies die ik over de gebeurtenis koester.
22:35. Welke kant loop ik op? De gang in en dan de trap op? En zo ja, welke trap? En zo nee, eerst naar het achterzaaltje? Of de dansvloer over? En waarom dan? Wat denk ik aan te treffen?
Ooit tekende ik in Artis een panter die in de uren dat ik toekeek ongeveer tweehonderd keer langs het hek heen en weer liep in de schijnbare hoop dat er onderweg iets zou veranderen. Ik had daar drie dagen buikpijn van. Maar ik ben geen katachtige, er is geen hek en even verderop is de bushalte.