Na 96 uur debatteren

Eén ding had ik me voorgenomen toen ik het Zwarte Pieten-stuk schreef: het gaat niet om mijn gelijk, het gaat überhaupt niet om mij, het gaat om het bewustzijn dat er uitsluitingsmechanismen zitten in ‘kleinigheden’ als Zwarte Piet en dat een beetje omzichtigheid in collectieve uitingen dús op zijn plaats is.

Dat uitgangspunt – het gaat niet om mijn gelijk – had tot gevolg dat ik álle gesprekken aan moest gaan, het ging mij er immers niet om dat de verschillende groepen op een eilandje hun middelvinger naar elkaar zouden opsteken, maar dat er in de samenleving een vleugje bewustzijn doordringt van de problemen die stereotiepe beeldvorming oplevert. Dat doe je niet door te zeggen: ja doei, rot maar op met je andere mening, maar door zo open mogelijk het gesprek met elkaar aan te gaan. Er waren vier problemen bij dat open gesprek:

De Nederlanders

Er zijn veel Nederlanders onder mijn volgers die over het algemeen een veel beter, breder, langer en doorwrochter debat achter de rug hebben. Voor hen was mijn stuk een herhaling van zetten en ik denk zelfs dat ze de indruk kregen dat ik ter eigener eer en glorie nog eens een paar zetten terugging. Simpelweg omdat Nederlanders niet beseffen dat in Vlaanderen het debat over beeldvorming nog nauwelijks is begonnen.

De Vlamingen

Vlamingen zijn doorgaans geen debaters, in tegenstelling tot de Amsterdamse en Utrechtse kringen waarin ik de eerste dertig jaar van mijn leven doorbracht. Dat heeft tot gevolg dat er misschien wel veel mensen zijn die mijn mening delen, maar die laten zich vaak niet horen omdat ze niet betrokken willen raken bij de discussie. En als ze zich wel mengen, doen ze dat sneller achter de schermen, in de mail of in een privébericht. In Vlaanderen heb ik veel sneller het idee dat ik er alleen voor sta.

De retoriek

Een open gesprek met mensen die retorische valstrikken opzetten, is lastig. Proberen je punt te maken temidden van de ad hominems, glijdende schalen en manke vergelijkingen is frustrerend, voor je het weet ga je zelf mee in de schofferingen. Beleefd blijven tegen mensen die geen enkele moeite doen om beleefd tegen jou te blijven is een ware evenwichtsoefening. Twee keer heb ik de afgelopen dagen sarcasme met sarcasme beantwoord en twee keer had ik direct daarna al spijt.

De hoeveelheid

De reacties kwamen op talloze platforms binnen: twitter, twitter-dm, facebook, facebook-pm, mail, real life, de facebookpagina van De Standaard, de website van De Standaard en mijn eigen website. Omdat ik besloten had elk gesprek even serieus te nemen, moest ik een selectie maken. Ik kon immers niet honderden serieuze gesprekken tegelijk voeren. Daarom heb ik twee discussieplekken achterwege gelaten: de facebookpagina van De Standaard en de website van De Standaard. Op álle andere plekken heb ik waar mogelijk gereageerd met uitgebreide en genuanceerde antwoorden.

Inmiddels begint de stroom reacties op te drogen. Toen ik vanochtend wakker werd – dag 5 – lagen er nog maar vier berichten te wachten.

Mijn indruk na vier dagen heel intensief discussiëren is als volgt: onder mijn volgers en de lezers van De Standaard is het aantal mensen dat er ongeveer zo over denkt als ik iets hoger dan het Vlaamse en Nederlandse gemiddelde, gok ik. Maar de medestanders hielden zich veel stiller, waardoor mijn artikel zeker 90 procent negatieve of licht-negatieve reacties opleverde. Een overzichtje:

De starren

Je hebt de starre debaters die heel erg bezig zijn met traditie en ‘onze’ cultuur, of met ‘dan moeten die minderheden maar niet zo overgevoelig doen’ of met uitschelden, victimblamen, kleineren, discrimineren (‘ga terug naar je eigen land!’) en omdraaien (‘wij worden gediscrimineerd!’). Dat waren niet erg vruchtbare gesprekken, maar zelfs die correspondenties draaiden uiteindelijk wel uit op een rustig uitwisselen van argumenten.

De olie-op-het-vuur-verwijters

Je hebt de mensen die het in grote lijnen met me eens zijn, maar die door de hyperbolen in mijn stuk getriggerd raken en vinden dat ik door mijn ongenuanceerde houding olie op het vuur gooi. Die gesprekken liepen vaak met een sisser af omdat ik na mijn 850 woorden in De Standaard de ruimte nam om in heel veel extra woorden mijn hyperbolen toe te lichten.

De pick-your-battle-aanhangers

Die olie-op-het-vuur-verwijters overlappen deels met de pragmatische pick-your-battle-aanhangers: zij die vinden dat er belangrijkere problemen omtrent racisme zijn en er daarom geen bezwaar in zien kleinere problemen te bagatelliseren. Het mag duidelijk zijn dat ik dat wel problematisch vind.

De backlashers

Onder hen bevinden zich de mensen die van mening zijn dat types als ik de oorzaak zijn van de aantrekkingskracht van Trump, Dewinter en Wilders. Zij vinden dat we geen detailkritiek moeten leveren, omdat de populistenliefhebbers zich dan ‘om niks’ genoodzaakt zien hun vuilbekkende politici in het zadel te helpen. In die kringen vind je ook de mensen felle anti-racisten beschuldigen van het aanwakkeren van racisme. Al deze mensen wijzen naar een paradox die ik niet zal ontkennen, maar waarvan ik niet denk dat de oplossing ligt in de problemen van steeds dezelfde mensen bagatelliseren.

De ontkenners van identity-politics

Tot slot heb je de felle ontkenners van ‘identity politics’ die vinden dat mijn hele insteek een vergiftigd debat oplevert en die gruwelen van het discours van white privilege en white fragility dat ik in mijn artikel aansneed. Het moeilijke aan deze gesprekken was dat we uiteindelijk vaak wel hetzelfde doel nastreven (structurele uitsluiting een halt toeroepen) maar zij verafschuwen mijn analyse en ik snap niet waarom zij dit soort geprivilegieerdheid geen plaats geven in een ongelijkheidsdebat.

Of ik mensen heb weten te overtuigen van het belang van aandacht voor stereotiepe beeldvorming kan ik niet goed nagaan. Ik weet wel dat het debat in Nederland elk jaar een heel kleine verschuiving oplevert, richting meer bewustzijn en meer begrip voor de negatieve gevolgen van stereotypering (vergelijk 2013 met 2014 en 2015). Natuurlijk hoop ik dat de dialoog waar ik zojuist vier dagen aan besteed heb ook in Vlaanderen iets dergelijks teweegbrengt.

Twee dingen heeft mijn stuk zeker opgeleverd:

Steun

Steun aan mensen die niet of weinig gehoord worden. Elke keer dat ik stigmatisering en stereotypering aansnijd in mijn opiniestukken krijg ik brieven van mensen die blij zijn dat ik aan hun kant sta, of die opgelucht zijn dat ik hun gedachten heb verwoord zoals ze het zelf niet durven of kunnen. Opvallend vaak staat er iets als: ik probeer vaak aan vrienden uit te leggen waarom ik me gediscrimineerd voel, nu kan ik ze jouw stuk laten lezen. Dat lijkt me pure winst.

Dialoog

Een ding hoorde ik de afgelopen dagen erg vaak: ‘Ik heb zelden zo’n genuanceerde discussie gezien over dit onderwerp.’ En hoewel ik me goed kan voorstellen dat het geduld van de gediscrimineerden al tijden op is, denk ik dat het toch altijd daar om draait: dialoog, nuances, begrip, tijd. En hoeveel ik ook over me heen heb gekregen de afgelopen dagen, als er een opgelucht ‘wat is het gesprek hier open!’ klinkt, ben ik toch blij met hoe het is gegaan.

Zwarte Piet is wel een probleem

Wie Zwarte Piet afdoet als ‘geen probleem’, heeft een probleem, schrijft Maartje Luif: het probleem van het witte privilege.

‘Volkomen overbodig, dat Pietenpact’, zei N-VA-voorzitter Bart De Wever zaterdag bij de aankomst van Sinterklaas in Antwerpen. De neiging negatieve stereotyperingen af te doen als ‘geen probleem’ zie je niet alleen bij politici, maar ook in de talloze discussies op sociale media. Ik verbaas me over de ontkenners. Laat ik hun argumenten even overlopen.

‘Maar Zwarte Piet is toch zwart van het roet en dus niet racistisch?’

Op dat punt zijn de rangen niet gesloten. Jazeker, er zijn onderzoekers die beweren dat er geen connecties zijn tussen Zwarte Piet, het slavernijverleden en koloniale onderdrukking, maar er zijn er ook die, ongeacht de herkomst, onmiskenbaar tekenen van racisme zien, waaronder de VN-commissie tegen rassendiscriminatie. In feite gaat het er niet om wat de uitsluiter bedoelt, maar om wat de uitgeslotene ervaart. Als zwarte mensen lijden onder een karikatuur, is het niet relevant welke achtergronden het scheldwoord heeft. Als het hele systeem is gebouwd op witte mensen met witte voorkeuren en witte feestjes, waardoor er nergens normale rolmodellen opduiken, dan is het geen excuus dat een karikatuur goedbedoeld is, dan is de stereotypering een onderdeel van een systeem dat uitsluit.

‘Waarom moeten we onze cultuur aanpassen?’

Wie is ‘ons’? Horen de mensen die Zwarte Piet een nare stereotypering vinden ook bij ons? En zo nee, bewijst dat niet dat we steeds dezelfde minderheid uitsluiten?
Bovendien, als ik in deze tijden iets hoor over ‘onze’ cultuur, dan gaat dat doorgaans niet over ‘mijn’ cultuur van solidariteit. Wat opnieuw de vraag oproept: wie is ‘ons’?
Overigens is het maar goed ook dat we in weerwil van onze tradities wat gewoontes overboord gooien. Hoe waren we anders ooit van slavernij, louter mannenkiesrecht en de galgenvelden verlost geraakt?

‘Kunnen we het niet over écht racisme hebben?’

Het venijn van racisme ligt onder de oppervlakte: wit privilege. Wit privilege is de term voor het ongevraagde voordeel dat elk wit persoon heeft door geen ‘andere’ huidskleur te hebben. Het voordeel van minder snel aangehouden te worden, het voordeel van sneller werk te krijgen, het voordeel van niet met argwaan bekeken te worden, enzovoort. Door de luxe van dat privilege is het enige racisme dat de meerderheid ziet dat van de schaamteloze schreeuwers die openlijk uitsluiten. Dat is schandalig, vinden we, maar het systematische racisme laten we ongemoeid. We durven zelfs te zeggen dat als we niet langer ons gezicht schminken, we zwarte mensen uitsluiten, of potsierlijker: worden witte mensen in de hoedanigheid van een knecht niet net zo goed geridiculiseerd? Die vergelijking gaat mank. Witte mannen hebben niet jarenlang dezelfde patronen van misprijzen, onderschatting en wantrouwen moeten ondergaan als zwarte mensen. Alleen de witte meerderheid heeft de luxe onderscheid te maken tussen echt en onecht racisme. Daarom is het goed geen verschil te maken tussen het bedoelde ‘echte racisme’ van ‘echte racisten’ en ‘het onbedoelde niet echte racisme’ van ‘niet-racisten’. Er is racistisch gedrag, er zijn racistische stereotyperingen, er zijn racistische systemen. Zolang we goede bedoelingen als excuus zien, verandert er niks.

‘Waarom zouden we de wil van de minderheid moeten uitvoeren?’

Racisme is niet voor niets strafbaar, het is een aantasting van de grondrechten van mensen. Zolang er twijfel is, neem je in het geval van grondrechten het zekere voor het onzekere.
Daarbij: wit privilege betekent ook dat witte mensen bepalen hoe het racismedebat verloopt. Hebben ze er genoeg van? Dan stopt het. Vinden ze het weer eventjes belangrijk? Dan gaat het door. Vinden ze het niet erg genoeg, zoals Zwarte Piet? Dan is het geen racisme. In dat opzicht is het racismedebat een catch 22. Wordt het serieus genomen, dan is dat dankzij de witte meerderheid, wordt het niet serieus genomen, dan bestaat het niet. En ja, ik realiseer me dat ik – as we speak – mijn privilege gebruik en dat ik daar voorzichtig mee moet zijn.

‘We verpesten een kinderfeest!’

Ten eerste: welnee, kinderen willen cadeautjes, snoep, magie. Ze willen niet dat andere kinderen zich buitengesloten voelen. En als je ze op de mouw hebt kunnen spelden dat Zwarte Piet door de schoorsteen komt, dan is een plotwending over zijn uiterlijk niet het grootste probleem. Toen ik voor het eerst de Amerikaanse Pino zag – geel in plaats van blauw – dacht ik: wat een rare Pino. Daarna viel het me niet meer op.
Maar belangrijker: is het een kinderfeest van iedereen? Ook van de kinderen die getergd worden door karikaturale beeldvorming rond hun uiterlijk, die dankzij hun huidskleur een traject ingaan waarin te vaak niet serieus genomen worden centraal staat?

‘Het protest werkt alleen maar averechts!’

Daar is een woord voor: witte breekbaarheid. Mensen die worden gewezen op gedrag dat negatieve stereotyperingen in stand houdt, schieten in een kramp. ‘Maar ik ben toch geen racist!?’ ‘En mogen wij ook boos worden als de Pieten allemaal wit zijn?’ ‘Door dat gezeur heb ik alleen maar minder sympathie voor de anti-racisten.’ ‘Dit werkt averechts!’ In plaats van in te zien dat het tijd is om te luisteren, trekken de geprivilegieerden zich terug achter een muur van slachtofferschap. Waarmee ze de discussie naar zich toe trekken en we weer terug bij af zijn.

Omdat ik het verdienmodel van mijn opdrachtgever graag terwille ben, plaats ik mijn stukken vaak pas na een week door. Maar omdat er veel mensen reageren zonder het stuk gelezen te hebben, plaats ik het deze keer al een dag later. Dit opiniestuk verscheen op maandag 14 november 2016 in De Standaard.

 

Duisterder

We kregen bericht van een van de verzekeringen die mogelijk de schade van de beroving zou dekken en jawel, ‘coulancehalve’ zullen ze de helft van de geleden schade vergoeden. Ik kan hier heel lang uitweiden over hoe onlogisch het is om je maar voor de helft aansprakelijk te voelen, of hoe jammer het is dat we dus toch nog veel schade uit eigen zak moeten betalen, maar ik kan ook vertellen hoe groot de opluchting is – klaar nu, dóór –  en hoe leuk het is aan Wannes’ gezicht te zien dat hij het als een cadeautje beschouwt. Want door de hardvochtige houding van veel verzekeraars krijg je vaak het gevoel dat je een ongelooflijke mazzelaar bent die vooral niet moet vergeten zijn handjes dicht te knijpen.

Het bericht over de coulance van de verzekering kwam op de dag dat Trump werd verkozen. We gingen naar de winkel om troosteten in te slaan en ik maakte een pan erwtensoep die in niets deed vermoeden dat Wannes en ik maar met zijn tweeën zijn. Op de helft van mijn eerste kom soep hoorde ik heel hard ‘knerps’. Ergens achterin mijn mond was een stuk van mijn kunstgebit afgebroken. De dag kon dus tóch nog duisterder.

Ik belde naar de verzekering en na veel vijven en zessen was de conclusie: ook dit keer zou ik maar de helft terugkrijgen, omdat ik sinds ik een kunstgebit heb niet elk jaar voor controle naar de tandarts ben gegaan én omdat ik nog maar 42 ben. Dus omdat ik veel te jong niet op het idee ben gekomen de tandarts volkomen onzinnig lastig te vallen met een brandschoon en perfect compleet gebit, heb ik nu geen recht op de normale terugbetaling. Kortom het geld van de ene verzekering kan gelijk naar het gat dat de andere verzekering slaat. De dag kon dus tóch nog duisterder.

 

Bye bye dreadlocks

Ze zijn eraf. Na vijftien jaar trouwe dienst heb ik er gisteren de schaar in gezet. In 2007 heb ik ze er ook al eens afgehaald, maar toen ben ik vrij snel nieuwe gaan maken. Deze keer vermoed ik dat dat niet gaat gebeuren. Wel zal ik net als toen weemoedig zijn, een rouwproces doormaken. Want het is slikken, het afscheid van mijn silhouet, mijn special feature, mijn avatar. Na meer dan een derde van mijn leven ben ik ineens onherkenbaar. Maar ik ben ook eindelijk verlost van de hoofdpijn, van een pond haar dat 24/7 aan mijn hoofdhuid trok of op mijn fontanel balanceerde, en van het groot onderhoud dat een dikke bos dreadlocks nu eenmaal vergt.

eerste_knip_dreadlocks_1

Knip!

De opluchting is gigantisch. Ik kon eindelijk ontspannen toen na al die jaren het douchewater rechtstreeks mijn hoofdhuid masseerde. Mijn adem stokte de eerste keer dat Wannes me gisteren over mijn bol aaide en ik daadwerkelijk iets vóélde. Het sliep opmerkelijk vrij, zo zonder het gewicht van een flinke mango boven me op het kussen. Het is bevrijdend om een muts op te zetten en niet het idee te hebben dat het een twééde muts is. Het blijkt verrassend aangenaam om een lus van een schort over mijn hoofd te leggen en nergens mee in de knoop te komen. En halleluja, er is gewoon niet langer een extern gewicht dat slingert, dempt en trekt, dat aandacht vraagt en afstand schept.

zonder_dreadlocks

Nu gaan sommigen van jullie natuurlijk zeggen: neeeeeeeee! Dat deden jullie de vorige keer ook, en toen ik afscheid nam van de naam Zezunja vonden veel mensen dat eveneens een slecht plan. Mijn lezers zijn aartsconservatief. Maar bedenk: jullie hoeven alleen maar naar plaatjes van mij te kijken, ik kijk zelden naar plaatjes van mij, dus ik kan slechts voelen. En, boy, het voelde in het geheel niet goed meer.

Kortom: laten we het vieren! Ik ben bevrijd!

Meer lezen over mijn dreadlockperikelen?

10 jaar dreadlocks. Of: hoe ik mijn haar werd 2011
Dreadlock Holiday of: Spoorboekje van een impulsieve daad 2007
Postuum Lustrum 2006
De schaar erin 2006

Akoestiek

We betreden het erf van de hoeve. Als Wannes de deur van de stal opendoet, valt de akoestiek als een glasbak over me heen. Later vertelt hij dat het bij hem werkt als bij een computerventilator: het komt op, eerst zachtjes en traag, maar dan steeds sneller en luider, tot het niet te negeren oorverdovend is. Bij mij werkt dat anders: het slaat me in mijn gezicht, al die stemmen, kopjes, borden, glazen en lachsalvo’s, het noopt me tot inademen, waarna ik niet meer in staat ben die adem kwijt te raken.

Ik neem plaats op een plastic stoel en stel me voor hoe mijn billen een deel van het geluid nu smoren, en hoe ik als ik hele grote billen zou hebben al het geluid kon smoren. Het lucht me een ogenblik op, maar het lawaai breekt er onmiddellijk weer doorheen. Geen gedachte is ongenaakbaar, geen seconde vrij van ruis. We zijn er met anderen, dus direct weer vertrekken zou raar zijn, niettemin staan mijn reflexen in de richting van de deur. Met moeite denk ik een stolpje om mij heen. Op de randjes van de plastic stoel, langs mijn armen, rond mijn schouders, met dubbel glas bij mijn oren. Het lukt me om het geluid terug te brengen tot het gewobbel dat je hoort als je in bad je hoofd net onder de waterspiegel laat zakken, maar het vergt veel inspanning en na een paar seconden is het werkelijke geraas weer terug. Mijn adem heeft zich vastgezet tussen mijn hoge schouders en mijn middenrif, en ik raak bevangen door een machteloos gevoel dat ik alleen ken van bij de tandarts. Die uren dat je de marteling weerloos ondergaat. Maar bij de tandarts is de pijn lokaal. De strijd is stuurbaar, want er is een front, in je mond, alle hens aan dek op dat ene punt. Bij stemmen in ongestoffeerde ruimtes is de tegenstander overal. Zelfs als je je handen tegen je oren zet, infiltreren de vijandelijke troepen met gemak het midden van je hoofd. Mijn voeten, benen, buik, nek, alles wordt in de uren die volgen gestut door de adem die ik inhoud. Als we na een paar uur vertrekken, voel ik me alsof ik drie dagen heb doorgebracht in een Center Parcs-zwembad. Buiten, in de gedempte wereld van nat gras, lukt het me niet mijn buikspieren te ontspannen.

Thuis rol ik me op in bed. Ik sluit mijn ogen, maar alle hoge tonen van de dag zeilen als tafelhockeyschijven door mijn hoofd. Het doet me denken aan de periode van lichtblindheid een paar jaar geleden, toen ik zelfs als ik mijn ogen sloot nog urenlang flitsen zag. Dat beangstigende gevoel dat er ook in een lege, stille, donkere kamer geen plek is waar je zintuigen je met rust zullen laten. Maar ik weet dat dit iets anders is, geen ziekte aan mijn oren, maar iets met maximale belasting en dat moment dat de spreekwoordelijke druppel de oppervlaktespanning een oplawaai geeft. Terwijl ik onder de geluiden in mijn hoofd door denk, neem ik me voor het afgelopen half jaar van te grote projecten, deadlines en onheil te zien voor wat het was: een periode waarna je naar je lichaam moet, uh, luisteren.

Achtervolging

Foto: Andrew Prickett

De avond viel over de parkeerplaats toen ik met het winkelkarretje naar de overkapte karretjesverzamelplek liep. Er kwam een auto aan die mij in mijn flank zou raken als ik niet zou inhouden of doorlopen, dus zette ik het op een hollen. Rammelderammel. Met gestrekte armen stormde ik de karretjesverzameltunnel in. Omdat ik te veel films heb gezien, stelde ik me in een flits voor dat de auto achter me aan zou komen, het tunneltje in, met plankgas tussen de hekjes onder het boogdakje om mij te verpletteren. Ik verkrampte en versnelde, rechtte mijn armen nog wat meer en sloeg net niet over de kop toen mijn karretje niet rinkelend ín het achterste karretje verdween, maar er – kedeng! – tegen knalde. Het bleek de karretjesverzamelplek van een andere winkel. Nonchalant fluitend draaide ik de zwenkwieltjes om en glimlachte naar Wannes die in de auto op me wachtte. Intussen vroeg ik me af of ik ooit uitgelegd zou krijgen hoe vreselijk spannend deze paar seconden waren geweest.

To problematiseer or not to problematiseer

Een goede slaper, zo zou ik mezelf typeren. Ik tuimel in normale omstandigheden met groot gemak in de armen van Morpheus, ik lig heel zelden lang wakker en hoewel ik verschillende slaapstoornissen heb (slaapwandelen, slaappraten, slaapeten, pavor nocturnus en nachtmerries) zou ik mezelf nooit als een slechte slaper betitelen. Van die stoornissen heb ik zelf namelijk veel minder last dan mijn bedpartner, en de laatste keer dat iemand ernstig gewond raakte door mijn nachtelijke strapatsen is alweer een jaar of acht geleden.

Maar het laatste jaar is er iets veranderd. Ik ben nog steeds een goede slaper, maar mijn slaappatroon heeft zich gevoegd naar een ijzeren ritme dat op zijn zachtst gezegd verbazing wekt. Ik slaap namelijk al sinds vorig jaar exact zes uur per nacht. Nooit meer, nooit minder, zes uur. Val ik om 00:00 uur in slaap dan weet ik dat om zes uur mijn oogleden zullen openklappen, is het twee uur, dan zal ik om acht uur naast mijn bed staan, maar raak ik per ongeluk om tien uur al in slaap, wat wel eens gebeurt na een zware dag, dan zal ik me dus om vier uur ’s nachts moeten zien te gedragen als was het ochtend. Omdat ik thuis werk kan ik uiltjes knappen, maar met die dutjes is hetzelfde aan de hand als met mijn nachtritme: een onwrikbaar patroon. Veertig minuten, niet meer, niet minder. Kortom: ik slaap al een jaar lang maximaal zes tot zes uur en veertig minuten per etmaal. Omdat ik altijd uitgerust ben als mijn ogen opengaan, is mijn ritme in principe niet vervelend. Maar in de loop van de dag word ik moe en de omstandigheden laten niet altijd dutjes toe. Ook is een totaal ander dagritme dan je omgeving niet altijd fijn: eerder honger, eerder werken, eerder vrij, eerder moe.

Hoe het zo is gekomen, weet ik niet. Je krijgt dit soort dingen natuurlijk pas in de smiezen als het meer dan een incident wordt, en tegen die tijd is een reconstructie maken van wanneer en hoe lang bij zoiets alledaags als slaap verdomd moeilijk. Wel ben ik al vijftien jaar min of meer in de overgang, en slaap is – zoals je hele bioritme – hormoongerelateerd, dus het ligt voor de hand dat het daar iets mee te maken heeft. Maar die overgang is een grillige toestand, daar kwam tot op heden geen constante aan te pas. Daarom ging ik ervan uit dat deze overzichtelijke cadans een tijdelijke kwestie zou zijn, een waarvan ik moest genieten zolang het duurde. Maar nu ik al meer dan een jaar een merkwaardig bioritme heb, stel ik me steeds vaker voor dat het zo blijft. Dat ik de rest van mijn leven maar zes uur per nacht zal slapen, dat ik nooit meer zal uitslapen, nooit meer een halve dag zal overslaan, nooit meer de loomheid van een te lange nacht zal voelen. En ik vraag me af wat ik daarvan vind.

In eerste instantie bekijk ik dit soort dingen positief. Ik weet dat bijslapen een illusie is. In het weekend bijvoorbeeld ineens elf uur achter elkaar slapen, wat andere mensen doen, levert volgens de wetenschap niks op – integendeel. Dus dat ik dat niet kan, laat me koud. Bovendien, als ik me niet moe voel als ik opsta, vind ik het geen enkel probleem om wakker te worden, hoe laat het ook is. Ik voeg me wel naar het duister, ik ga gewoon schrijven, werken, kranten lezen.
Het feit dat ik nooit meer een wekker hoef te zetten is ook een zegen. Wakker worden van je stofwisseling voelt tenslotte altijd beter dan abrupt uit je diepe slaap gerukt worden door een externe factor. En weten dat je maar zes uur zult slapen, geeft je de kans allerlei dingen heel precies te plannen, zonder dat je het gevoel krijgt dat je gedirigeerd wordt door je planning. Bliss!
Als klap op de vuurpijl is de ochtend ook nog eens het mooiste moment van de dag als je een tuin op het oosten hebt, zoals ik. Elke dag de silhouetten van eekhoorntjes in de schemer, of het gekwetter of gekras van kleine of grote vogels, of de duizenden dauwdruppeltjes in het groen. Nee, dat is geen straf.
En niet te vergeten: hoeveel mensen dromen niet van een paar uur extra in een dag? Welnu, ik heb ze! Twee uur per dag cadeau. Dat is 14 uur per week, 60 uur per maand, 720 uur per jaar.

Maar je kunt lullen wat je wilt, er is geen wetenschapper die minder dan zeven uur slaap per nacht adviseert voor iemand van mijn leeftijd en met mijn activiteitenpakket. Bovendien gaan mensen die weinig slapen eerder dood, wat me een serieus probleem lijkt. Kortom, ik heb geen flauw benul wat ik er allemaal eens van zal vinden. Wat jullie?