Akoestiek

We betreden het erf van de hoeve. Als Wannes de deur van de stal opendoet, valt de akoestiek als een glasbak over me heen. Later vertelt hij dat het bij hem werkt als bij een computerventilator: het komt op, eerst zachtjes en traag, maar dan steeds sneller en luider, tot het niet te negeren oorverdovend is. Bij mij werkt dat anders: het slaat me in mijn gezicht, al die stemmen, kopjes, borden, glazen en lachsalvo’s, het noopt me tot inademen, waarna ik niet meer in staat ben die adem kwijt te raken.

Ik neem plaats op een plastic stoel en stel me voor hoe mijn billen een deel van het geluid nu smoren, en hoe ik als ik hele grote billen zou hebben al het geluid kon smoren. Het lucht me een ogenblik op, maar het lawaai breekt er onmiddellijk weer doorheen. Geen gedachte is ongenaakbaar, geen seconde vrij van ruis. We zijn er met anderen, dus direct weer vertrekken zou raar zijn, niettemin staan mijn reflexen in de richting van de deur. Met moeite denk ik een stolpje om mij heen. Op de randjes van de plastic stoel, langs mijn armen, rond mijn schouders, met dubbel glas bij mijn oren. Het lukt me om het geluid terug te brengen tot het gewobbel dat je hoort als je in bad je hoofd net onder de waterspiegel laat zakken, maar het vergt veel inspanning en na een paar seconden is het werkelijke geraas weer terug. Mijn adem heeft zich vastgezet tussen mijn hoge schouders en mijn middenrif, en ik raak bevangen door een machteloos gevoel dat ik alleen ken van bij de tandarts. Die uren dat je de marteling weerloos ondergaat. Maar bij de tandarts is de pijn lokaal. De strijd is stuurbaar, want er is een front, in je mond, alle hens aan dek op dat ene punt. Bij stemmen in ongestoffeerde ruimtes is de tegenstander overal. Zelfs als je je handen tegen je oren zet, infiltreren de vijandelijke troepen met gemak het midden van je hoofd. Mijn voeten, benen, buik, nek, alles wordt in de uren die volgen gestut door de adem die ik inhoud. Als we na een paar uur vertrekken, voel ik me alsof ik drie dagen heb doorgebracht in een Center Parcs-zwembad. Buiten, in de gedempte wereld van nat gras, lukt het me niet mijn buikspieren te ontspannen.

Thuis rol ik me op in bed. Ik sluit mijn ogen, maar alle hoge tonen van de dag zeilen als tafelhockeyschijven door mijn hoofd. Het doet me denken aan de periode van lichtblindheid een paar jaar geleden, toen ik zelfs als ik mijn ogen sloot nog urenlang flitsen zag. Dat beangstigende gevoel dat er ook in een lege, stille, donkere kamer geen plek is waar je zintuigen je met rust zullen laten. Maar ik weet dat dit iets anders is, geen ziekte aan mijn oren, maar iets met maximale belasting en dat moment dat de spreekwoordelijke druppel de oppervlaktespanning een oplawaai geeft. Terwijl ik onder de geluiden in mijn hoofd door denk, neem ik me voor het afgelopen half jaar van te grote projecten, deadlines en onheil te zien voor wat het was: een periode waarna je naar je lichaam moet, uh, luisteren.

Achtervolging

Foto: Andrew Prickett

De avond viel over de parkeerplaats toen ik met het winkelkarretje naar de overkapte karretjesverzamelplek liep. Er kwam een auto aan die mij in mijn flank zou raken als ik niet zou inhouden of doorlopen, dus zette ik het op een hollen. Rammelderammel. Met gestrekte armen stormde ik de karretjesverzameltunnel in. Omdat ik te veel films heb gezien, stelde ik me in een flits voor dat de auto achter me aan zou komen, het tunneltje in, met plankgas tussen de hekjes onder het boogdakje om mij te verpletteren. Ik verkrampte en versnelde, rechtte mijn armen nog wat meer en sloeg net niet over de kop toen mijn karretje niet rinkelend ín het achterste karretje verdween, maar er – kedeng! – tegen knalde. Het bleek de karretjesverzamelplek van een andere winkel. Nonchalant fluitend draaide ik de zwenkwieltjes om en glimlachte naar Wannes die in de auto op me wachtte. Intussen vroeg ik me af of ik ooit uitgelegd zou krijgen hoe vreselijk spannend deze paar seconden waren geweest.

To problematiseer or not to problematiseer

Een goede slaper, zo zou ik mezelf typeren. Ik tuimel in normale omstandigheden met groot gemak in de armen van Morpheus, ik lig heel zelden lang wakker en hoewel ik verschillende slaapstoornissen heb (slaapwandelen, slaappraten, slaapeten, pavor nocturnus en nachtmerries) zou ik mezelf nooit als een slechte slaper betitelen. Van die stoornissen heb ik zelf namelijk veel minder last dan mijn bedpartner, en de laatste keer dat iemand ernstig gewond raakte door mijn nachtelijke strapatsen is alweer een jaar of acht geleden.

Maar het laatste jaar is er iets veranderd. Ik ben nog steeds een goede slaper, maar mijn slaappatroon heeft zich gevoegd naar een ijzeren ritme dat op zijn zachtst gezegd verbazing wekt. Ik slaap namelijk al sinds vorig jaar exact zes uur per nacht. Nooit meer, nooit minder, zes uur. Val ik om 00:00 uur in slaap dan weet ik dat om zes uur mijn oogleden zullen openklappen, is het twee uur, dan zal ik om acht uur naast mijn bed staan, maar raak ik per ongeluk om tien uur al in slaap, wat wel eens gebeurt na een zware dag, dan zal ik me dus om vier uur ’s nachts moeten zien te gedragen als was het ochtend. Omdat ik thuis werk kan ik uiltjes knappen, maar met die dutjes is hetzelfde aan de hand als met mijn nachtritme: een onwrikbaar patroon. Veertig minuten, niet meer, niet minder. Kortom: ik slaap al een jaar lang maximaal zes tot zes uur en veertig minuten per etmaal. Omdat ik altijd uitgerust ben als mijn ogen opengaan, is mijn ritme in principe niet vervelend. Maar in de loop van de dag word ik moe en de omstandigheden laten niet altijd dutjes toe. Ook is een totaal ander dagritme dan je omgeving niet altijd fijn: eerder honger, eerder werken, eerder vrij, eerder moe.

Hoe het zo is gekomen, weet ik niet. Je krijgt dit soort dingen natuurlijk pas in de smiezen als het meer dan een incident wordt, en tegen die tijd is een reconstructie maken van wanneer en hoe lang bij zoiets alledaags als slaap verdomd moeilijk. Wel ben ik al vijftien jaar min of meer in de overgang, en slaap is – zoals je hele bioritme – hormoongerelateerd, dus het ligt voor de hand dat het daar iets mee te maken heeft. Maar die overgang is een grillige toestand, daar kwam tot op heden geen constante aan te pas. Daarom ging ik ervan uit dat deze overzichtelijke cadans een tijdelijke kwestie zou zijn, een waarvan ik moest genieten zolang het duurde. Maar nu ik al meer dan een jaar een merkwaardig bioritme heb, stel ik me steeds vaker voor dat het zo blijft. Dat ik de rest van mijn leven maar zes uur per nacht zal slapen, dat ik nooit meer zal uitslapen, nooit meer een halve dag zal overslaan, nooit meer de loomheid van een te lange nacht zal voelen. En ik vraag me af wat ik daarvan vind.

In eerste instantie bekijk ik dit soort dingen positief. Ik weet dat bijslapen een illusie is. In het weekend bijvoorbeeld ineens elf uur achter elkaar slapen, wat andere mensen doen, levert volgens de wetenschap niks op – integendeel. Dus dat ik dat niet kan, laat me koud. Bovendien, als ik me niet moe voel als ik opsta, vind ik het geen enkel probleem om wakker te worden, hoe laat het ook is. Ik voeg me wel naar het duister, ik ga gewoon schrijven, werken, kranten lezen.
Het feit dat ik nooit meer een wekker hoef te zetten is ook een zegen. Wakker worden van je stofwisseling voelt tenslotte altijd beter dan abrupt uit je diepe slaap gerukt worden door een externe factor. En weten dat je maar zes uur zult slapen, geeft je de kans allerlei dingen heel precies te plannen, zonder dat je het gevoel krijgt dat je gedirigeerd wordt door je planning. Bliss!
Als klap op de vuurpijl is de ochtend ook nog eens het mooiste moment van de dag als je een tuin op het oosten hebt, zoals ik. Elke dag de silhouetten van eekhoorntjes in de schemer, of het gekwetter of gekras van kleine of grote vogels, of de duizenden dauwdruppeltjes in het groen. Nee, dat is geen straf.
En niet te vergeten: hoeveel mensen dromen niet van een paar uur extra in een dag? Welnu, ik heb ze! Twee uur per dag cadeau. Dat is 14 uur per week, 60 uur per maand, 720 uur per jaar.

Maar je kunt lullen wat je wilt, er is geen wetenschapper die minder dan zeven uur slaap per nacht adviseert voor iemand van mijn leeftijd en met mijn activiteitenpakket. Bovendien gaan mensen die weinig slapen eerder dood, wat me een serieus probleem lijkt. Kortom, ik heb geen flauw benul wat ik er allemaal eens van zal vinden. Wat jullie?

Gesuis

Wij horen hier veel suizen. Verschillende wegen, de bomen die ruisen, de treinen in de verte, machines in huizen. Maar het mooiste suizen de vijvervogels. Niet de duiven, die flappen van flap-flap-flap, en ze zweven even, en ook niet de kleine vogeltjes, die dartelen en duiken. Maar de ganzen en de meeuwen. De droge weerstand van tientallen vleugels, het logge gewicht van een gans in de wind. De meeuwen die monotoon zoemen met duizenden lijfjes en een enkele schreeuw van wacht op mij. Er zijn dagen dat ik nog dieper de natuur in zou willen, maar tijdens dat gesuis, dat alle trillingen platdrukt, wil ik het liefste bij de vijvers blijven.

Waarom Choco niet door het luikje gaat (2)

Een jaar geleden schreef ik Waarom Choco niet door het luikje wil en sindsdien vraagt men mij regelmatig: is ze er al doorheen geweest? Een antwoord in drie delen.

1. Ja

Ja, ze is er al doorheen geweest. Het duurde even voor we het doorhadden, want het luikje zit in de kelder, dus we betrapten haar nooit op heterdaad en steeds als ze ergens was, was het de vraag hoe ze daar was gekomen. Dan volgde een eindeloze reconstructie: heb jij haar buitengelaten? Ja? Hoe laat? En heb je haar daarna nog binnengelaten? Enzovoort et cetera. Toen de slotconclusie steeds vaker was: ze is binnen terwijl niemand haar heeft binnengelaten, durfden we de Mexican wave aan te zwengelen: hoera! Choco is door het luikje! Na vier maanden toverspreuken en gemarchandeer, koos de adrenalinepoes eieren voor haar geld.

Het ging niet van harte. Ze sprong altijd eerst op de vensterbank naast de keukendeur om te kijken of er echt niemand was die ze kon raken op een zwakke plek met haar bezwerende gepiep – voor wie het gepiep van Choco niet kent: cuteness. Als wij onze rug recht hielden maar zichtbaar waren, bleef het gepiep aanhouden totdat we haar a. binnenlieten, b. de kamer uit gingen of c. het gordijn dichtdeden. In eerste instantie waren we gedisciplineerd. We doorstonden het gepiep of we maakten onszelf onzichtbaar. Maar het gevoel gekke Henkie niet te zijn nam toe en naarmate de tijd vorderde, was ik het beu om haar tot in de eeuwigheid te laten piepen, of om het rolgordijn te moeten neerlaten, of om de kamer de verlaten, of om … Het gevolg was dat we een zwalkbeleid hanteerden, variërend van nou, oké, kom dan maar tot nee, je weet heus wel waar het luikje is. Bovendien wisten we inmiddels wél zeker dat ze zo nu en dan door het luikje binnenkwam, maar we hadden eigenlijk geen idee of ze ook wel eens door het luikje naar buiten ging.

2. Het werd zomer

De zomer naderde en voor het eerst in drie jaar waren we van plan nog eens voor langere tijd op vakantie te gaan. Omdat een rooster van een paar verschillende oppassers op afstand – wat we altijd deden toen Mike nog leefde, zie punt 5 – geen optie meer is sinds Choco de vorige keer twee weken lang onder ons bed is blijven zitten, kozen we ervoor iemand te zoeken die in ons huis wilde bivakkeren om de moeilijk te hanteren poes houvast te geven. We wisten dat het niet zaligmakend zou zijn, want Choco raakt van elke kuch uit evenwicht, dus iemand met een vreemde stem, vreemde geuren, vreemde gewoonten en een vreemd bioritme zou ze hoe dan ook als een niet te bevatten inbreuk op haar leven en haar huis ervaren, maar we hoopten dat als ze maar elke dag op ongeveer de normale tijdstippen eten zou krijgen, ze toch een beetje minder verknipt uit de vakantie zou komen dan met eender welke andere oplossing.

Zodoende vertrokken we begin juni met een gerust hart richting Zuid-Frankrijk. Die drie weken werden onverhoopt ruim één week, en toen we thuiskwamen, lag er een briefje van de poezenoppas. Dat ze het fijn had gehad, dat ze hoopte dat wij gauw over onze shit heen waren, dat we een leuk huis hadden met fijne spulletjes en een leuke tuin, maar dat we wel behept waren met een asociale kat. Navraag leerde dat de poezenoppas acht dagen lang vooral om de hoek verdwijnende staarten had gezien. Niettemin had Choco elke dag stiekem gegeten, ze was kerngezond, en hoewel de week van angst uit haar ogen gulpte – er was een vreemde vrouw in mijn huis! – had ze ons vrij snel vergeven.

Over één ding was ik opgetogen die eerste week dat we terug waren: toen Wannes en ik met onze tassen binnenkwamen, hadden we ook een staart om de hoek zien verdwijnen, precies zoals de poezenoppas beschreef. Die staart verdween om de hoek van de kelderdeur en toen ik mijn eerste stappen in de kamer zette en door de tuindeur naar buiten keek, zag ik Choco onder het terras van de buurman kruipen. Kortom: Choco ging nu ook door het luikje naar buiten. Pure winst! Want hoewel het jammer is dat we een asociale poes hebben – ze had in het luikje immers een bondgenoot gevonden tégen de poezenoppas – ben ik het punt van huilen om gemorste melk al enige tijd voorbij. Deze kat dwingt je nu eenmaal tot het tellen der zegeningen en dit was er een. Eind goed al goed!

Onze tweede poging tot vakantie duurde onverhoopt maar drie dagen en drie dagen alleen is Choco wel gewend door onze weekendjes in Amsterdam. Omdat die drie dagen een week hadden moeten zijn, en omdat die trip nogal onverwacht was, hadden we een oppasser op afstand ingeschakeld die haar kwam voeren. En ook deze keer wisten we dat ze zou flippen omdat we haar ijzeren ritme zo rauwelings overhoop gooiden, maar we gingen ervan uit dat ze ons ook dit keer snel zou vergeven. Toen we thuiskwamen, vonden we één plasje onder mijn bureau, maar verder had ze gegeten, was ze gezond, en omdat het slechts drie dagen waren geweest, was het akkefietje spoedig bijgelegd. Het was zomer en in de weken die volgden, stonden de deuren en ramen vaak open, dus de Kwestie Luikje raakte wat op de achtergrond en zo vertrokken we – ons van geen kwaad bewust – op vakantiepoging 3.

(lees verder onder de foto)

choco_luikje_2

3. Nee

Toen we na een week binnenkwamen rook het op zijn zachtst gezegd onfris. We speurden naar de bron en stuitten algauw op een rond matje van een meter doorsnede onder mijn bureau dat bezaaid was met drollen en loodzwaar bleek van de kattenpis. Het voordeel: ze had zich beperkt tot die ene cirkel, dus het was opgelost met het matje in een zak doen en de zak dichtknopen. Het nadeel: als Choco bij mooi weer binnen zeikt en dat niet in de kattenbak doet, dan wil ze kennelijk niet meer door het luikje, dan is er dus shit going on in haar hoofd, en dan ligt er gegarandeerd weer een project in het vooruitzicht.

Het een déjà vu noemen zou een understatement zijn, ze wil immers niet alleen niet meer door het luikje, ze heeft ook de kattenbak uit haar leven verbannen. Die fuck-up hadden we alweer een tijdje niet gehad. Zolang het zomer was en de deur met enige regelmaat openstond was dat te doen, maar nu het kouder wordt en ik uiteraard weiger ten behoeve van mijn geschifte poes te verkleumen, is er sprake van conflicterende belangen waarbij wij per definitie aan het kortste eind trekken, want madame gaat niet zelf de magic circle van drollen en pis in een vuilniszak doen en assepoesgewijs de vloer boenen.

Er staat binnenkort een drienachtentrip op het programma, de kattenbak is sinds juni niet gebruikt en tijdens de dagen dat we weg zijn, zal ze op geen andere manier naar buiten kunnen dan langs het luikje. We hebben punt 10 uit Waarom Choco niet door het luikje gaat (1) alweer meer dan eens overtreden, dus het enige wat ons rest is bang afwachten en instemmend knikken bij die belegen grap van ‘een hond heeft een baas en een kat heeft personeel’.

Om antwoord te geven op de vraag of Choco na anderhalf jaar al door het luikje gaat: heb je even?

Stel nou dat dit het is?

Al jaren probeer ik een beter mens te worden. Ik worstel me door de gevolgen van mijn karakter, ik ploeter door de omstandigheden en ik eindig altijd in een hopeloos soort perfectionisme dat geen enkele inspanning op waarde zal schatten.
• Ik mag niet piekeren, maar o wee als ik dommer ben dan zou hoeven.
• Ik mag niet kluizenaren, maar hoe stupide is het wel niet om overprikkeld te raken?
• Ik mag niet leven om te werken, maar djiezus, I need more money!
• Ik mag niet te zwaar tillen aan details, maar als ik al die kleinigheden nou verdomme eindelijk eens op orde zou hebben …
• Ik mag mijzelf en mijn lichaam niet verwaarlozen, maar ik zou nu ook eindelijk wel eens door mogen hebben dat de boog niet altijd gespannen kan zijn.
• Ik accepteer geen pathetiek, maar binnenvetten is al helemaal geen optie.
• Ik moet echt eens mijn kansen grijpen, maar dat mag er zeker niet toe leiden dat ik ontevreden ben als ik misgrijp. Want ik weet heus wel dat dat by far het domste is dat je kunt doen, ontevreden zijn.

Ziehier een greep uit de tabbladen die de afgelopen 40 jaar 24/7 openstonden. Vanaf mijn kleutertijd ben ik dag in dag uit aan het afvinken: is er evenwicht? Balans? Nuance? Klopt het nog? Doe ik het goed? En nee, het klopte nooit en ik deed het nooit goed. Elke keer als ik een tabblad weg klikte, serveerde mijn hoofd mij als een ware pornoboer een veelvoud aan nieuwe evenwichtsoefeningen, en telkens als ik besloot dat alles perceptie was, begon mijn scherm zich opnieuw met browservensters te vullen. Want als alles perceptie is, hoe ongelooflijk stom is het dan wel niet om jezelf zo te benarren? Zo stom dat dat besef steevast weer leidde tot alle hens aan dek en we gaan nog niet naar huis, nog lange niet.

Twee weken geleden wurmden de tranen zich maar weer eens een weg naar buiten. Ik staarde door het keukenraam naar mijn prachtige tuin en besefte dat ook deze rouwsluier weer zorgvuldig door mijzelf was geknoopt en gedrapeerd. Zonder mij was dit prima gras, zonder mij waren dit puike zonnebloemen, zonder mij zou dit alles een heel aardig landschapje zijn. Maar dankzij mij was het een decor in een loodzwaar toneelstuk.

Ik dreigde als altijd de weg van zelfverwijt en ambitie in te slaan. Dit kon immers beter. En als er iets beter kon, dan was er werk aan de winkel. Maar zodra ik de bekende weg insloeg, realiseerde ik me dat het zinloos was. Het was niet voor niets de bekende weg. Deze route zou mij een dikkere rouwsluier opleveren, een zwaarder gemoed en misschien wel het belangrijkste: bij het eindpunt lag geen oplossing in het verschiet.

Volgens mij zat ik heel klassiek met mijn kin in mijn hand zieligjes naar buiten te staren, toen er een tabblad openging met de vraag: stel nou dat dit altijd zo blijft? Ik sla de bekende weg in, knoop een rouwsluier, ik leg die over de omstandigheden en alles wordt troebel, dag in dag uit, steeds opnieuw. Uiteraard kwamen alle reflexen en drogredenen als de wiedeweerga opborrelen: dat accepteren zou een gebrek aan ambitie zijn – iedereen kan die dingen die ik wil, dus waarom ik niet? – er is geen enkele reden waarom ik mijn wensen niet zou kunnen vervullen, dus opgeven is geen optie. Kortom: het reservoir vulde zich alweer met to-dolijsten, opgeheven vingertjes en een algeheel gevoel van reddeloosheid.

Tot het tot me doordrong dat als dat de nieuwe werkelijkheid was – dat dit het is, dat alles altijd zo blijft – het er niet meer toedeed wat ik ervan vond. Dan was het vooral zaak te dealen met een werkelijkheid waar je toch niet zoveel aan verandert. Nee, er is geen balans. Ja, ik ben zo nu en dan vreselijk dom. Nee, ik ben niet in staat niet te piekeren. Ja, de boog is vaker gespannen dan me lief is. Nee, ik zorg niet altijd goed voor mezelf. Ja, ik ben geneigd tot een irrationeel soort ontevredenheid. Nee, dit gaat nooit veranderen. Ja, dit blijft altijd zo.

Ik schrok van de gedachte, maar het leek me ineens ook zó plausibel. Wie dacht ik wel niet dat ik was? Een perfect iemand? Mijn hemel, zo naïef was ik toch niet? Ik was een hopeloos geval, tot huilens aan toe, zo bleek steeds maar weer. De kans dat ik op korte termijn handenwrijvend van tevredenheid aan diezelfde tafel door datzelfde raam zou kijken, was gering, dat kon ik na 40 jaar wel concluderen. Waarom nam ik dat niet gewoon voor lief? Ik ben doorgaans best goed in dingen voor lief nemen. De veranderlijkheid van het weer, een trein die niet rijdt, een tegenvallend boekjaar: ik incasseer wel. Waarom zou mijn eeuwige teleurstelling in een andere categorie vallen dan shit happens?

[insert zelfhulpboekstrijkorkest] Nou, en dat was dus een hele opluchting. Want als ik altijd mijn teleurstellende zelf zou blijven, zou dat veel gepieker schelen. Dan hoefde ik niet langer mijn hele wezen in gedachten te verbeteren.

De rouwsluier trok op, alsof er een raam was opengezet na het douchen. Ik stelde me voor hoe ik alle dingen zou doen die ik mezelf nu steeds maar weer verweet, maar dan zonder schuldgevoel, zonder de wens om het anders te doen. Ik zag voor me hoe ik door mijn huis en door mijn leven zou wandelen. Hoe leeg het in mijn hoofd zou worden als alles niet steeds voor verbetering vatbaar was. En hoeveel tijd ik zou overhouden als ik niet meer in cirkeltjes van zelfverwijt en verbeterdrift hoefde rond te draaien.

Ik wantrouwde de opluchting nog een beetje, ik ben wel vaker gestuit op de oplossing to end all oplossingen, maar omdat ik twee weken later nog steeds verkeer in een algehele staat van ‘mij maken ze de pis niet lauw’, durf ik van een kantelpunt te spreken. Het is allemaal kut en het zal allemaal kut blijven. En dat is een hele opluchting.

Niet langer door halfgesloten wimpers

burenMijn buren zijn altijd slechts een verhaal geweest. Een constructie van piepjes, klopjes, bonkjes, stemmen en geluiden. Die verhalen kwamen uit mijn hoofd. Ik plakte de piepjes, klopjes en bonkjes aan de dingen die ik van ze wist. Het tijdstip waarop ze thuiskwamen, opstonden, naar bed gingen, of ruzie maakten. Het klingelende geluid van flessen in hun boodschappentassen, of de flarden van gesprekken die ik opving door open ramen, dunne muren en nauwelijks geïsoleerde vloeren. Van hun achternaam, haardracht en stemgeluid boetseerde ik een personage dat door hun huis wandelde en dat verantwoordelijk was voor de piepjes, klopjes en bonkjes die ik hoorde. Zo borduurde ik levenslopen die Wannes soms voorzichtig ‘ongefundeerd’ durft te noemen.

Nog nooit had ik buren met wie ik wijn dronk, terwijl dat een hoop trammelant had kunnen voorkomen. Hoe zou het met de pitbullburen (1, 2, 3) zijn gegaan als ik in een vroeg stadium het glas met ze had geheven? En hoeveel godverdoemmes zou de buurvrouw achter de muur van het koertje van ons vorige huis ons uiteindelijk toegesist hebben als we eens met haar hadden geklonken? Maar het kwam er nooit van, en tegen de tijd dat het ervan had kunnen komen, was ik meestal alweer verhuisd. Zo bleven mijn buren slechts verhalen.

In dit huis had ik me voorgenomen om eens even fiks te ‘bonden’. Elke keer als ik iemand zag die in ons rijtje woont, klampte ik hem of haar aan, zette ik mijn allerbeminnelijkste glimlach op en sloeg ik een babbeltje. En zo bemachtigde ik steeds meer flarden die ik kon vastschroeven aan de stemmen en de piepjes. De klopjes en bonkjes kregen meer reliëf, en als Wannes mijn verhaal weer eens als ongefundeerd afdeed, pareerde ik dat met de getuigenissen uit de gesprekjes op straat.

Onlangs stak mijn rechterbuurman zijn hoofd over de schutting met de vraag of we zin hadden om te komen eten. Van deze buurman had een vriendin ooit beweerd dat ze er verkering mee had gehad en daarmee was het verhaal flink aangezwengeld. Maar bij nader inzien had ze zich vergist, waardoor de piepjes, klopjes en bonkjes ineens vooral een buurman vormden ‘die het nooit met An had gedaan’. Uiteraard zei ik gretig ja op zijn aanbod, tegen al mijn sociale fobietjes in.

Die zaterdag keken we uit over de de buurt vanaf een paar meter verderop. We monsterden onze tuin uit ander perspectief, we dronken wijn met de buurman, zijn vriendin en twee kennissen, aten quiches en voerden de gesprekken die je voert met mensen die je niet kent. Het was oké, het was geruststellend en het was vertrouwenwekkend. Dit was geen buurman die opzettelijk zijn sleutel zou vergeten (1), dit was geen Paul (1), dit waren geen buren zoals die van Pruts (1), het leek er niet op dat deze buurman ons dit zou flikken en bovenal: er viel met deze mensen te praten.

Thuisgekomen was ik opgelucht. Ik ben slecht in small talk, niet voor niets kwam ik nooit veel verder dan stoepgesprekjes, en een glas wijn zou ik eigenlijk al een hele overwinning hebben gevonden. Nu had ik een lange avond aan teambuilding gedaan en het leek erop dat het werkte. Zeker na dit voorjaar, waarin de geestelijke eierdozen niet aan te slepen waren, was het gevoel dat ik met deze mensen dingen zou kunnen oplossen als het nodig was een niet te onderschatten kalmeringsmiddel.

Tot ik de maandag erna aan het werk ging en de dagelijkse piepjes, klopjes en bonkjes hoorde passeren. Waar die eerst leidden tot een verhaal dat zich door halfgesloten wimpers opdrong, leek het nu alsof de rechtermuur in de huiskamer was weggehaald. Ik zag de buurman redderen in zijn keuken, ik zag hem zitten aan zijn bureau. Het lichtplan, de materialen, de inrichting, de kleurstelling: het stond allemaal zo helder op mijn netvlies dat het onmogelijk was om de buurman terug te brengen tot een verhaal. De buurman was ineens iemand van vlees en bloed, in een écht huis, die op vijftig centimeter afstand dingen stond te doen die bonkten. En, ja jezus, dat was dus niet de bedoeling.