We hebben de kikkers vermoord

We hebben de kikkers vermoord, mijn man en ik. Tenminste, we houden het voor mogelijk dat we de kikkers hebben vermoord. Ze zijn in elk geval dood, en we mogen niet uitsluiten dat wij ze met al onze goede bedoelingen over de kling hebben gejaagd. We ontdekten het een paar weken geleden. Zes kikkers lagen op hun rug op de bodem van de ingegraven mortelbak die dienst doet als minivijver. Roerloos, met hun witte buiken omhoog, hun pootjes strak gespannen, alsof ze net de sprong van hun leven hadden gemaakt. Als je wel eens een bord kikkerbilletjes hebt gezien, weet je welke houding ik bedoel.

Eerst twijfelden we nog. Waren ze wel dood? Ik had eens gelezen dat je kikkers in winterslaap nooit uit de vijver moet vissen, omdat je daarmee het risico loopt dat ze sterven door het luchtdrukverschil. Maar was dit niet een heel merkwaardige winterslaap? Zo op hun rug? Met hun witte buik goed zichtbaar voor hongerige reigers?

Omdat we nogal stadse types zijn, googelen we ons meestal door de verzorging van ons natuurschoon. Onze zoekgeschiedenis is een aaneenschakeling van ‘ridderspoor zaaien wanneer?’ en ‘egel gebroken poot, wat nu?’ Maar die zoekmachine-ijver is waarschijnlijk het grote probleem. Zo nu en dan combineren we namelijk betrouwbare informatie met adviezen van mensen die maar wat uit hun nek lullen. En dan loop je dus het risico dat je je kikkers vermoordt.

Want over kikkers, winters en ijs doen veel verhalen de ronde. Inmiddels weet ik: je moet het ijs openlaten, maar als het toch dichtvriest, mag je het niet openbréken. En dat is wat wij een winter lang deden. Elke ochtend braken we het ijs. De trillingen en de luchtdrukverschillen die je zo veroorzaakt, zijn niet goed voor kikkers, en ik las zelfs ergens iets gruwelijks over knappende kwaakblazen. Sorry voor dat beeld.

Ook na de ontdekking van het kikkerkerkhof op de bodem wendden we ons tot het orakel van Silicon Valley met de vraag: zijn onze kikkers dood of liggen ze gewoon heel raar te slapen? Na wat klikken kwamen we tot de conclusie dat Google het ook niet wist. Er leken geen duidelijke regels voor de houding van een kikker als hij slaapt.

Zoals vaker als we de waarheid niet kunnen verkroppen, besloten we het probleem zichzelf te laten oplossen. Als ze nog in leven waren, zouden ze op een dag met hun witte kikkerbuiken en hun kwaakblazen fluitend in het gras naast de vijver zitten. Dat leek ons een prima vooruitzicht. Dus liepen we wekenlang met een ruime boog om de vijver heen, zonder goed te weten op welk teken we wachtten voor we weer zouden checken of de bodem nog bezaaid lag met dood vlees.

Gisteren, na een paar weken doen alsof de kikkers niet dood waren, kon ik er niet meer tegen, die poel des verderfs in het midden van de tuin. Omdat mijn man een sterkere maag heeft dan ik, rustte ik hem uit met pollepels en spaghettigraaiers en vanuit de verte keek ik toe. Daar lag hij, op zijn knieën, kikkers scheppend aan de oever van de mortelbak. Het duurde eindeloos en achteraf wilde hij niet vertellen hoe het was geweest, wat me geen goed teken leek.
Máár, zei hij, … er zit wel een watersalamander in de vijver.

Opgetogen namen we plaats achter de laptop, en we googelden: hoe houd je in hemelsnaam een watersalamander in leven?

Deze column las ik op maandag 27 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

Discriminatie is een systeemfout

Hier ten huize Luif ging de vlag uit toen ik de intro las van het opiniestuk ‘Vijf jaar undercover op de arbeidsmarkt’ (DS 21 maart) . Mystery calls mogen van onderzoeker Stijn Baert uit de koelkast om zo werkgevers die het niet zo nauw nemen met grondrechten en ethiek een grotere pakkans te geven. Onderzoekers die pleiten voor een systematische aanpak van discriminatie: dat zien wij hier graag!

Maar al bij de tweede kolom moest ik even pauzeren om de vlag uit de houder te halen, en tegen het einde van het artikel snoot ik bedroefd mijn neus in de wimpel. Te vroeg gejuicht. Deze wetenschapper pookte het vuurtje van de systeemrechtvaardiging weer eens flink op.

Zo schrijft hij dat vrijwilligerswerk op het cv, net als een hoog opleidingsniveau en een flink aantal jaren werkervaring, de ‘ideale manier is om discriminatie te ontlopen’. Lees ik dat goed? Te ontlópen? Alsof discriminatiebestrijding vooral een kwestie is van er een beetje omheen lopen, en achterstelling iets dat je kunt ontwijken door zelf maar wat beter je best te doen. Ook gaat hij volkomen voorbij aan de rol die discriminatie speelt bij het verwerven van de inhoud van dat cv. Bovendien heeft Baert het over vrouwen die minder gericht zijn op promotiekansen, alsof vrouwen geboren worden met een soort algemeen gebrek aan ambitie. Terwijl vrouwen zonder ambitie ook vaak het gevolg zijn van systeemrechtvaardiging.

Een veelzeggend onderzoek op dat vlak kwam van een wetenschapper die vrouwen en mannen een essay liet schrijven, waarna ze zichzelf met een geldbedrag mochten belonen voor het verhaal. De kwaliteit van de teksten bleek gelijk, maar de vrouwen betaalden zichzelf ongeveer een vijfde minder voor het artikel. In Baerts redenering hadden deze vrouwen niet de ambitie om meer te verdienen, terwijl het voor de hand ligt dat er sprake is van een cultuur waarin vrouwen zichzelf en hun werkzaamheden minder waard vinden.

De benadering van Baert sluit helaas volkomen aan bij het meritocratisch georiënteerde wereldbeeld van de centrumrechtse Vlaamse regering, waarin verliezers van het systeem dat toch grotendeels aan zichzelf te danken hebben en waarin het systematische beeld van grote groepen die worden achtergesteld wordt weggewimpeld met ‘niet alle verhuurders discrimineren’ en ‘Pamper­beleid moedigt allochtonen aan om in hun zetel te blijven zitten’.

Om dat wereldbeeld te kunnen keren, moet je willen inzien dat het systeem niet eerlijk is, dat groepen die jarenlang achtergesteld zijn niet allemaal per individu minder ambitie of cv-building tonen, maar dat ze door stereotypering, angst en verkeerde veronderstellingen minder kansen krijgen. En dat je niet altijd krijgt wat je verdient, maar vaak ook wat het systeem je gunt.

Het lijkt erop dat Baert dat patroon niet ontkent, want hij schrijft dat zijn bevinding dat ouderen, allochtonen en mensen die langdurig werkloos zijn moeilijker aan een jobgesprek komen, weinig verrassend is. Toch suggereert hij dat je je met een stevig cv en meer ambitie aan het systeem kunt ontworstelen, en zo discriminatie kunt ontlopen. Sterker, hij vindt dat je groepen ‘die er meer voor gaan’ niet mag bestraffen via quota of ‘andere vormen van positieve discriminatie’.

Zou hij niet beseffen dat die achterstelling juist het gevolg is van positieve discriminatie? Dat het de mannen, de mensen zonder buitenlands accent, mét een Vlaamse achternaam en zonder zichtbare handicap zijn, die al jarenlang positief worden gediscrimineerd? Dat alles wat we doen om dat recht te trekken een bijstelling is die het systeem hard nodig heeft?

Die geforceerde correctie is nodig, omdat de overheid al jarenlang geen ­hoge ogen gooit als het gaat om discriminatiebestrijding, omdat gelijkheid een grondrecht is en omdat elke vorm van ‘je hebt het aan jezelf te danken’ het systeemprobleem ontkent.
En tot slot: voor het zelfrespect van de verliezers. Want erger dan gewoon verliezen, is volkomen onverdiend verliezen en er dan ook nog de schuld van krijgen.

Deze column verscheen op vrijdag 24 maart 2017 in De Standaard.

Gekke Henkie en de paardenracepolitiek

Voor de verkiezingen spreken lijsttrekkers over breekpunten en verkiezingsbeloften, maar niet over de compromissen die ze nadien zullen sluiten. Maartje Luif roept op tot lef en rede.

Het is vaste prik: eerst trekken Nederlandse politici als een ware fanfare door de straten om rond te toeteren hoe verwerpelijk de plannen van collega’s zijn, en daags na de verkiezingen zitten ze met gevouwen handen naar elkaar te glimlachen, zich onderwijl het hoofd brekend over hoe ze in hemelsnaam met elkaar kunnen samenwerken zonder dat het woord ‘kiezersbedrog’ valt. De stemgerechtigde kijkt intussen naar een beroerd toneelstuk waarin de badguy zich ontpopt als diplomaat en denkt: ja maar, wacht even, ik ben toch gekke Henkie niet?

Want als de verhoudingen tussen links en rechts in Nederland al sinds de jaren 70 ongeveer gelijk zijn – rechts iets meer dan de helft van de zetels, links iets minder – en er altijd coalities worden gevormd die grote compromisbereidheid vergen, waarom spreken de lijsttrekkers dan voor de verkiezingen zelden over die compromissen? Waarom gaat het wel over breekpunten en verkiezingsbeloften, maar niet over de knieval die nodig is om de andere kant van het spectrum te bereiken?

In de journalistiek is er een mooie term voor: horse race journalism, renbaanjournalistiek. Het is het woord voor verkiezingsverslaggeving die focust op de partij die wint, in plaats van te berichten over het beoogde eindresultaat: een adequate vertegenwoordiging van alle kiezers en een regeerakkoord dat de ideeën van een coalitie van meerdere partijen, zo goed en zo kwaad als het gaat, verenigt. Het woord ‘paardenracejournalistiek’ wijst de journalistiek aan als schuldige van die versimpeling, en dat is niet onterecht, maar de politiek heeft ook boter op haar hoofd. Nadat zijn partij driekwart van de zetels in rook had zien opgaan, zei PvdA-lijsttrekker Lodewijk Asscher dat de kloof tussen burger en politiek wordt gevoed ‘doordat journalisten doen alsof het niet normaal is dat je gaat samenwerken, en doordat politici niet bereid zijn uit te leggen dat je compromissen moet sluiten’. Dat klinkt redelijk, maar intussen bleef hij zelf tijdens de campagne volhouden dat de miljardenbezuinigingen op zorg en sociale zekerheid goed waren voor het land, terwijl hij gewoon had moeten zeggen dat compromissen sluiten met de VVD niet altijd even leuk is.

VVD-leider Mark Rutte maakte het afgelopen zomer nog bonter, toen hij de campagne aftrapte met heuse excuses voor de verkiezingsbeloften die hij had gebroken. Er was aan de hypotheekrenteaftrek gemorreld, er was tóch geld naar Griekenland gegaan en die duizend euro, die hij elke werkende had beloofd, was er ook nooit gekomen. ‘Ik begrijp dat mensen daar boos over zijn’, zei hij deemoedig. Het was natuurlijk eerlijker geweest als hij had gezegd: ‘Luister, de PvdA en de VVD zijn niet uit hetzelfde hout gesneden, dus we moeten water bij de wijn doen. Daar spijt van hebben zou bespottelijk zijn’.

Mede door dat dreigende gezichtsverlies is het niet ondenkbaar dat de Nederlanders een gooi doen naar het wereldrecord ‘kabinet formeren’, dat nu nog in Belgische handen is. Er wordt immers alweer beweerd dat de grote winnaar op links, GroenLinks-leider Jesse Klaver, niet zou moeten aanschuiven in een kabinet met de VVD, omdat hem dan hetzelfde lot beschoren zou zijn als de PvdA. De kiezer zou hem afstraffen voor het feit dat hij compromissen moet sluiten, waarmee we de derde schuldige in dit verhaal hebben: zolang de kiezer liever op de renbaan zit in plaats van te luisteren naar een genuanceerd verhaal van geven en nemen, zal de politiek hem voor gekke Henkie houden. En hij zal niet kunnen ontkennen dat daarin een kern van waarheid zit.

Dit opiniestuk verscheen op zaterdag 18 maart 2017 in De Standaard.

Goedbedoeld seksisme

Twee dagen na Internationale Vrouwendag is het tijd om de scherven bij elkaar te vegen. Een dag waarop de aandacht meer dan anders uitgaat naar ongelijkheid mag dan geen overbodige luxe zijn, de vriendelijk bedoelde parade van powervrouwen die woensdag aan ons voorbijtrok, is schadelijk voor de goede zaak.

Een serieuze man complimenteer je niet met het woord ‘powerman’, hij zou je uitlachen, en terecht. Maar woensdag, de dag dat het om gelijkwaardigheid van man en vrouw moest gaan, vlogen de sterke vrouwen je om de oren. Waarmee de indruk ontstond dat al wat vrouwelijk en sterk is, en ook nog eens haar kans grijpt, boven het normale uitsteekt. Stel je voor dat we het mannelijk volksdeel een dag lang oprecht zouden vieren om de wijze waarop het als sterke powerman zijn kansen durft te grijpen, het zou een potsierlijke toestand worden.

Neem het bericht op Twitter waarmee de Leuvense politie woensdag de aandacht wilde vestigen op de gelijkheidsstrijd tussen mannen en vrouwen: ‘Onze vrouwelijke collega’s weten perfect hun mannetje te staan! #respect #internationalevrouwendag’. In deze tweet gaat veel fout. Zowel het volkomen misplaatste ‘vrouwen die hun mannetje staan’ als het ‘ons’ in dit verhaal impliceert een onontkoombaar mannelijk perspectief. Hoe goedbedoeld ook, het bericht van de Leuvense politie wekt de suggestie dat het wel een hele prestatie moet zijn dat een vrouw bij de politie opgewassen is tegen haar taak. Zozeer dat de mannelijke collega’s daar #respect voor hebben, zozeer dat dit het enige is dat ze kunnen verzinnen om Vrouwendag in de verf te zetten.

Had de Twitter-flik in kwestie zich een beetje verdiept in seksisme en de rol van stereotypering, dan had hij kunnen weten dat in een samenleving zoals de Belgische, waarin mannen en vrouwen relatief gelijkwaardig zijn, goedbedoeld seksisme vaak schadelijker is dan vijandig seksisme. Vijandig seksisme is doorgaans gemakkelijk herkenbaar, denk aan seksuele intimidatie of boodschappen van het kaliber ‘kuthoer, ga terug naar het fornuis!’ Zowel mannen als vrouwen keuren dat soort ongelijkheid veelal af.

Goedbedoeld seksisme daarentegen is een wolf in schaapskleren die zich invreet in de maatschappij. We prijzen vrouwen om stereotiepe eigenschappen zoals warmte en zorgzaamheid en mannen om hun kracht en potentie, en we stellen beschermend gedrag door mannen, als waren alle vrouwen poppemiekes die begeleiding en betutteling verdienen, bewust of onbewust op prijs. Omdat deze systematische ongelijkheid voor beide partijen voordelen heeft – de vrouw kan haar koffer laten dragen en de man zijn spierballen laten rollen – wordt het niet alleen zelden herkend als seksisme, het is zelfs een fenomeen dat mannen én vrouwen aanmoedigen. We houden met zijn allen de systeemfout hartstochtelijk in stand.

Onderzoekers wijzen erop dat vrouwen die overdreven complimentjes krijgen uit mannelijke hoek vervolgens slechter gaan presteren en onzeker worden. Vrouwen die zich ook nog eens ontworstelen aan het predicaat ‘warm en zacht’ roepen onevenredig veel weerstand op, terwijl vrouwen die zich graag laten bijstaan door een man juist op onverbloemde adoratie kunnen rekenen. De man vertegenwoordigt macht en kracht, de vrouw warm en zacht, en beide partijen worden daarvoor voldoende beloond om niet tegen te sputteren.

De vrouwendagtweet van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) sprak in dat opzicht boekdelen. ‘Topvrouwenteam op mijn kabinet vandaag extra in de bloemetjes gezet!’ Ook hier een en al goede bedoelingen, maar de suggestie dat een vrouw zo warm en zacht is dat ze bloemetjes verdient is hardnekkig, en de foto erbij laat niets te raden over: vijf dames met een roos in de hand, minzaam glimlachend, gegroepeerd rond hun baas die wijdbeens in het midden staat. Ook hier geldt: draai de rollen om en stel je voor dat een ‘topmannenteam’ elk met een roze bloem, glimlachend om een vrouw heen zou staan, het zou lachwekkend zijn.

Omdat goedbedoeld seksisme diep verankerd zit in onze cultuur en maatschappij en ook nog eens veelal op onbewust niveau plaatsvindt, zit er niks anders op dan onszelf een geweten te schoppen. Als vrouwen voortaan zelf hun koffers dragen en mannen de neiging onderdrukken om complimenten te verpakken in pasteltinten, dan zijn we al een heel eind. En mochten de hoeders van de wet zich nog wat inlezen in de achterliggende mechanismen van seksisme, dan is de schade na de volgende Internationale Vrouwendag misschien te overzien. Want met goede bedoelingen en lieve meisjes dempen we de gracht.

Deze column verscheen op vrijdag 10 maart 2017 in De Standaard.

NB De staatssecreatris maakte overigens vlek op vlek door te reageren met onderstaande tweet. In zijn universum vinden vrouwen karten en lasergamen uiteraard heel vervelend. De meeste vrouwen die ik ken zouden kartend lasergamen dan weer geweldig vinden.

Gebakken lucht

Ik verkoop gebakken lucht, te weten, mijn gedachten. In een temperatuur van ongeveer 37 graden smoor ik mijn hersenspinsels, vervolgens laat ik ze wat sudderen en als ze gaar zijn maak ik ze tastbaar door ze in 26 letters op een stukje papier te gieten.

De eerste keer dat ik mijn gedachten verkocht, voelde het alsof ik iemand had opgelicht. Ik was 19 jaar en een opinietijdschrift vroeg me een stukje te schrijven over mijn generatie, de zogenaamde Generatie Nix. Toen ik hoorde dat ik er 50 gulden, ongeveer 1000 frang, voor zou krijgen, viel ik van mijn stoel. 50 gulden? Voor iets wat ik leuk vond om te doen? Iets wat ik misschien ook had gedaan als niemand het had gevraagd? En dat zou dan evenveel geld opleveren als écht werk? Ik vond het onvoorstelbaar. Het was alsof ik betaald kreeg om in bad te zitten, een krant te lezen of een uurtje met de poes te spelen; dingen die iederéén deed en waarvan het in het geheel niet logisch leek er geld aan over te houden.

Een paar weken later stond mijn verhaal in het tijdschrift en er verscheen een bedrag van 50 gulden op mijn rekening. Mijn dubbelhartigheid over die gang van zaken swingde de pan uit. Enerzijds wilde ik van de daken schreeuwen: kijk, mensen willen mijn gedachten afdrukken en er ook nog voor betalen, hoe is het mogelijk? Anderzijds dacht ik: niemand mag dit weten, dit is te bizar voor woorden. Mijn oud-collega’s in het verzorgingshuis moeten hiervoor werken en ik hoef alleen wat te denken. Zo beschamend!

Niet lang daarna begon ik als student aan de School voor Journalistiek. Je zou veronderstellen dat ik daardoor wel gewend raakte aan het idee dat ik mijn inkomen bij elkaar zou scharrelen met denkwerk, maar niets is minder waar. Toen ik voor het eerst een idee voor een artikel verkocht, voelde het – net als de eerste keer een column en de eerste keer een half boek – alsof ik de boel belazerde.

De jaren verstreken en elke keer dat ik mijn gedachten in bundeltjes alfabet wist te slijten, keek ik ongemakkelijk naar de punten van mijn schoenen. Natuurlijk realiseerde ik me steeds vaker dat de waarde van mijn denkwerk zit in de tijd die ik heb besteed aan lezen, aan taalvaardigheid, aan schoondenken, aan schrijven, schrappen, herschrijven en nog meer schrappen. Toch kon ik me regelmatig niet aan de indruk onttrekken dat ik mijn vrije tijd liet sponsoren.

De ambivalentie werd nog groter toen ik leerde onderhandelen. Dan bood iemand 200 euro voor mijn gedachten en dan wist ik: hier moet ik 250 euro van proberen te maken, of zelfs 300. Dat voelde raar, om niet te zeggen ronduit belachelijk. Natuurlijk doe ik research en besteed ik tijd aan het product dat ik lever, maar het is niet vergelijkbaar met de meubelmaker die kan zeggen: het hout en de schroeven kostten dit, en mijn uurloon is dit, dus voilà, hier heb je de prijs. Kennis vergaar je immers een leven lang, letters zijn gratis en ze in de juiste volgorde zetten kost op zich niet eens zoveel tijd. Nee, het is dat denkwerk, die gebakken lucht, die vermaledijde ontastbaarheid, die de prijs opdrijft.

Aan mijn gebakken lucht per kilo, moest ik denken toen ik las over de ruimbetaalde adviesfuncties die onze politici bekleden bij allerhande organisaties. Ik vroeg me af of er iemand bij zat die in de auto naar huis met schroom probeert vat te krijgen op het idee dat hij zijn gedachten omzet in harde valuta. Zou een van die dure adviseurs wel eens in zijn schedelpannetje roeren, net als ik, en beseffen dat de ongrijpbaarheid van wat we doen nederig zou moeten stemmen.

De tekst die zojuist in geluidsgolven uw oor in trilde, bedacht ik terwijl ik stond te koken. Met die tekst betaal ik de tijd die ik nodig heb om nieuwe gedachten te bakken, die ik ook weer verkoop. En dat is waar mijn bescheidenheid begint: iedereen denkt, iedereen heeft gedachten, iedereen staat te koken, maar mijn gedachten zijn van kostwinnend niveau? Ben je gek! Je zou van minder ootmoedig worden.

Deze column las ik voor in de podcast De Maatschappij van Radio Spindokter op donderdag 8 maart 2017.

Luister:

De pijn van de hardwerkende Vlaming

De hardwerkende Vlaming is ziek, langdurig ziek. De favoriete mascotte van politici die de wereld indelen in hardwerkende en minder-hardwerkende mensen heeft het moeilijk, want ze prijzen hem om zijn harde werken, terwijl hij al maanden thuiszit. Zijn lichaam achter zich aan slepend, zijn dagritme naar de vaantjes, de verhouding met huisgenoten onder spanning en last but not least, overmand door zorgen omdat hij moet rondkomen van hooguit 60 tot 80 procent van zijn normale inkomen.

Het klinkt als een grap, maar de werkelijkheid is dat één op de tien Vlamingen langdurig ziek thuiszit. Ruim een derde van hen kampt met psychische klachten. Volgens een recente ondervraging ervaart 10 procent van de Vlamingen te veel stress op het werk en hebben zo’n 280.000 mensen burn-outsymptomen, een kwart meer dan drie jaar geleden. Slechts de helft van de Vlamingen vindt zijn job werkbaar en Belgen blijven veel vaker dan andere Europeanen naar hun werk gaan als ze ziek zijn.

Een van de belangrijke risicofactoren voor een burn-out is plichtsgetrouwheid. Mensen die hun werk erg serieus nemen, komen sneller in de problemen dan zij die de kantjes er vanaf lopen. En kijk, daar herkennen we hem in, de hardwerkende Vlaming. De vleesgeworden verkiezingsslogan is volgens de opportunisten de maat der dingen, maar intussen ligt hij in foetushouding in bed, gordijnen dicht, hopende zichzelf en zijn gezondheid terug te vinden.

Ik weet wat hij voelt, die hardwerkende Vlaming, ooit was ik ook zo’n handen uit de mouwen stekende middenklasser die ten onder ging aan haar ijver. Maandenlang barstte ik in tranen uit als iemand me vroeg hoe het met me ging, omdat ik geen flauw benul had hoe het met me ging. Ik wist niet eens waarom ik huilde. Mijn burn-out vond plaats onder andere omstandigheden, maar één ding hebben de hardwerkende Vlaming en ik gemeen: hij wordt, net als ik destijds, geacht zich te vermannen. Doe een das om, recht je schouders.

Handenvol geld kostte het om mij met duurbetaalde hulptroepen een beter mens te maken. Op dagen dat ik uit alle macht de scherven van mijn leven bij elkaar veegde, kreeg ik ambtelijke brieven met vragen of waarschuwingen van controleurs en raadgevers. Maandelijks probeerde ik in een kil kantoor aan een vreemde vrouw stamelend het onuitlegbare uit te leggen: waarom de wervelwind die door lijf en leven raasde nog steeds niet was gaan liggen. Tegelijkertijd werd alles in stelling gebracht om mijn weerbaarheid en mijn levensstijl aan te passen, terwijl aan de arbeidsomstandigheden niets werd gewijzigd en mijn collega’s eveneens bij bosjes omvielen.

Ziedaar de situatie van de hardwerkende Vlaming. Hij dient als modelburger en als het hem niet lukt om op commando zijn pirouette te draaien, wordt er aan hem gesleuteld tot hij wel dat Duracell-konijntje is waar ze hem voor houden.

De simpelen van geest krijgen de wind in de rug van de marktleider van de inkomensverzekeraars, AG Insurance. Die zet 175.000 verzekerden voor het blok: of je kiest voor een beperkte dekking en dan sturen we consultants – consultants! – op je af, of je houdt onbeperkte dekking maar dan wordt de premie veel hoger. In beide gevallen heb je langdurig slechts 60 tot 80 procent van je inkomen; voor veel mensen een ware aderlating. Dus hoewel we hier te maken hebben met een epidemie die haar weerga niet kent, krijgt elk individueel slachtoffer te horen: ‘Zet jij eens even gauw weer je leven op orde! En wees spaarzaam!’

Het is een vorm van ‘blaming the victim’, ook wel schuldomdraaiing genoemd. Een fenomeen dat volgens wetenschappers de kop opsteekt wanneer we niet kunnen aanvaarden dat de wereld onrechtvaardig of onoverzichtelijk is. Wie het ideaalbeeld verstoort, krijgt de schuld: had hij maar beter in het plaatje moeten passen.

De plannen van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) om bedrijven te beboeten die geen inspanningen leveren om langdurig zieke werknemers weer aan het werk te helpen, zijn een stap in de goede richting. Maar een minister van een partij die bij uitstek denkt in hardwerkende en minder-hardwerkende Vlamingen zal niet bij machte zijn de complexiteit van het probleem te zien en het slachtoffer uit de wind te houden.

Deze column verscheen op vrijdag 24 februari 2017 in De Standaard.

De totstandkoming van een en al projectie

Voorkennis gewenst? Lees het verhaal Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Het waren die spullen. Als ik in bed lig zie ik bovenop de klerenkast dozen vol verleden. Meestal staar ik gewoon wat naar die dozen, maar soms denk ik erdoorheen. Dan probeer ik me voor te stellen wat erin zit – dagboeken, foto’s, brieven, bewijzen van mijlpalen, oude dreads, polsbandjes van festivals en andere rekwisieten van een vervlogen leven – en dan vraag ik me af of de inhoud eigenlijk niet weg kan, en zo nee, wat ik er dan ooit nog mee zou doen, en zo ja, of ik dat zou kunnen, al mijn tastbare herinneringen bij het vuil zetten, en zo nee, wat dat over mij zegt, en zo ja, wat dat over mij zegt …

Dus het waren die spullen waardoor ik me begon af te vragen wat het betekende om geen kinderen te krijgen. Ooit waren die dozen een keuze voor mijn nageslacht: snuisterpotentie voor de liefhebber en in geval van desinteresse wegsmijtbaar. Nu ik geen kinderen zou krijgen, waren het veel meer gewoon dozen, met papieren, onleesbare handschriften, oud zeer, te weinig tijd om dat ooit allemaal nog eens te bekijken, en wat – moet – ik – er – in – hemelsnaam – mee.

Snuisterpotentie

Ik realiseerde me dat er eigenlijk niks was veranderd: ik lag in bed, ik had geen kinderen, die dozen stonden daar. Net als toen ik ze vulde. Alles was hetzelfde en toch was er iets veranderd. De dozen hadden hun snuisterpotentie verloren. In de dagen erna vroeg ik me af of het voor meer dingen gold, dat er door geen kinderen te krijgen niks was veranderd, maar dat er tóch iets was veranderd. Ik kwam tot de conclusie dat er eigenlijk best veel voorbeelden waren.

Ergens begin november vorig jaar schreef ik de eerste versie van het artikel dat vorige week in Volkskrant Magazine verscheen. Ik liet het aan mijn geliefde lezen en hij vond het mooi, raak en herkenbaar. Ik dubde of ik het op mijn website zou zetten, maar omdat ik al twee verhalen over ivf voor Volkskrant Magazine had geschreven, was het ook een optie het aan hen aan te bieden. Ik talmde nog wat: wie zat er te wachten op mijn persoonlijke gepeins over zoiets abstracts als verlies wanneer je er iets niet bij krijgt? Maar in december las ik het stuk nog eens en ik dacht: het is eigenlijk best mooi geschreven, en nou ja, hup, op hoop van zegen dan maar. Volkskrant Magazine reageerde enthousiast. Tot zover de aanloop.

Beduusd

Vorige week kreeg ik een mailtje. Dat het stuk zou verschijnen en of ik een exemplaar wilde ontvangen, dan had ik het misschien ook op de dag van publicatie, net als de Nederlanders. Vrijdag lagen er twee exemplaren in de bus met een briefje van de hoofdredacteur dat ze elk woord van het voorwoord meende.

Ik bladerde argeloos naar het voorwoord.

Ik was urenlang beduusd en omdat mijn week een aaneenschakeling van rotdagen was geweest, maakte mijn sombere hoofd kortsluiting. Het verhaal was prachtig geïllustreerd, het had een mooie plaats in het blad en het werd op de voorpagina ‘angekeild’. Kortom, van een losse gedachte, starend naar de dozen in bed, was het een succesverhaal geworden. En hoewel ik me complimenten heel slecht eigen maak, raakte ik er wel hyper van.

De volgende ochtend kon de rest van Nederland het lezen en dat werd gretig gedaan, bij het ontwaken was het al een van de ‘trending’ artikelen op Blendle en dat bleef het de hele week en er lagen al vroeg een stuk of wat mails. De eerste berichtjes waren overwegend kort, dankbaar, complimenteus en hartelijk. Ze kwamen van impulsieve mensen die zo vroeg al even wilden laten weten dat ze om wat voor reden dan ook blij waren met mijn stuk. In de loop van de zaterdag kreeg ik langere mails van lezers die het door hun hoofd hadden laten spelen en er nu wat dieper op ingingen, die vragen stelden, kanttekeningen plaatsten, maar die meestentijds toch vooral hun dankbaarheid en waardering uitspraken. Die zaterdag ontving ik honderden mails en berichtjes op sociale media, voor en achter de coulissen. Gelukkig overwegend positief, met een enkele valse noot. ’s Avonds kwamen de langste brieven, van mensen die er vermoedelijk toen pas rustig voor konden gaan zitten, of die de dag nodig hadden gehad om te bedenken wat ze ervan vonden, of die hun emoties net weer de baas waren. Dat waren lange teksten met levensverhalen, fertiliteitsgeschiedenissen, doorwrochte analyses, en niet zelden veel doorvoelde pijn.

Projectie

Toen ik naar bed ging en naar de dozen keek, waaide het in mijn hoofd. De dozen waren geen dozen meer, maar ook niet de vervlogen droom waarover ik schreef, het waren dozen van Pandora geworden, met levensverhalen van mensen van Ameland tot Vlissingen, met een kakofonie van de pijn van de ongehoorden, met een spiegelpaleis aan reflectie. Want dat was wat ik leerde: de reacties op dit stuk waren grotendeels projectie.

Ik ontving dankbare reacties van mensen met kinderen, mensen zonder kinderen, gewenst kinderlozen en ongewenst kinderlozen. Ik ontving brieven van mensen die zich gesteund voelden, die zeiden nu eindelijk mensen in hun omgeving te begrijpen, hun vriendin, hun zoon, hun collega, hun broer, mensen die zich helemaal herkenden, of maar deels, of helemaal niet. Mensen die niet gelukkig waren met hun kinderen, maar daar nu wat genuanceerder over dachten, of mensen die langzaam dreigden te vergeten wat een zeldzaam geluk het ouderschap kan zijn, mensen die me wilden helpen, wilden steunen, die me ivf-klinieken, therapieën, handboeken of lotgenotengroepen adviseerden. Mensen die zich zorgen om me maakten, die zeiden dat ik het niet zo donker moest zien, dat het leven heus nog wel wat voor me in petto zou hebben, mensen die niet wisten wat ze voelden, maar door mijn stuk ineens wel, mensen die nog kwader werden omdat niemand ze begreep, omdat niemand ze ooit vroeg wat ze meemaakten, mensen die het niet zo beleefden, maar door mijn stuk inzagen dat hun vrouw het misschien wel zo ervaarde. En een enkeling reageerde negatief: wat een egoïstisch stuk, of: dit geldt niet voor iedereen. En een journaliste met 8000 volgers op Twitter vroeg zich hardop af of ik niet véél te veel verwachtte en of die kinderen niet erg veel hadden moeten goedmaken.

Zondag bleven de reacties door druppelen, niet iedereen leest het Magazine op zaterdag. Ik was duizelig, want ik had besloten dat je bij zo’n onderwerp niet kunt doen alsof je neus bloedt, al die mensen die hun hart uitstorten en hun diepste gedachten delen, die kun je niet negeren. Dus op elk serieus te nemen bericht, reageerde ik. Maar toen ik dat besloot, wist ik natuurlijk nog niet dat me zo’n karrenvracht aan persoonlijke berichtjes te wachten stond. Ik kwam er gedurende het weekend ook steeds meer achter dat het spookte op mijn mailserver en dat het maar de vraag was of de reacties aan mij, maar ook mijn zo zorgvuldige geformuleerde replies, überhaupt probleemloos door het sijberse zouden gaan.

Die middag belde De Standaard, of ze mijn stuk in een kortere versie ook mochten plaatsen. Ik zei ja. Het artikel zou dinsdag verschijnen. De hele zondag en maandag kwamen er berichtjes binnen, terwijl mijn mailprobleem voortduurde, dus wat arriveerde was waarschijnlijk nog niet eens alles. Ik raakte langzaamaan wat reactiemoe. Van een artikel dat ontstond door een interessante en wezenlijke vraag, liggend in bed, starend naar die dozen, was dit ineens een product dat me boven het hoofd groeide. Ik was losgezongen van het spectrum waarop ik de reacties kon aftekenen. Ik had zelf niks meer te maken met de tekst, met de gedachten die ik had samengebald in zo mooi mogelijke zinnen. Het waren wezensvragen die al maanden als een computerbestandje binnen handbereik lagen, maar die ik mede daarom niet meer in mijn hoofd had. Ik was klaar met die gedachten, ze waren afgegraasd, afgerond; prima gedachten, niks meer aan doen.

Kutreacties

Fast forward naar dinsdagochtend. Met angst en beven opende ik bij het ontwaken mijn mail. Had de publicatie in De Standaard de kraan weer opengezet? Ik had al vaker ondervonden dat Vlamingen niet zulke brievenschrijvers zijn als Nederlanders, maar aangezien ik hier ooit in de zwartepietendiscussie verwikkeld raakte, weet ik dat ook een Vlaming zich soms gretig op de auteur van een artikel werpt. Maar nee hoor, er lag niks. Opgelucht begon ik aan de dag, maar die opluchting was van korte duur. Mijn mailbox haalde stotterend berichten binnen, niet zo veel als zaterdag, want het spook op de mailserver had een actieve dag, maar omdat De Standaard het bericht op Facebook plaatste en er dus via FB-message en Twitter-dm ook veel binnenkwam, zwelde de kakofonie toch weer aan. De mails en persoonlijke berichten waren natuurlijk moeilijk te mijden, maar de rest van de reacties besloot ik niet op te zoeken. Edoch, omdat het Facebook-algoritme veronderstelt dat ik geïnteresseerd ben in artikelen geschreven door ene Maartje Luif botste ik op de reacties op een artikel door haar geschreven. En die reacties waren deels opnieuw dankbaar en complimenteus, maar voor een veel groter deel dan zaterdag waren ze ook vrij giftig. Ik sloot het FB-scherm snel, maar helaas waren er toch al een stuk of wat nasty zinnetjes op mijn netvlies blijven plakken.

Ik had die dag een deadline, dus ik moest alle humbug uit mijn hoofd zien te verdrijven, met als gevolg dat ik na een uurtje besloot de geniepige stemmetjes die de kutreacties op mijn stuk in mijn hoofd hadden achtergelaten de mond te snoeren met een FAQ die ik op Facebook plaatste. Ik deed een greep uit het scala aan venijn en reageerde erop. Niet dat de critici het ooit zouden lezen, maar dan was het van mijn hart.

FAQ

Q: ‘Is die vrouw 43? En die denkt nog steeds dat kinderen de zin van het leven zijn?’
A: Nee, dat denk ik niet en dat staat ook niet in het stuk.
Q: ‘Wat een egoïstisch artikel.’
A: Yup, als je reflecteert op wat je in je persoonlijk leven mist, dan is een vleugje egoïsme onvermijdelijk.
Q: ‘Ik snap niet dat zo iemand niet een kind adopteert.’
A: Welnu, ik sta hier niet alleen in, ik heb een man. Die heeft ook nog dingen in te brengen. Bovendien is het voelen van een gemis niet afhankelijk van de bereidheid tot het aangaan van een ander avontuur. Daarnaast onderschatten de roepers aan de zijlijn de impact van een ellenlange fertiliteitsbehandeling. In de slipstream daarvan een adoptieprocedure beginnen, is niet iets dat je zomaar even doet.
Q: ‘Die verwachtte wel veel van kinderen, ze moesten wel erg veel voor haar goed maken.’
A: In een eerder stuk schreef ik over de duizend kanten van de medaille van mijn kinderwens. Dat stuk verscheen twee jaar geleden in Volkskrant Magazine. Daarin kun je lezen dat mijn verwachtingen nogal getemperd waren.
Q: ‘Ik herken er niks in, waarom staat er dan zo’n kop boven?’
Dat kan. Koppen zijn vaak generaliserend. Die kop is voor de welwillende lezer vermoedelijk best duidelijk.
Q: ‘Belachelijk stuk, ik herken me er helemaal niet in. Ik heb het gevoel dat ik alleen maar heb gewonnen.’
A: Ik had waarschijnlijk met evenveel liefde het verhaal Wat je wint als je geen kinderen krijgt, kunnen schrijven. Het is niet of-of, maar en-en. Dit was de invalshoek van dit verhaal, volgende keer weer een andere invalshoek.
Q: ‘En zij wil nu nog kinderen? Zo oud?’
A: Nope. En dat staat ook nergens.

Ziezo. Dat lucht op. Nog meer vragen?

Het klinkt gemakkelijk gezegd, maar het luchtte echt op. Ik was dan wel losgezongen van het verhaal en van alle mogelijke manieren om ernaar te kijken, maar ik verinnerlijk kritiek veel sneller dan complimenten, dus het was zaak om zo snel mogelijk korte metten te maken met de stemmetjes in mijn hoofd. De FAQ hielpen geweldig. Ik was het kwijt. DOEI!

Reactieproof

Tot op de dag van vandaag krijg ik reacties binnen, sommige mooi, sommige lelijk. In de Volkskrant van vandaag werd de brievenpagina geopend met een kutreactie. Heel even was ik verontwaardigd: 95 procent van de reacties op het stuk in VK Magazine was positief, waarom zou je dan alleen een negatieve brief plaatsen? Maar toen dacht ik aan het voorwoord van Corinne, dat was de ene kant van het spectrum, het was logisch dat ze daar nog een andere kant tegenover zetten.

Nu de week weer wat verder is, ik de meeste deadlines heb gehaald en ik in staat ben terug te kijken, ben ik niet meer reactiemoe, ik ben vooral reactieproof. Én blij dat ik voor honderden mensen een waardevol en in sommige gevallen razend belangrijk stuk heb geschreven

Iedereen die me dat liet weten: bedankt.