Mosselelasticiteit

Foto: mossel op het pad.

Ze hebben de grote vijver leeggepompt. Voor het eerst in decennia kwam het slijk aan de oppervlakte en deze winter lieten de tientallen aalscholvers het provinciaal domein links liggen, want als er niets te duiken valt, duiken ze wel ergens anders. 

Alles veranderde. De meerkoeten vertrokken naar de kleine visvijver, de eenden zochten ruzie in de watertjes achter het zwembad, en in de grote vijver – bij ons thuis ook wel het meer genoemd – zagen we ineens dagenlang vijf witte zilverreigers balanceren op één been, want die houden wél van enkeldiep water.

Ook de kraaien veranderden. In plaats van kleine vogeltjes op te jutten en hun forsbollen te tonen aan volwassen eksters zagen we ineens een heel andere dagbesteding: mosselen eten. En dat is nog geen sinecure als kraai, want de flinke snavel waarmee ze eikeltjes in de grond verstoppen of jonge meesjes uit hun nest plukken, blijkt niet handig genoeg voor het open bikken van een vasthoudende mossel.

Minutenlang hebben we de afgelopen maand mogen aanschouwen hoe ze de verharde paden gebruikten als breekijzer. Hoe ze eerst de mosselen uit de modder opdiepten, of er een afpakten van een zwakke meeuw, hoe ze er vervolgens mee naar een verhard pad vlogen, hoe ze de schelp krachtig neerkwakten, hoe ze erbij landden en checkten of de mossel zich al gewonnen had gegeven en hoe ze als dat niet zo was de mossel weer in hun snavel namen, een stukje omhoog vlogen en de schelp weer zo hard mogelijk tegen de grond ketsten.

Als de mossel na een keer of tien eindelijk scheurtjes vertoonde, begon het leukste gedeelte: het getrek aan het elastiekerige vlees. Pootje erop, mosselvlees tussen de snavel en dan – poing – poing – poing – steeds opnieuw de nek zo ver mogelijk naar achteren. De kleine mosselen gaven zich over, dan zag je het vlees – pok – in het oog van de kraai schieten, maar de elasticiteit van een wat grotere mossel is immens en de nek van een kraai niet zo heel lang en draaibaar, dus de grote mosselen bleken tergend.

Dat getrek zorgde voor onrust in de pikorde. Soms had een kraai al eindeloos veel werk in de mossel gestoken en dan kwam er een belangrijkere kraai voorbij die zijn pootje nonchalant op de schelp zette en dan was het voor niets geweest. En soms profiteerden de eksters van de onrust onder de mosselminnende kraaien.

Wekenlang lagen de paden bezaaid met schelpengruis, wekenlang stonden we dagelijks roerloos te kijken naar de verovering van de standvastige zoetwatermosselen, maar inmiddels loopt de vijver weer vol en zijn de schelpen bijna op. De eekhoorns zullen binnenkort weer op pad gaan, de mezen zullen nestelen en de kraaien zullen vergeten hoe een mossel smaakte. Vanochtend trof ik een easy mossel op het pad, eentje die keurig open was geschoten, mogelijk al bij de eerste poging. Misschien was het de laatste, want ik zag alweer een aalscholver.

Foto: de grote vijver vanochtend.

Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig dagen stukjes in het wild, dit is dag 2.

Donor in het diepst van mijn gedachten

Foto: 1990

Was ik veertien? Zestien? Achttien? Ik weet het niet meer, maar ik weet nog wel dat ik een raar gevoel in mijn buik kreeg toen ik mijn donorcodocil met de post ontving. Voor het eerst stond het zwart op wit: ik ging dood.
Ik wist wel dat ik doodging, ik was namelijk al duizend keer doodgegaan. Dat is wat hypochonders doen: doodgaan, oefenen voor het fatale moment. Maar door dat berichtje van de overheid met afspraken voor de dag die me de das om zou doen, haperde mijn tienerhart toch een ogenblik.
Ik had het codicil zelf aangevraagd, want ik was een donor in het diepst van mijn gedachten. Ik moest zelfs wachten voor ik officieel geregistreerd mocht worden en naar mijn oordeel was het meer dan eens kantje boord. De dag dat de envelop binnenkwam, was ik daarom ondanks het rare gevoel in mijn buik ook opgelucht: nu zou dat gesterf van mij tenminste nog ergens toe dienen.
In het begin vond ik het raar om het contract over mijn overlijden altijd bij me te hebben, maar algauw zat het me als gegoten en na verloop van tijd begon ik zelfs een zekere verantwoordelijkheid te voelen naar de volgende eigenaar van mijn binnenkant. Aan mezelf als ontvanger van andermans organen dacht ik eigenlijk nooit. Organen ontvangen leek me voorbehouden aan mensen die niet steeds stierven.
Hoewel ik mijn tas en portemonnee zo nu en dan verloor door criminaliteit en slordigheid, ontsprong het donorcodicil altijd de dans. Het geplastificeerde kaartje in paars en geel begon om te krullen, raakte zijn glans kwijt, en in de digitale wereld ook zijn betekenis, maar ik bleef het al die jaren bij me dragen. Als een herinnering aan een oude vriend, iemand met wie ik zoiets intiems als de dood had gedeeld. Twee jaar geleden, bij de vakantieberoving, raakte ik het pasje definitief kwijt. Het had een kwarteeuw bevestigd wat ik altijd al dacht, namelijk dat ik dood zou gaan. En het had me de talloze keren dat ik het hoekje omging het gevoel gegeven dat het allemaal niet voor niks was. Nu stond ik er weer voorgoed alleen voor.

Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake besloot ik nog eens op de golf mee te varen. Veertig dagen stukjes in het wild, dit is dag 1.
• De aanleiding voor dit stukje. Eerste Kamer stemt in met donorwet: in 2020 is elke Nederlander orgaandonor, tenzij bezwaar wordt aangetekend
• De directe aanleiding kwam van Esther.

De Blije Bukster wordt vandaag 13 jaar

Twaalf jaar geleden plaatste ik dit verhaal voor het eerst. Sindsdien plaats ik elke 14 februari het verhaal van De Blije Bukster: een ode aan de dag dat ik mijn stoute schoenen aantrok, waarna ik mijn stoute veters en de perfecte man strikte. Wannes heette in 2005 op internet Yuri Maanzand

Vandaag twaalf jaar geleden was ik in staat van ex. En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri. Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij dezen: dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken; verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gíng ook nog even. Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, dertien jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

Hoe Facebook ons vinkje wel krijgt

‘Het programma is gestopt. Wil je een foutenrapport versturen om ons te helpen het programma te verbeteren?’ De eerste keer dat ik die ­melding op mijn scherm kreeg, moet een jaar of twintig geleden geweest zijn. Ik vroeg me ongetwijfeld af wat de vraag te betekenen had. Moest ik op ‘verzenden’ klikken? Of juist niet? Wat was een fouten­rapport? Een registratie van wat ik had gedaan? En wat hád ik eigenlijk gedaan? Was het intiem? Mochten ze het weten? Trouwens, hoe gingen ze dat dan ‘ver­sturen’? Op mijn thuiscomputer had ik nog geen internet, dus ik stelde me voor dat er ergens in het moederbord een chip wachtte tot het internet voor particulieren betaalbaar werd, om zodra ik eindelijk zou inbellen, een scheepslading computerkliks door te spelen aan iemand die daar god-weet-wat mee zou doen. Tege­lijkertijd klonk het wel goed, die verbetering. Niets plezieriger dan dat het programma niet meer zou crashen, toch? Dus volgde ik een zwalkstrategie: soms koos ik voor ‘verzenden’, soms voor ‘bekijk het maar met je gespioneer’.

Toen ik in het jaar 2000 thuis internet kreeg, klikte ik steeds vaker op ‘niet verzenden’. De spionagechip en de hotline zaten me niet ­lekker en mede dankzij een artikelenserie waarin ik zelf de logfiles van openbare computers in het hoger onderwijs analyseerde, leerde ik rond de millenniumwisseling hoe zinnig het kon zijn om caches te legen en geniepige logfiles te herkennen.

Maar er was geen houden aan, in 2003 begon ik een weblog en zag ik met eigen ogen hoe bezoekers van mijn site die zich slechts één keer bekend hadden gemaakt, jarenlang identificeerbaar bleven. Daardoor besefte ik ten volle dat iedereen in de gaten gehouden wordt, ook ik. Niet alleen door die archiefchip op mijn computer, maar ook door bevriende webloggers, door de extremisten over wie ik als journalist schreef, en mogelijk door elke computer waarmee ik direct of indirect contact legde.

Facebook liet deze week weten voortaan transparanter te willen zijn over wie welke informatie van ons krijgt. Het bedrijf doet dat niet uit goedertierenheid, maar omdat de Europese Unie paal en perk wil stellen aan de verspreiding van persoonsgegevens met een regeling die in mei van kracht wordt. Die regeling zal Facebook dwingen onze toestemming te vragen voor wat het achter onze rug bekokstooft. Dus anticipeerde het bedrijf op die wetgeving met het privacy-equivalent van een ‘greenwashing’-campagne: gewoon doen alsof je de beste leerling van de klas bent. Dat is een methode die populair is onder oliemaatschappijen, die met ­foto’s van sappige landschappen hun onschuld willen voorwenden. Facebook veegt zijn straatje schoon door breed uit te meten dat het niets liever wil dan ons de controle over onze persoonsgegevens teruggeven.

Maar het is schijnprivacy, gelegitimeerd door de EU. Want hoewel de Unie al jaren aanstuurt op uitdrukkelijke toestemming, blijkt het helemaal niet zo moeilijk om de massa toestemming te laten geven voor allerlei digitaal gesnuffel. Denk aan de Facebook-testjes van het kaliber ‘Welk Harry Potter-personage ben ik?’ Omdat die je ‘persoonlijkheid’ zouden moeten analyseren, geven de mensen die eraan deelnemen zonder aarzelen toegang tot hun Facebookaccount, ook als dat betekent dat God en klein Pierke in­zage krijgen in zaken die niets met het testje te maken hebben.

Zo zijn er meer voorbeelden van apps en software die ongemerkt je persoonlijke levenssfeer binnendringen. Hoewel nooit is vast komen te staan dat de onbenullige testjes op Facebook directe invloed hadden op bijvoorbeeld de verkiezing van Donald Trump, lijkt het er wel op dat de big data die ermee verzameld worden, beter dan onze naasten kunnen voorspellen waar we op welk moment gevoelig voor zijn. Die sluwe methodes om toestemming te krijgen voor onzichtbaar rondneuzen, zijn dus interessant voor iedereen die ons zou willen manipuleren.

Notoire winstmakers en gewetenloze stemmentrekkers zullen investeren in gewiekste software met manipulatieve vormgeving en doordachte formuleringen die ons beloven dat alles beter werkt als we even dat vinkje zetten. Ze zullen hopen dat we denken: ja ja, het is al goed, en ze zullen gelijk krijgen.

Twintig jaar geleden meende ik nog dat mijn programma niet meer zou crashen als ik maar netjes meewerkte. Inmiddels weet ik beter, maar nog steeds jok ik, mede dankzij EU-wetgeving, dat ik de voorwaarden heb gelezen voor ik akkoord ging, en ik zet dagelijks gedachteloos de deur open voor cookies die ik eigenlijk helemaal niet wil. Helaas zullen we ook met de nieuwe Europese regels de hinderlijke pop-ups die we maar half begrijpen mechanisch blijven wegklikken, waarmee we de inhaligen en manipulators nog steeds een warm welkom zullen geven.

Deze column verscheen op woensdag 31 januari 2018 in De Standaard.

Hulplijnen bij de tafel van 28

Maartje Luif ergert zich aan de kritiek op cyclus-apps. We mogen ze inderdaad niet blind vertrouwen, maar ze helpen vrouwen wel om meer grip te krijgen op hun cyclus.

In Zweden zouden 37 vrouwen zwanger zijn geworden ondanks het gebruik van de app Natural Cycles. Die had moeten voorkomen dat ze zwanger werden (DS 22 januari). Er werd in de ‘Desalniettemin’ meesmuilend over gedaan: dachten vrouwen echt dat een app hun vruchtbaarheid zo nauwgezet kon voorspellen? Moesten big data voortaan onze leidraad worden bij het van bil gaan? Ook Ignaas Devisch zette in zijn column vraagtekens bij mobiele gezondheidstechnieken (DS 23 januari). Het blinde vertrouwen van mensen in mobile health moet met argwaan worden bekeken en de overbevolking zou met dit nieuwe snufje zeker niet worden bestreden.

De vraagtekens over de kritiek­loze manier waarop een deel van de mensen gezondheidstechnologie gebruikt, zijn uiteraard terecht. Maar de aanleiding voor die kanttekeningen, een app die een vrouw helpt om inzicht te krijgen in haar cyclus, verried een enigszins mannelijke blik. Juist in een tijd waarin wetenschappers steeds vaker erkennen dat de kennis van en het onderzoek naar vrouwenlijven achterblijft, en waarin je gezondheid, carrièrekansen en armoede niet los kunt zien van vruchtbaarheid, is het emancipa­toire effect van een cyclus-app enorm. Op school leer je de tafel van 1 tot en met 20, maar je leert geen tabellen die je vertellen op welke datum je maandstonden vallen als je cyclus 26 dagen duurt en de maand 30 dan wel 31 dagen telt. Een app die je helpt om je leven en je agenda te schikken naar de mate waarin je pijn hebt, bloed verliest, of vermoeid of vruchtbaar bent, is een groot voordeel.

Meer kennis nodig

Natuurlijk zou het beter zijn als vrouwen ook zonder app meer grip zouden hebben op hun cyclus. Als ze meer kennis zouden bezitten over de doeltreffendheid van de verschillende anticonceptiemethoden, als ze zich netjes verdiepen in het cijfer­matige deel van hun lichaam, als ze keurig hadden opgelet toen de biologiedocent het gemiddeld aantal dagen tussen menstruatie, eisprong en de daaropvolgende vruchtbaarheid voor ze uittelde. Maar meer kennis mag dan wenselijker zijn, een beetje hulp bij inzicht in hun cyclus is voor veel vrouwen een zegen.

Om mezelf als voorbeeld te nemen: mijn app, Clue, had eerder dan ik in de gaten dat mijn cyclus tegenwoordig 15 dagen duurt. Niet zo lang geleden zou ik me veel langer hebben laten verrassen door die omloopsnelheid, ik zou hebben getwijfeld of ik het wel goed had onthouden, en ik zou het duizend keer op mijn vingers hebben nageteld. Nu had ik een app die op basis van mijn recente verleden vrij snel aangaf: fasten your seatbelt, je cyclus vertoont een belachelijk, maar niettemin onwrikbaar patroon.

Lichamelijke kennis bij vrouwen is veelal gericht op schoonheid en ziekte. Veel vrouwen weten op welke temperatuur een krultang moet staan om hun haar niet te verbranden, maar ze weten niet welke temperatuur hun lichaam heeft tijdens de eisprong, of ze weten dat ze hun borsten moeten checken op knobbels, maar niet wat hun cyclus ze vertelt over hun welbevinden. Vrouwen weten bijzonder weinig over hun lichaam, terwijl er zoveel te weten valt.

Kalenderseks

Apps als Natural Cycles (maar er zijn er meer) worden nu geframed als apps voor vrouwen die ze niet helemaal op een rijtje hebben en daarom zwanger raken. Maar niemand heeft het over de hoeveelheid vrouwen die níét zwanger werden door het gebruik van apps als deze. Vrouwen die misschien wel weten dat periodieke onthouding niet de beste anticonceptie is, maar die zich om allerlei ­redenen toch anders gedragen als ze bij benadering weten wanneer ze vruchtbaar zijn. Vrouwen die daadwerkelijk niet beseffen dat kalenderseks een beroerde vorm van zwangerschapspreventie is, maar het geluk hadden dat het bij hen werkte. Vrouwen die niet zo goed zijn in cijfers, of in biologie, die de tafel van 28 niet in hun hoofd hebben, en die niet weten in welke volgorde menstruatie, eisprong en vruchtbaarheid zich voordoen. Vrouwen bij wie andere anticonceptie zoveel problemen oplevert dat periodieke onthouding alsnog de beste vorm van bescherming is. En dan hebben we het nog niet gehad over de vrouwen die wél zwanger willen worden en hun kans aanzienlijk vergroten met een nauwkeurig rekenmachientje.

Hormoonschommelingen komen met gevolgen. Dan heb ik het niet over de karikatuur van de vrouw met premenstrueel syndroom die humeurig is, maar over het hele spectrum. Lichamelijke, mentale en praktische gevolgen, de kleding die je draagt, de afspraken die je maakt, de wijze waarop je je lichaam ervaart en de manier waarop je jezelf verzorgt. Die gevolgen zouden tot een minimum beperkt kunnen worden als meer vrouwen begrijpen hoe hun cyclus in elkaar zit. In plaats van ginnegappend te schrijven over vrouwen die zwanger worden omdat ze hun lot in handen van een app hebben gelegd, zouden we ons moeten afvragen waarom er niet al lang meer en betere (digitale) instrumenten zijn die vrouwen helpen de gevolgen van hun cyclus te hanteren.

Dit opiniestuk verscheen op woensdag 24 januari in De Standaard. 

Klagen, dat doen wij hier niet

Zes jaar geleden werd ik horendol van mijn buurhonden die dag in dag uit alleen in de tuin zaten en blaften naar elk teken van leven dat zich aandiende: de wind, een vogel, een spin, een stem, een bel. Het lukte me niet meer me op mijn werk te concentreren en na een paar weken was ik compleet mesjokke. Met de buurman praten, bleek vruchteloos en na ampele overwegingen besloot ik de buren aan de andere kant te betrekken: samen sta je immers sterker. De buurvrouw in kwestie wist direct waarvoor ik kwam. ‘De honden! Het is vreselijk!’ Maar wie schetste mijn verbazing toen ze weigerde om samen met mij het gesprek met onze wederzijdse buurman aan te gaan, want ‘klagen, dat doen wij hier niet’.

Ik stond perplex. Natuurlijk kan ik allerlei redenen bedenken waarom je niet zou klagen: repercussies, een kosten-batenanalyse, verlegenheid, een goed humeur, maar niet klagen ‘omdat wij hier niet klagen’, daar kon ik me weinig bij voorstellen. Om een lang verhaal kort te maken: niemand in de straat wilde een front vormen, mijn man en ik stonden er alleen voor, de hondeneigenaar richtte zijn pijlen op ons en uiteindelijk blaften de honden én de buurman ons naar een ander huis.

In de jaren die volgden, ontdekte ik dat de buurvrouw met die ene zin – ‘klagen, dat doen wij hier niet’ – de volksaard van zowel de Leuvenaars als een deel van de Vlamingen nogal adequaat had samengevat. ­Wanneer ik de afgelopen jaren zo nu en dan ten diepste getart mijn vuist hief, werd er in de coulissen hevig geknikt, maar als het er echt op aankwam, moest ik het zonder back-up stellen. Niet klagen bleek een grotere deugd dan ik voor mogelijk hield.

Als geboren en getogen Amsterdammer is het wennen om niet te zaniken, want in mijn moedertaal is ‘lekker zeiken’ geenszins een tegenstelling. We kankeren wat af, daar boven de bitterballen. In het begin vond ik het dus wel verfrissend, zo’n omgeving waarin men zijn grieven voor zich houdt, een stad waarin je niet bij elke ontmoeting in het verkeer een scheldwoord naar je hoofd geslingerd krijgt, een wereld waarin iedereen een beetje zit te redderen op zijn eigen stukje grond. Mijn indruk was: er wordt hier wel gezeverd, maar alleen in zeer beperkte kring.

Die ontspanning van geen kankerhoer genoemd te worden, hield aan tot ik steeds beter in de gaten kreeg wie er vermorzeld wordt tussen de spaken van ‘ieder voor zich en God voor ons allen’: zij die zich niet ­weten terug te plooien op hun eigen stukje grond, omdat ze letterlijk of figuurlijk geen vaste grond onder de voeten hebben. Zij die weggeblaft worden door al wat het leven zoal aan spreekwoordelijke bloedhonden te bieden heeft. De overlevers die alle reden tot klagen hebben, maar er niet meer aan toekomen, omdat ze in de eerste plaats in de overlevingsstand staan, of zij die niemand hebben tegen wie ze kunnen klagen. De mensen zonder stem, zonder draagkracht, zonder gezondheid.

Als rechtgeaarde Amsterdammer ontschoot mij dus een welgemeend ‘Wat een gotspe!’ toen ik las over de bevoorrechte vrouwen die, gesteund door Jo Vandeurzen (CD&V), minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, de campagne 30 dagen zonder klagen lanceerden (DS 10 januari). ‘We beseffen te weinig hoe goed we het hier hebben’, zeggen de dames, waarmee ze naadloos aansluiten bij de tijdgeest waarin de bevoorrechten het slachtofferschap besmet hebben verklaard en zelfredzaamheid de oplossing zou moeten zijn voor zelfs de meest structurele problemen. De wereld was nog nooit zo rijk, gelukkig, gezond en egalitair, dus wat zeuren jullie nu eigenlijk?

Toevallig werd gisteren ook de campagne ‘Leef zonder filter’ onder de aandacht gebracht (DS 16 januari), waarin jongeren worden gestimuleerd minder naar perfectie te streven door bijvoorbeeld vaker te praten over dingen die niet zo goed gaan. Ook daaraan verleende Vandeurzen openlijk zijn steun, zich kennelijk niet bewust van de vrijblijvendheid die hij op zich laadt door eerst steun te betuigen aan het kamp dat de klagers als contraproductief bestempelt, om vervolgens op te roepen tot een grotere openheid over wat ons dwarszit.

Hij had beter zijn steun kunnen betuigen aan de campagne van de SP.A die ook gisteren werd aangezwengeld: Stop de schuldindustrie. Want het zogenaamde verzwegen argument dat aan al die campagnes met individuele aansporingen ten grondslag ligt, is dat iedereen in zijn eentje verantwoordelijk is voor de oplossing van zijn problemen, terwijl ons geestelijk welzijn dagelijks op de proef wordt gesteld door een systeem dat ons allemaal hard blaffend de mond snoert.

Deze column verscheen op woensdag 17 januari 2018 in De Standaard.

De beste wensen

Vorig jaar maakten we de kikkers in al onze ijverigheid dood, deze winter laten we alles op zijn beloop. We zijn niet gaan kijken, hebben het ijs geen strobreed in de weg gelegd en pas als de kikkers uit hun winterslaap ontwaken, zullen we weten hoeveel witte buiken er op de bodem van de mortelbak blijven liggen.

Dit jaar begon ik aan een cursus Natuurgids.
‘Waarom wil je zoiets wreeds als de natuur bestuderen’, vroeg mijn beste vriend.
Wannes zegt dan: ‘Maar het is toch ook mooi, dat natuur?’
Ik twijfel nog. Hoe meer kennis je hebt, hoe beter je weet dat er weinig moois aan is. Tien eitjes van een pimpelmees in je nestkast is al een stuk minder leuk als je bedenkt dat – als de eitjes al uitkomen – slechts 10 procent het eerste jaar overleeft.

In mei mochten we dat aan den lijve ondervinden toen we dachten dat het leuk was om getuige te zijn van het uitvliegen van de pimpelmeesjes op ons terras. (tip: kijk tot het einde)

Overigens bleek er ook een naar binnen te zijn gevlogen (daar kwamen we na het filmpje achter). Toen ik een hoop gefladder in de keuken hoorde, deed ik de deur open om te gaan kijken. Net op het moment dat ik de deur opende, hield aan de andere kant een paniekerige minimees zich tussen de deur en de deurpost op. Dat overleefde het arme beest wel (zie foto) maar veel sterker zal hij er niet door zijn geworden.

Ze zijn niet te vermijden, de witte buiken en bijna-dodelijke deurposten. En ook in 2018 zullen er eksterbaby’s door hun moeder gevoed moeten worden. Such is life.

Ik wens iedereen in 2018 een goede vlucht en smakelijk eten.

Vorig jaar maakte ik ook een dierenfilmpje om de jaarwisseling luister bij te zetten.