• Columns,  Over natuur

    De teloor­gang van de keu­zestress

    Op de weten­schaps­pa­gi­na van De Standaard stond gisteren een antwoord op de vraag waarom er dit jaar na een lange rit naar het zuiden zo weinig dode insecten op de autoruit zaten. Ik hoefde het antwoord niet te lezen, want ik wist het al, en als u een beetje heeft opgelet de afgelopen jaren, dan weet u het ook. ‘Komt het door het asfalt?’ vroeg de vra­gen­stel­ler. ‘Of door pesticide in de berm?’ Nee, was het antwoord van de navorser, het is veel banaler. Er zíjn gewoon minder insecten, niet alleen op de auto­stra­de, maar overal. Hoewel er weinig onderzoek is gedaan, lijkt het erop dat in sommige delen van Europa het aantal insecten met de helft tot wel driekwart is afgenomen. Ik dacht aan juni jongst­le­den, toen ik bij een tank­sta­ti­on in de Bourgogne met mijn kopje koffie op de stoeprand was gaan zitten. Ik ver­wacht­te het beeld dat ik al jaren kende: naast me op de stoeprand zouden de plaat­se­lij­ke mussen hun posities innemen, met goed zicht op de autor­oos­ters vlak boven de voor­bum­per. Ze zouden zij­de­lings heen en weer trippelen, zoals ik ook doe als ik in keu­zestress voor een buffet sta. Na wat dubben, zouden ze…

  • Columns

    Rottige roadmovie

    Er is een beruchte film die velen van ons al meer dan eens gezien hebben. Namelijk, de film die je ziet als je auto tijdens het rijden een raar geluid maakt. Je hoort geschraap of je ziet het wijzertje van de snel­heids­me­ter langzaam zakken en je schrikt je te pletter. Je zoekt een veilig heenkomen en nog voor je de handrem hebt aan­ge­trok­ken, is er een film begonnen waarin de dag volkomen in de soep loopt. Gisteren zag ik die film weer eens. We reden op een rondpunt net over de grens met Nederland, mijn man zat achter het stuur, ik was co‐piloot. Ineens steeg er een luid geraas op uit de auto. De film begint gelukkig nooit voordat je je veilig waant, maar de weg was rustig, we waanden ons veilig, dus de film begon direct. Ik zag op groot scherm hoe we uren bezig zouden zijn om met zondagse bus‐ en trein­tij­den van een dorp in Nederland naar Leuven te komen, ik zag hoe ik mijn knieën tegen elkaar drukte omdat ik naar de wc moest en hoe ik mijn werk nooit zou afkrijgen als ik niet snel thuis zou zijn. Onderin het scherm tikte een teller het…

  • Columns

    Waarom zou je een klootzak willen zijn?

    Het gaat slecht met de politieke cor­rect­heid. Was het een mens, dan zat het fenomeen dezer dagen opge­slo­ten in de donkere kerker van de Hard­voch­ti­gen, met schimmel op de muren en een zak over het hoofd. Terwijl het toch vooral een kwestie is van geen klootzak te zijn tegen mensen die toch al moeite hebben om een vol­waar­di­ge plaats in de maat­schap­pij te verwerven. Of zoals het in Van Dale wordt beschre­ven: ‘Politiek correct wordt gezegd over (taal)uitingen die in over­een­stem­ming zijn met het politieke streven om his­to­risch ach­ter­ge­stel­de groepen (vrouwen, homo’s, min­der­he­den) te eman­ci­pe­ren.’ De Hard­voch­ti­gen zullen de Van Dale beschul­di­gen van politieke cor­rect­heid. Want dat is het aardige van het in dis­kre­diet brengen van politieke cor­rect­heid: je hebt verder geen argu­men­ten meer nodig. Je kunt elke reden om rekening te houden met ach­ter­ge­stel­de groepen, afdoen met hetzelfde argument: ja maar dat is politiek correct. Weten­schap­pers die aantonen dat het zinvol is om rekening te houden met ach­ter­ge­stel­den? Dat zijn politiek correcte weten­schap­pers. Des­kun­di­gen die beweren dat even­wich­ti­ge beeld­vor­ming essen­ti­eel is voor een veilige samen­le­ving? Politiek correcte des­kun­di­gen. Politici die denken dat het goed is om his­to­ri­sche ach­ter­ge­stel­de groepen niet verder in de ver­druk­king te brengen door uit­slui­tings­taal? Politiek…

  • Columns

    Reservaat voor de echte man

    Han­de­laars die een bordje met het opschrift ‘no women’ aan de deur grappig vinden, zijn blind voor de strijd die veel vrouwen dagelijks voeren om gelijk behandeld te worden, schrijft Maartje Luif. ‘Veel vrouwen van onze klanten vinden ons principe juist grappig. En wij blijven daar­ach­ter staan: in onze zaak moet een man zich écht man kunnen voelen, zonder de aan­we­zig­heid van een vrouw.’ Dat zei een kapper in Ternat, nadat hij een klacht had ontvangen wegens dis­cri­mi­na­tie van een vrouw die wilde wachten terwijl haar zoon werd geknipt, maar weg werd gestuurd omdat ze een vrouw was (DS 8 juli). In zijn reactie zitten drie mis­vat­tin­gen verborgen. 1. Als vrouwen het zelf leuk vinden, kan het toch geen dis­cri­mi­na­tie zijn? Daarmee gaat de barbier voorbij aan de culturele variant van het stock­holm­syn­droom waar vrouwen aan lijden. Onze blik is al eeu­wen­lang gegijzeld door mannen. Hoe we de wereld bekijken, wat we belang­rijk vinden, hoe we onszelf zien en waar we al dan niet om moeten lachen: het is allemaal geworteld in een maat­schap­pij waarin het van oudsher van weinig belang was hoe vrouwen naar de zaken keken. Er zijn tijden geweest dat vrouwen het logisch vonden dat ze geen…

  • Columns

    Check je privilege

    Je zag ze de afgelopen weken weer veel passeren, de ‘je mag ook niets meer zeggen’-adepten. Bij gelijk­heids­kwes­ties zijn ze er als de kippen bij om het debat te herleiden tot ‘je mag ook niets meer zeggen’ en ‘willen die politiek correcte zuur­prui­men nu ook al onze toogpraat/whatsappgesprekken/locker‐room‐talk cen­su­re­ren?’ Hoewel er niemand is die zegt dat je niets meer mag zeggen, is het steevast de stok om mee te slaan: mag ik dan helemaal geen grapjes meer over vrouwen maken? Mag ik dan nooit meer het n‐woord zeggen? Mag ik me dan nergens meer mee bemoeien, omdat ik een voor­keurs­po­si­tie heb? Als witte? Als man? Als christen? Het doet me denken aan het antwoord dat papa en mama Luif gaven toen ik vroeg over welke nati­o­na­li­tei­ten je wel grapjes mocht maken en welke niet. Wat mijn ouders mij toen op het hart drukten, zou je in modern anti­di­cri­mi­na­tie­jar­gon kunnen for­mu­le­ren als: check je privilege. In kin­der­jar­gon kwam het erop neer: kies iemand van de eigen leeftijd, ga nooit door als de ander het niet leuk vindt, en als je twijfelt over de ver­hou­din­gen, dan laat je de mopjes over kinderen met rood haar over aan de kinderen met rood haar,…

  • Columns

    U heeft altijd gelijk

    Het maakt niets uit wat ik hier ga schrijven, u heeft namelijk al een mening. U gelooft wat u gelooft, daar kan geen lieve moeder iets aan ver­an­de­ren. Dat kunt u verder niet helpen, we lijden er allemaal aan. Er zijn weinig fenomenen in de psy­cho­lo­gie zo onbetwist als de con­fir­ma­ti­on bias: de onbewuste hang naar het Grote Gelijk. Het schijnt zelfs zo te zijn dat we – ongeacht de feiten – alleen dát willen geloven wat onze positie in de groep niet schaadt, ver­moe­de­lijk omdat we er evo­lu­ti­o­nair geen belang bij hadden om door zoiets onzinnigs als ‘de feiten’ verstoten te worden. Door de bedrading van ons brein zien we de bewijzen een­vou­dig­weg niet als we daarmee onze plaats in de groep riskeren. Het is trouwens nog erger, want u denkt al sinds het begin van deze column te weten wat ik wil zeggen. Het maakt dus niets uit of ik hier zinnige dingen schrijf, de kans dat u na de titel en – vooruit – de eerste zin nog erg veel meekreeg is gering. U vindt dus niet alleen wat u toch al vond, u beperkt zich ook nog eens tot de eerste indruk én u vindt vooral dezelfde…

  • Columns

    De parade van vieze mannen

    We waren nog lang geen jonge vrouwen, we waren meisjes zonder borstjes die wekelijks een ver­ga­de­ring belegden onder het klimrek. Daar bespraken we wie zich onze beste vriendin mocht noemen, we beklaag­den ons over de stink­bom­me­tjes die ons ten deel vielen en we vertelden over de vieze mannen die ons pad kruisten. De ver­za­mel­naam ‘vieze mannen’ volstond binnen onze actieve woor­den­schat van ver­ve­len­de buur­vrou­wen, strenge leraars en zeurende moeders. Vieze mannen hoorden bij het leven, net als fietsen in de regen of ruzie met je zus. Zo was er de coach van de turnclub die bij de handstand je bovenbeen altijd zó dicht bij je liezen vastpakte dat je de warmte van zijn vingers tegen je schaam­lip­pen voelde, er was de man die langs de route van bus 8 woonde en zich geregeld voor het raam stond af te trekken, er was de grote broer van een klas­ge­noot die luidop verslag deed van ont­lui­ken­de tietjes op de speel­plaats en er was de neef van een vrien­din­ne­tje die alle meisjes die hij tegenkwam in het kruis greep. De parade van vieze mannen was schier eindeloos, maar het woord machts­ver­hou­ding konden we slechts met grote inspan­ning foutloos spellen. In het mid­del­baar waren…

  • Stukjes in het wild

    We zullen kramp­ach­tig doen

    De foto hierboven is de laatste foto van onze vorige vakantie voor die onbe­staan­de werd. Over niet al te lange tijd gaan we het weer proberen. Ver­moe­de­lijk zal het zo gaan: we rijden weg, we raken in paniek, we dreunen op waar we allemaal geld hebben verstopt, wat we met onze papieren hebben gedaan en dat het allemaal heus wel in orde komt, ver­vol­gens zullen we bij de eerste rotonde (1 km verderop) in huilen uit­bar­sten, waarna onze vakantie eindelijk kan beginnen. Tot april duurde het, de mentale nasleep van de adre­na­li­ne­bom na de beroving van een jaar geleden. Tot april wisten we ons vaak geen raad met onszelf, elf maanden lang sliepen we weinig, kort, rommelig, licht. We voelden, stress, leegte en volte, en nog steeds zijn er tekenen van over­dre­ven alertheid, van irra­ti­o­ne­le angsten en van gedeelde vrees voor het alle­daag­se. Maar het woord ‘gedeeld’ maakt veel goed, we staan er redelijk hetzelfde in, we hebben gro­ten­deels last van dezelfde symptomen en we zijn ook allebei bereid om te rela­ti­ve­ren als onze gemoeds­toe­stand dat toelaat. We gaan drie weken op vakantie. Inbrekers hoeven zich geen illusies te maken want we hebben een poe­zen­op­pas. Wijzelf maken ons ook geen illusies: het…

  • Columns

    Als ik minister Homans was

    Soms stel ik me voor dat ik minister Homans ben. Dat ik in de front­li­nie vecht voor een partij die de reto­ri­sche pijngrens voort­du­rend tart, terwijl ik intussen minister van Gelijke Kansen moet zijn. En hoewel ik een lenig lijf heb, is de spagaat die ik moet aannemen wanneer ik me inbeeld dat ik minister Homans ben er een waarvan mijn spreek­woor­de­lij­ke liezen scheuren. Want hoe combineer je dat? Het boegbeeld zijn van de Partij van Angst en Beven en tege­lij­ker­tijd strijden voor gelijk­heid? Wat doe je als je partij van je verwacht dat je meedraait in de cyclus van Moederdag‐ en kerst­stal­het­zes, terwijl jij juist mede­ver­ant­woor­de­lijk bent voor het wegnemen van voor­oor­de­len en de gevolgen daarvan? Als ik minister Homans was, zou ik er niet van slapen. De pijn in mijn liezen en de hypo­cri­sie zouden me wakker houden, mijn hoofd zou tollen van de tegen­strij­dig­he­den. Mijn partij koppelt migratie om de haverklap aan onwet­te­lijk­heid en een gebrek aan aan­pas­sing, wel­wil­lend­heid en respect, terwijl ik als opper­be­vel­heb­ber van het anti­dis­cri­mi­na­tie­le­gi­oen campagnes tegen voor­oor­de­len lanceer. Wat zullen de mensen wel van me denken? Zouden ze me nog geloven? Zouden de gedis­cri­mi­neer­den zich nog serieus genomen voelen? Al draaiend in bed…

  • Columns

    Even geen supe­ri­o­ri­teits­ge­voel

    Eind april beginnen over de supe­ri­o­ri­teit van ‘onze’ cultuur: in Nederland zouden ze het niet durven. Niet omdat er in Nederland geen politici wonen die kampen met een mis­plaatst supe­ri­o­ri­teits­ge­voel, inte­gen­deel, maar omdat het eind april al bijna begin mei is en meidagen in Nederland bestaan uit grote woorden. Opdat we niet vergeten. Iedereen is gelijk. Dit mag nooit meer gebeuren. Vrijheid geef je door. Op 4 mei worden de Neder­land­se oor­logs­slacht­of­fers herdacht die sinds de Tweede Wereld­oor­log zijn gevallen en vandaag, op Bevrij­dings­dag, vieren we dat de Duitse bezetter in 1945 capi­tu­leer­de. Dat klinkt als een evenement met veel geblaat en weinig wol, van kransen leggen en, hup, weer door, maar dat is niet het geval. Na de polonaise op Konings­dag schminkt iedereen zich af, de oranje pruiken gaan de kast in en de onbe­van­gen hysterie maakt plaats voor ruim een week con­tem­ple­ren over oorlog, vrijheid en de con­se­quen­ties van die twee. De media staan dagenlang bol van de inter­views, repor­ta­ges en ach­ter­gron­den over de Tweede Wereld­oor­log, de Holocaust en de dunne grens tussen goed en kwaad. En dan niet op de National Geographic‐manier – ‘Hebben we nog een filmpje van een bom­men­wer­per?’ – maar diep­gaan­der, met gesprek­ken over…

  • Columns

    Het taboe op donker haar

    Stelt u zich voor: een licha­me­lijk ongemak dat uren van je tijd kost, dat honderden euro’s per jaar in rook doet opgaan, dat met enige regelmaat pijn, jeuk, bloed of uitslag ver­oor­zaakt en dat je soms aan huis gekluis­terd houdt. Ocharme, denkt u: het dutske heeft een ernstige ziekte. Maar neen, het is het verhaal van de meeste vrouwen met donker haar en een hoog aantal haar­zak­jes per vierkante cen­ti­me­ter, het is het verhaal van de vrouw die ophield met scheren en daarmee de krant haalde (Blogster scheert zich al een jaar niet meer, DS online 16 april) en het is mijn verhaal. Wat begon met een kleuter die door de klas riep dat ik een baardaap was, is bijna veertig jaar later uit­ge­draaid op een situatie waarin ik me koorts­ach­tig afvraag wat ik mezelf aandoe. Ik weet wel wat ik mezelf aandoe als ik géén inspan­ning lever. Dan roepen de mensen jon­gens­na­men naar me. Ze staren, fronsen, walgen en ze stoten elkaar aan. ‘Haha, heb je die gezien!’ ‘Papa, waarom heeft die mevrouw een snor?’ Als ik in de zomer even naar de winkel wil, moet ik óf mijn zomerjurk verruilen voor een broek óf eerst mijn benen scheren,…

  • Columns

    Ik wilde u vragen om geld te storten op 12–12

    Ik wilde u vragen om geld te storten op 12–12, een samen­wer­kings­ver­band van hulp­or­ga­ni­sa­ties die in Afrika noodhulp leveren aan de miljoenen mensen die daar omkomen van de honger. Maar toen dacht ik: hoe doe je zoiets? Want je hebt de mensen die toch al geld geven, die hoef je niet te over­tui­gen. Die kun je hooguit helpen her­in­ne­ren: hallo! Wakker worden! Het gaat mis! Maar die anderen, die mensen die nog niet van zins zijn te geven, hoe bereik je die? Want ze hebben een veelheid aan redenen en ze hebben niet altijd ongelijk. Hoe overtuig je bij­voor­beeld de mensen die zeggen dat het de politiek is, die iets moet doen? Of zij die niet geloven in ont­wik­ke­lings­sa­men­wer­king? Wat moet je met het argument van strijk­stok­ken, waar geld aan blijft hangen? En dat je uit­ein­de­lijk niemand nog kunt ver­trou­wen? Waar te beginnen met de mensen die menen dat we eerst iets aan het klimaat moeten doen? En zij die zeggen moedeloos te zijn? En wat met de mensen die wijzen op Mosul en Lesbos. Die niet meer weten wié ze moeten helpen. En die vinden dat we boter op ons hoofd hebben, met onze luxe levens en onze eer­ste­we­reld­pro­ble­men.…

  • Columns

    De inge­sle­ten patronen van Maartje, tante Dien en Auto­han­del Rudy

    Er kwam zojuist een sms binnen van een vreemd nummer. ‘Met Auto­han­del Rudy’ stond er. ‘Wij aankoop van auto’s vier‐maal‐viers en cami­o­net­ten’. Ik las het bericht niet uit, maar ging terug naar het begin. ‘Mét Auto­han­del Rudy’. In een sms. Ik moest glim­la­chen, maar voelde me ook wat onge­mak­ke­lijk. Want die ‘Met Auto­han­del Rudy’ ver­te­gen­woor­digt alles waar ik ook moeite mee heb bij moderne com­mu­ni­ca­tie. Als ik iemand bel en diegene neemt op met ‘Hee Maartje!’ dan zeg ik uit pure onhan­dig­heid nog eens ‘Met Maartje’. Terwijl dat helemaal niet hoeft, de meeste mensen weten immers tegen­woor­dig dat ík het ben die belt. Waarmee elk gesprek begint met een moment dat ik het liefste nog even opnieuw zou doen. Waar­schijn­lijk kun je het beste zeggen: ‘Hallo.’ Of: ‘Hoi Wim’ – mits die persoon Wim heet natuur­lijk. Maar op de een of andere manier liggen die ope­nings­zin­nen mij niet zo goed. Het zal wel iets te maken hebben met de patronen die je als kind aan­ge­leerd krijgt. Bij mij was dat: als de telefoon gaat neem je op, dan zeg je je naam, en dan wacht je tot die ander zijn naam zegt. Ver­vol­gens groet je de beller. Daarom vind ik…

  • Columns

    De symfonie van brom, ruis, piep en tsjilp

    We hebben een brom in huis. Al maanden. Wanneer de brom is begonnen weet ik niet en waar de brom vandaan komt ook niet, maar de brom is tegen­woor­dig bijna altijd hoorbaar. Er zit een cadans in de brom: een ratel en een schraap wisselen elkaar rustig af. Op het ritme van de brom beweeg ik door mijn dagen. Ratel‐ratel‐schraap‐schraap. Voordat de brom er was, was er al een ruis. Die ruis is periodiek. Soms is de ruis er wel, soms ook niet. De ruis blaast een hogere toon dan de brom. Samen vormen ze de basis van een symfonie. ‘s Nachts is de ruis meestal stil, terwijl de brom dan gestaag verder bromt. Er is ook nog een piep, maar die piept alleen als er auto’s vanaf de rech­ter­kant voorbij komen, dus de piep is te overzien. In mijn hoofd gebeurt al erg veel, daar heb ik geen gehoor­de­cor bij nodig. Inte­gen­deel. Het liefste zou ik een auditieve clean‐desk‐policy door­voe­ren, waarop het nulpunt ‘stil’ is. Echt stil. Volkomen stil. Maar ik herinner me ondanks dertien ver­hui­zin­gen geen enkele thuis­ba­sis waar stil ook echt stil was. Toen ik net op mezelf woonde had ik geruime tijd een tsjilp. De tsjilp…

  • Columns,  Over natuur

    De impuls­aan­koop van een nieuwe iden­ti­teit

    Gis­ter­och­tend ontving ik een mail. ‘Beste Maartje, Hartelijk dank voor je inschrij­ving voor de Dagcursus Natuur­gids die start in september 2017.’ Ik schrok even. Natuur­gids? Ik? Maar toen wist ik het weer. Dit weekend stuitte ik tijdens een rond­hang­ses­sie op Facebook op een inten­sie­ve cursus natuur­gids. Na vijf minuten in dubio maakte ik het inschrijf­geld over. Daarna was de wer­ke­lijk­heid weer tus­sen­bei­de gekomen en vergat ik mijn nieuwe toekomst. Totdat ik de mail ontving. Ik … Natuur­gids … Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik in mijn leven iets doe dat me een nieuwe titel oplevert, dan duurt het enige tijd voordat de ruimte tussen mij en de nieuwe titel volledig is opgelost. Zo ging dat toen ik ‘kok’ werd, later bij de titel ‘jour­na­list’. en nog weer later toen ik me ‘schrijver’ ging noemen. Er was altijd het gevoel dat het over iemand anders ging als die termen gebruikt werden. Dat geldt ook voor de titel ‘natuur­gids’. De luis­te­raars die mijn Mid­dag­jour­naal van gisteren over de dode kikkers hebben gehoord, zullen begrijpen: er zit op zijn zachtst gezegd wat ruimte tussen mij en de titel ‘natuur­gids’. Toe­ge­ge­ven, ik heb niet alles tegen. Ik heb een grote…