Jaaroverzicht 2016

https://www.youtube.com/watch?v=y7dyFyxSZOg

 

Omdat mijn werk vrijwel alleen maar bestaat uit lezen en schrijven, probeer ik tijdens vrije dagen mijn letterconsumptie een beetje te beperken. Dan doe ik doorgaans dingen die ik minder goed kan, zoals websites maken, muziek, tekeningen, of een kruidentuin. Deze kerstvakantie besloot ik iets te doen met de 148 video’s die 2016 me had opgeleverd. In 2010 deed ik ook al eens zoiets en ik herinnerde me dat het bevredigend was om al je filmpjes uit één jaar nog eens te bekijken met een goede reden.

Het probleem is: ik kan niet alleen niet goed monteren, het materiaal dat ik mezelf aanlever is ook nog eens tamelijk waardeloos. Zo ben ik een ouderwetse staandbeeldfilmer, ik zie slecht waardoor ik bij bruine beesten in bruine natuur niet voldoende scherpstel. De iPhone-camera weet zich geen raad met 80 procent van de lichtsituaties en ik kan enorm slecht overweg met de iPhone-video-interface (zie het einde van dit filmpje) waardoor ik de beste beelden vaak net niet heb. Kortom: dit filmpje is een worsteling met alles wat ik niet kan. Geniet ervan.

Zet je geluid aan, je scherm groot en let goed op.

Everything she wants

Mijn oudere zus en ik kunnen inmiddels goed met elkaar overweg, maar dat is ooit anders geweest. Vier jaar verschil en een diametraal ander karakter leidden nogal eens tot slaande ruzies en uiteindelijk tot een ietwat vroeg vertrek mijnerzijds. Harmonieuze momenten bestonden bij ons uit op vreedzame wijze elk wat voor onszelf doen, want samen spelen was niet onze sterkste kant en onze ouders waren al dik tevreden als we elkaar niet verbaal of fysiek te lijf gingen. Echte vriendschap leek een optie uit het ongerijmde.

Ik was de jongste en tot mijn twaalfde de meest bedeesde en ik verlangde intens naar een connectie met mijn zus, maar wist bij God niet hoe ik dat aan moest pakken. Mijn leven bestond uit Monchhichi, lego en Kinderen voor Kinderen, haar leven bestond uit stiekem roken, oogpotlood en jongens. Daartussenin lagen vier onoverbrugbare jaren. Om haar terwille te zijn stelde ik me deemoedig op als we samen waren. Ik liet de koptelefoon afpakken, de afstandsbediening en de televisiegids, en ik keek en luisterde mee naar dingen die ik niet begreep in de hoop dat die vier jaar ineens vervlogen zouden zijn.

In eerste instantie moesten we alleen de audio-installatie en de tv delen, maar met de komst van de videorecorder was er nog een apparaat dat diplomatie en afspraken vereiste. Bovendien had mijn vader één videoband voor ons samen gereserveerd waarop we clipjes mochten opnemen. Dus stelde ik me opnieuw deemoedig op en protesteerde ik niet als zij clipjes van de lekkere kerels van Wham! opnam over mijn zo zorgvuldig opgenomen Greatest love of all van Whitney Houston.

Vorig jaar sprak ik met mijn zus over die tijd van die videoband. Ik vertelde dat het een van de weinige periodes was dat we samen dansjes instudeerden. ‘O ja?’ zei ze. ‘Dansjes? Daar kan ik me helemaal niets van herinneren.’ Ze wist nog wel van het steeds vooruitspoelen en scherp zetten voor weer een nieuwe clip, en van onze trofeeën: clips van Madonna, Wham! en Michael Jackson. En later: hoe trots we waren op de lange versies van We all stand together van Paul Mc Cartney en Thriller. Maar die dansjes, nee, die kon ze zich niet herinneren.
‘Weet je dan ook niet meer dat we samen urenlang het dansje uit Everything she wants hebben geoefend voor de tv?’
‘Nee’, zei ze.
Ik googelde de clip en zag ons weer staan op onze sokken op het krakende parket.

https://www.youtube.com/watch?v=Yf_Lwe6p-Cg

 

We wachtten. Pas op 3.35 kwam het dansje. Het duurde zeven seconden.
En nee, ze wist er echt niets meer van.

Zeven seconden. Een dansje van niks. Toen ik er langer over nadacht, realiseerde ik me dat onze woonkamer het helemaal niet toeliet om urenlang naast elkaar pirouettes te draaien. Een incidentele toer zou misschien nog goed af kunnen lopen, maar eindeloos om je as draaien met twee onstuimige lijven van 10 en 14? Nee.

Kortom: ergens in mijn hoofd waren zeven incidentele seconden, een onbeduidend ogenblik, uitgegroeid tot een wekenlange verbintenis tussen mij en mijn zus. Het had me vertrouwen gegeven, kracht, hoop en vriendschap. En het had me het vermoeden bezorgd dat het ooit zo kon zijn als het nu is.

Daar moest ik gisteren aan denken toen ik hoorde dat George Michael was overleden. Dat je dansjes in je hoofd moet verzamelen, tegen de klippen op. En dat je met iedereen kan dansen, wekenlang. En dat het ook als het niet waar is, altijd nog waar kan worden.

Lieve Janneke, ik hou van jou.

Bij het afscheid van twee andere muzikale helden schreef ik dit jaar ook iets:
David Bowie: Sweet thing
Prince: Op zoek naar Prince

Geen katachtige

Gang door, langs de dansvloer, trap op, zaal in, trap af, andere gang, andere zaal, omdraaien, terug, en dat steeds opnieuw. Ik kijk op mijn telefoon. 22:30. Negen uur reizen, meer dan honderd euro aan reis- en verblijfkosten en dan na twee uur weggaan? Kan dat? Ik denk aan al die keren dat ik op feestjes, concerten en evenementen door het gedruis cirkelde op zoek naar een nog leuker feest, concert of evenement. Paradiso, Roxy, Dansen bij Jansen, Melkweg, de AB, het Depot. Een leven lang langs hallen, wc’s en garderobes naar boven- of benedenzalen in de illusie dat om de volgende hoek de avond wél is zoals ik me had voorgesteld. Huisfeestjes: voorkamer, achterkamer, gang, keuken, tuin of balkon. Of Lowlands: van de Alpha naar de X-Ray, naar de India, naar de Charlie. Steevast op weg naar het gevoel waar ik op hoop, de gesprekken die ik droom en de mensen die exact passen in de illusies die ik over de gebeurtenis koester.
22:35. Welke kant loop ik op? De gang in en dan de trap op? En zo ja, welke trap? En zo nee, eerst naar het achterzaaltje? Of de dansvloer over? En waarom dan? Wat denk ik aan te treffen?
Ooit tekende ik in Artis een panter die in de uren dat ik toekeek ongeveer tweehonderd keer langs het hek heen en weer liep in de schijnbare hoop dat er onderweg iets zou veranderen. Ik had daar drie dagen buikpijn van. Maar ik ben geen katachtige, er is geen hek en even verderop is de bushalte.

Niet meer naar buiten

Als Wannes en ik niet uitkijken, zien we soms dagenlang niemand. Dan eten we twee weken uit de voorraad, halen we slechts een frisse neus in het uitgestorven park achter de tuin en laten we broodkruimels achter op sociale media ten teken dat we nog leven.

De afgelopen week was het weer raak. We hadden twee kansen om iemand te zien: 1. we gingen een kerstboom kopen en 2. we gingen een plumeau kopen. Bij kans 1 waren we in de Aveve. Het was een doordeweekse ochtend, waardoor het stil was in de winkel, want de rest van de wereld had andere verplichtingen. Met de uitverkoren boom naderden we de kassa, waar het ineens heel druk bleek. Er stond een lange rij en Wannes en ik sloten geduldig met kar en boom achteraan. Het kassameisje riep er nerveus een collega bij die op haar dooie akkertje aan kwam wandelen. ‘Ge moogt ook bij mij aansluiten’, zei ze in het voorbijgaan.

Omdat we achteraan stonden, maakten Wannes en ik geen aanstalten om van rij te wisselen. Maar toen er bij de nieuwe kassa uiteindelijk slechts twee karren aansloten en ik nog vijf karren voor ons telde, leek wisselen de enige juiste optie. Kom, zei ik tegen Wannes, en ik wilde nét schuin oversteken toen het echtpaar voor ons hetzelfde besloot. Ik zag pas dat ze hun winkelkar schuin hadden gezet toen ik al zowat in de andere rij stond. Na een blik op hun verbouwereerde gezichten zei ik: o, gaat u maar! Maar het was te laat, de man was rood aangelopen en maaide met zijn arm in mijn richting alsof hij wilde zeggen: nu hoeft het niet meer, kust toch mijn kloten! Ik maakte nog eens een gebaar om ze voor te laten, maar de man stond hoofdschuddend en met samengeknepen lippen te doen alsof hij het niet meer zag, terwijl hij me door zijn ooghoek nog steeds in de gaten hield. Dat bleef hij doen, terwijl ik opgelaten een kerstboom probeerde af te rekenen. De rest van de dag zag ik die witte samengeperste lippen en het kust-mijn-kloten-armgebaar in herhaling voorbij komen.

De volgende dag, kans 2, gingen we naar de Action om daar een plumeau te zoeken die ik jaren geleden zwart op wit aan iemand had beloofd. Ik vond de plumeau en wilde nog iets anders van een hoge plank pakken. Ik ging op mijn tenen staan, strekte mijn arm, pakte het product en liet mijn hielen weer zakken; op iemands teen. Ik schrok, keek achter me en zag dat een ongeduldige vrouw mij basketbalgewijs had omringd om op exact dezelfde plek ook iets van de hoge plank te pakken. Ik had haar teen onmogelijk kunnen vermijden, maar toch was zij degene die oogrolde, haar lippen op elkaar perste en mij een kwaaie blik toewierp, om mijn excuses vervolgens zó ostentatief te negeren dat ik mijn woorden het liefste met dezelfde ademteug weer had ingeslikt. Thuis had ik moeite om haar demonstratieve rug uit mijn hoofd te zetten.

In de krant las ik over boze witte mannen, onderbuikgevoelens en luisteren naar de mensen die vinden dat ze iets tekort komen. Ik opende de voorraadkast en zei opgelucht: ‘Liefje, we hoeven voorlopig niet meer naar buiten toch?’

A 30 Day Song Challenge

Op Twitter gaat er al een een tijdje een lijstje rond aan de hand waarvan mensen dertig dagen lang elke dag een nummer plaatsen op basis van een categorie.
Geduld, dat zijn de anderen, dus ik ga niet eens proberen die liedjes dertig dagen op te sparen, ik zet ze er in één keer op. Ik heb bij de video’s vooral gelet op twee dingen: 1. Is het wel de uitvoering die ik zo mooi vind? en 2. Is de geluidskwaliteit aanvaardbaar? Daarom zitten er filmpjes tussen met belachelijk beeld: gewoon niet op letten. Luisteren!

1. A song you like with a color in the title

Muse – Supermassive Black Hole

https://www.youtube.com/watch?v=LOb7ZlshY4Q

 

Ik maakte in 2010 een jaaroverzicht met dit liedje erachter gemonteerd (zie filmpje). Ik dreig vaak over Muse heen te groeien, maar de bombast is zo perfect dat het ondoenlijk is het lelijk te gaan vinden.

Spotify-linkje.
(meer…)

Uitgezucht en weggezucht

Normaal is het al lang niet meer, solidair zijn. In de jaren negentig, toen het gif van de neoliberalisering al werd geïnjecteerd maar de mensen zelf nog gewoon deden alsof barmhartigheid en medemenselijkheid vanzelfsprekend was, viel je nog niet in negatieve zin op als je uitgesproken solidair was met minderheden. Nu is dat anders, solidariteit wordt zonder al te veel scrupules in de kaartenbak onder ‘aanstellerij’ geschaard.

Solidariteit hoeft natuurlijk niet leuk te zijn, daarvoor is het te principieel, maar toen ik in de jaren negentig als journalist mijn eerste stukken schreef over structurele uitsluiting veroorzaakte dat zelden de kramp die ik nu aantref wanneer mijn stukken inleving in andere mensen vergen. Niet dat mijn lezers destijds erg enthousiast reageerden als ik met onderzoek blootlegde hoeveel uitsluiting er vooral op beleidsniveau gaande was, maar ik werd op een enkele kwaaie brief na zelden ‘uitgezucht’ op basis van mijn weinig opbeurende boodschap.

Tegenwoordig word ik voortdurend uitgezucht en weggezucht. Ik schreef er precies een jaar geleden een column over, dus dat aspect ga ik niet nog eens herhalen, maar neem van mij aan: de mensen zijn te moe voor openlijke solidariteit. Ze willen nog net op een fatsoenlijke partij stemmen en wat geld overmaken naar wat goede doelen, maar verder willen ze niet al te veel lastiggevallen worden met problemen die openlijke solidariteit en een zekere ongemakkelijkheid vereisen.

Ik doe het niet voor de lol, die problemen steeds opnieuw aansnijden, ik doe het omdat ik bang ben voor gezapigheid. Ik vrees dat we al Netflixend vergeten dat meegaan in de status quo een keuze is vóór het systeem zoals het nu is. Ik ben bang dat solidariteit langzaam gaat betekenen ‘het ten onrechte opnemen voor mensen die kennelijk niet voor zichzelf kunnen zorgen’.

Afgelopen maandag wond ik me enorm op over de berichtgeving over de vermiste meisjes die in Portugal bleken te zijn. Overal werd de afkomst van de man die zich in hun nabijheid bevond zonder enige aanleiding genoemd. Omdat het een goed journalistiek gebruik is te zorgen voor evenwichtige beeldvorming, besloot ik een soort zwartboek aan te leggen van voorbeelden van onvoorzichtige etikettering. Uiteraard omdat het mijn vak is, ik ben al 22 jaar bezig met journalistiek, diversiteit en beeldvorming, maar ook omdat ik het opvallend vind dat zo weinig mensen zich erover opwinden. ‘De 35-jarige Marokkaanse verdachte’ begint zo’n veelvoorkomende frase te worden dat het ons niet eens meer opvalt dat het er staat.

We weten hoe beeldvorming de wereld verandert, dit jaar meer dan ooit. En toch steunen weinigen mijn strijd voor evenwichtige beeldvorming. Mijn vrienden en kennissen laten zich met tientallen tegelijk horen als ik een foto plaats van mezelf in een opblaasbadje, maar als ik een beeldvormingsdiscussie opwerp blijft het verontrustend stil. Dan mag ik blij zijn als ik op Facebook en Twitter samen tot vijftien schouderklopjes kom.

Maar ik blijf het doen in de hoop dat solidariteit ooit weer een goed idee wordt, en in de hoop dat er in elk geval een paar mensen langer over nadenken dan ze anders hadden gedaan.

Voor mijn nieuwe site Stigmatiseren kun je leren, over stigmatisering in nieuwsverslaggeving: klik hier.

Na 96 uur debatteren

Eén ding had ik me voorgenomen toen ik het Zwarte Pieten-stuk schreef: het gaat niet om mijn gelijk, het gaat überhaupt niet om mij, het gaat om het bewustzijn dat er uitsluitingsmechanismen zitten in ‘kleinigheden’ als Zwarte Piet en dat een beetje omzichtigheid in collectieve uitingen dús op zijn plaats is.

Dat uitgangspunt – het gaat niet om mijn gelijk – had tot gevolg dat ik álle gesprekken aan moest gaan, het ging mij er immers niet om dat de verschillende groepen op een eilandje hun middelvinger naar elkaar zouden opsteken, maar dat er in de samenleving een vleugje bewustzijn doordringt van de problemen die stereotiepe beeldvorming oplevert. Dat doe je niet door te zeggen: ja doei, rot maar op met je andere mening, maar door zo open mogelijk het gesprek met elkaar aan te gaan. Er waren vier problemen bij dat open gesprek:

De Nederlanders

Er zijn veel Nederlanders onder mijn volgers die over het algemeen een veel beter, breder, langer en doorwrochter debat achter de rug hebben. Voor hen was mijn stuk een herhaling van zetten en ik denk zelfs dat ze de indruk kregen dat ik ter eigener eer en glorie nog eens een paar zetten terugging. Simpelweg omdat Nederlanders niet beseffen dat in Vlaanderen het debat over beeldvorming nog nauwelijks is begonnen.

De Vlamingen

Vlamingen zijn doorgaans geen debaters, in tegenstelling tot de Amsterdamse en Utrechtse kringen waarin ik de eerste dertig jaar van mijn leven doorbracht. Dat heeft tot gevolg dat er misschien wel veel mensen zijn die mijn mening delen, maar die laten zich vaak niet horen omdat ze niet betrokken willen raken bij de discussie. En als ze zich wel mengen, doen ze dat sneller achter de schermen, in de mail of in een privébericht. In Vlaanderen heb ik veel sneller het idee dat ik er alleen voor sta.

De retoriek

Een open gesprek met mensen die retorische valstrikken opzetten, is lastig. Proberen je punt te maken temidden van de ad hominems, glijdende schalen en manke vergelijkingen is frustrerend, voor je het weet ga je zelf mee in de schofferingen. Beleefd blijven tegen mensen die geen enkele moeite doen om beleefd tegen jou te blijven is een ware evenwichtsoefening. Twee keer heb ik de afgelopen dagen sarcasme met sarcasme beantwoord en twee keer had ik direct daarna al spijt.

De hoeveelheid

De reacties kwamen op talloze platforms binnen: twitter, twitter-dm, facebook, facebook-pm, mail, real life, de facebookpagina van De Standaard, de website van De Standaard en mijn eigen website. Omdat ik besloten had elk gesprek even serieus te nemen, moest ik een selectie maken. Ik kon immers niet honderden serieuze gesprekken tegelijk voeren. Daarom heb ik twee discussieplekken achterwege gelaten: de facebookpagina van De Standaard en de website van De Standaard. Op álle andere plekken heb ik waar mogelijk gereageerd met uitgebreide en genuanceerde antwoorden.

Inmiddels begint de stroom reacties op te drogen. Toen ik vanochtend wakker werd – dag 5 – lagen er nog maar vier berichten te wachten.

Mijn indruk na vier dagen heel intensief discussiëren is als volgt: onder mijn volgers en de lezers van De Standaard is het aantal mensen dat er ongeveer zo over denkt als ik iets hoger dan het Vlaamse en Nederlandse gemiddelde, gok ik. Maar de medestanders hielden zich veel stiller, waardoor mijn artikel zeker 90 procent negatieve of licht-negatieve reacties opleverde. Een overzichtje:

De starren

Je hebt de starre debaters die heel erg bezig zijn met traditie en ‘onze’ cultuur, of met ‘dan moeten die minderheden maar niet zo overgevoelig doen’ of met uitschelden, victimblamen, kleineren, discrimineren (‘ga terug naar je eigen land!’) en omdraaien (‘wij worden gediscrimineerd!’). Dat waren niet erg vruchtbare gesprekken, maar zelfs die correspondenties draaiden uiteindelijk wel uit op een rustig uitwisselen van argumenten.

De olie-op-het-vuur-verwijters

Je hebt de mensen die het in grote lijnen met me eens zijn, maar die door de hyperbolen in mijn stuk getriggerd raken en vinden dat ik door mijn ongenuanceerde houding olie op het vuur gooi. Die gesprekken liepen vaak met een sisser af omdat ik na mijn 850 woorden in De Standaard de ruimte nam om in heel veel extra woorden mijn hyperbolen toe te lichten.

De pick-your-battle-aanhangers

Die olie-op-het-vuur-verwijters overlappen deels met de pragmatische pick-your-battle-aanhangers: zij die vinden dat er belangrijkere problemen omtrent racisme zijn en er daarom geen bezwaar in zien kleinere problemen te bagatelliseren. Het mag duidelijk zijn dat ik dat wel problematisch vind.

De backlashers

Onder hen bevinden zich de mensen die van mening zijn dat types als ik de oorzaak zijn van de aantrekkingskracht van Trump, Dewinter en Wilders. Zij vinden dat we geen detailkritiek moeten leveren, omdat de populistenliefhebbers zich dan ‘om niks’ genoodzaakt zien hun vuilbekkende politici in het zadel te helpen. In die kringen vind je ook de mensen felle anti-racisten beschuldigen van het aanwakkeren van racisme. Al deze mensen wijzen naar een paradox die ik niet zal ontkennen, maar waarvan ik niet denk dat de oplossing ligt in de problemen van steeds dezelfde mensen bagatelliseren.

De ontkenners van identity-politics

Tot slot heb je de felle ontkenners van ‘identity politics’ die vinden dat mijn hele insteek een vergiftigd debat oplevert en die gruwelen van het discours van white privilege en white fragility dat ik in mijn artikel aansneed. Het moeilijke aan deze gesprekken was dat we uiteindelijk vaak wel hetzelfde doel nastreven (structurele uitsluiting een halt toeroepen) maar zij verafschuwen mijn analyse en ik snap niet waarom zij dit soort geprivilegieerdheid geen plaats geven in een ongelijkheidsdebat.

Of ik mensen heb weten te overtuigen van het belang van aandacht voor stereotiepe beeldvorming kan ik niet goed nagaan. Ik weet wel dat het debat in Nederland elk jaar een heel kleine verschuiving oplevert, richting meer bewustzijn en meer begrip voor de negatieve gevolgen van stereotypering (vergelijk 2013 met 2014 en 2015). Natuurlijk hoop ik dat de dialoog waar ik zojuist vier dagen aan besteed heb ook in Vlaanderen iets dergelijks teweegbrengt.

Twee dingen heeft mijn stuk zeker opgeleverd:

Steun

Steun aan mensen die niet of weinig gehoord worden. Elke keer dat ik stigmatisering en stereotypering aansnijd in mijn opiniestukken krijg ik brieven van mensen die blij zijn dat ik aan hun kant sta, of die opgelucht zijn dat ik hun gedachten heb verwoord zoals ze het zelf niet durven of kunnen. Opvallend vaak staat er iets als: ik probeer vaak aan vrienden uit te leggen waarom ik me gediscrimineerd voel, nu kan ik ze jouw stuk laten lezen. Dat lijkt me pure winst.

Dialoog

Een ding hoorde ik de afgelopen dagen erg vaak: ‘Ik heb zelden zo’n genuanceerde discussie gezien over dit onderwerp.’ En hoewel ik me goed kan voorstellen dat het geduld van de gediscrimineerden al tijden op is, denk ik dat het toch altijd daar om draait: dialoog, nuances, begrip, tijd. En hoeveel ik ook over me heen heb gekregen de afgelopen dagen, als er een opgelucht ‘wat is het gesprek hier open!’ klinkt, ben ik toch blij met hoe het is gegaan.