Een lokettiste die aan een envelop likt

Er is iets ouderwets aan België en vaak vind ik dat prettig; kleine dingen die voelen als vroeger. Niet alles is hier afgetimmerd met witte kunststofplaten, de belastingdienst heeft nog gewoon een klantonvriendelijke website als was het 1995 en Paars is hier pas kortgeleden verslagen. Drie maal daags wat nostalgie doet een mens goed. Niet alles hoeft zo hard te gaan.

Maar soms loopt het de spuigaten uit. Zo ook bij de dienst buitenlanders van de gemeente. Ik zal niet morren over het gebouw. Het is een klassiek, statig gebouw, zoals er in Leuven zoveel zijn. En dat de grijsgroene uitstraling van de kantoortuin-avant-la-lettre al drie keer retro is geweest, is ook niet van belang. Maar hoezeer ik ook geniet van een goeie gouwe ouwe op zijn tijd, je kunt het ook overdrijven.

Om te beginnen wordt de privacy bij de dienst buitenlanders gewaarborgd door her en der opgestelde schotten die mij doen denken aan de prikbordschotten waar ik in 1979 in de kleuterklas mijn zojuist uitgeprikte beeltenis van de provincie Drenthe op moest hangen. Kartonnen decorstukken die het mogelijk maken het relaas van eender welke bezoeker van de dienst woordelijk te verstaan, ook al omdat de wachtenden op nog geen anderhalve meter van de bureaus moeten plaatsnemen. Ik ken van elke allochtoon in Leuven inmiddels het verhaal.

En dan de inschrijving in het register: bij de dienst buitenlanders ben ik nog gewoon een mapje. Elk formulier dat ik invul, is een Worddocumentje dat wordt uitgeprint en dat vervolgens in mijn mapje belandt. Een mapje in een dossierkast, dat bij brand verloren gaat, dat per post naar Brussel moet, dat tussen de bordkartonnen schotten op bureaus slingert, dat met balpennen wordt aangevuld en met typ-ex wordt verbeterd.

In eerste instantie vond ik ook dát een warm bad van jeugdsentiment. Dat iets lang duurt, omdat er een postbode aan te pas komt, de geur van stempelkussens en carbonpapier en een lokettiste die aan een envelop likt. Maar dat kwam omdat ik vermoedde dat het allemaal maar schijn was. Dat ze als ik weg was, zou inloggen en het a4’tje zou overtikken in een grote database. Dat die ponskaarten en matrixprinters requisieten waren van een geslaagde toneelvoorstelling.

Maar die hoop viel aan diggelen toen ik mijn verblijfsvergunning kwam ophalen en de mevrouw achter het bureau zuchtend een enorm boekwerk met lijntjes ter hand nam. Met een onleesbaar handschrift krabbelde ze mijn naam, geboortedatum en rijksregisternummer in een stel kolommen die, als ik me niet vergis, met lineaal en balpen tot stand waren gekomen.
‘Wonderlijk dat u dat niet in een computer invult’, zei ik met veel gevoel voor understatement, terwijl ik toekeek hoe de dame in de kriebelige kolom van duizend handschriften mijn naam geweld aandeed.
‘Ja, dat kan niet in de computer naar Brussel, want als we al hún gegevens én die van ons daarin opnemen, dan gaat het allemaal door elkaar lopen’, zei de lokettiste met een stalen gezicht. Yuri en ik waren met stomheid geslagen.

Intussen ging de dame ijverig verder, tong tussen haar tanden en maar drukken op die bic. Toen ze aankwam bij de kolom ‘datum van inschrijving’ was het geval spuigaten een feit. In de datumkolom zette ze met een zwierige beweging: . Een idemteken.
Ik hapte naar adem en moest mijn best doen om niet de slappe lach te krijgen. Mijn bestaansrecht hier in Leuven was bij deze gekoppeld aan een kriebeldatum achter de onleesbare naam van de mevrouw die vanochtend als eerste een nummertje trok bij de dienst buitenlanders. En als die mevrouw door een omgevallen kop koffie uit de archieven zou verdwijnen, dan had ik wettelijk ook geen poot meer op te staan. Tenminste, zo voelde dat.

Toen ik buitenkwam met een kartonnen kaart met stempels, balpen en scheefgeprinte matrixletters viel mijn oog op de naam van het document: verblijfskaart van een onderdaan van een lid-staat der E.E.G..
Der E.E.G.. Een vleugje 1985 op een dag: okee. Maar je kunt het ook overdrijven.

(voor meer over de foutjes op deze kaart zie de reacties op dit stukje)