Mijn afscheid van maatje 36

‘Je kunt niet je hele leven maat 36 houden’, zei mijn moeder.
Slik.
Pardon?
Onzin natuurlijk. Dat kan wel. Maar je moet er wél wat voor doen. En ze kent mij. Het enige dieet dat ik ooit heb gevolgd, is dat ik soms besluit niet élke dag een Magnum te eten. Kortom: slik. Ze had gelijk.

Maar hee, zoiets heeft tijd nodig. Wat zijn ook alweer de fasen van het rouwproces? Ontkenning, erkenning, woede, verdriet, acceptatie, voltooiing? Zoiets? Welnu: seen it, been there, twee jaar lang. Nog maar vier jaar geleden had ik maat 34, dat was iets te dunnetjes voor mijn postuur. Nu jojo ik. Meestal is het 38/40, maar als ik veel joints (lees: vreetkicks) heb gehad, dan zit ik aan maat 42. Maat 36 is al in geen tijden voorgekomen. Met als gevolg dat mijn klerenkast tot de nok toe gevuld is met mooie dingen die in mijn ingewanden snijden als ik ze aantrek. Een cameltoe is bij mijn huidige garderobe nooit ver weg.

Kortom: er moest iets gebeuren. Ik moest nieuwe kleren, maar onze inloopkast, of beter gezegd: kamer met alleen maar kleren, barst uit zijn plinten als ik nog meer textiel aanschaf. Tegelijkertijd ben ik te arm voor een compleet nieuwe garderobe. O moeder, wat nu?

Yuri kwam met een idee. Hij was jarig en we hadden eigenlijk geen geld voor een feestje, maar we konden natuurlijk wel afdankertjes aanbieden in ruil voor booze. Dus iedereen met een fles drank mocht een kledingstuk naar keuze mee naar huis nemen. Daarmee sloegen we twee vliegen in één klap: we hadden een goedkoop feestje en we raakten van onze oude kleren af. Er was nog ’n derde vlieg, maar daar moet ik Yuri nog van op de hoogte stellen: het geld dat we uitspaarden aan de drank, kan het beste besteed worden aan mijn nieuwe garderobe. Me dunkt.

Anyway, het was een rauw afscheid. Ik stond voor mijn klerenkast en dacht bij alles: kan ik iemand anders in die broek zien lopen, zonder dat ik denk: daar had ik ook nog wel ingepast? Gun ik een ander het genot van mijn meest sexy spijkerbroek? Zou ik er écht niet meer inpassen?

Gelukkig kon ik me beheersen en heb ik de kleren niet meer gepast, dat zou een domper op de feestvreugde geweest zijn. Vervolgens hing ik de kleren keurig aan een hangertje in onze tijdelijke Tweedehands Winkel. Me, zo stoer!

Ik troostte me met het idee dat er mensen zouden komen die zelf met weemoed mijn maatjes 36 door hun handen zouden laten gaan. Ik troostte me met het idee dat niemand vermoedelijk iets zou willen hebben, mijn smaak is immers mijn smaak. En als dan toch helemaal niemand iets zou willen hebben, kon ik morgen gewoon nog eens proberen mezelf in maatje 36 te persen. Bovendien troostte ik mezelf met het idee dat ik stiekem nog wat maatjes 36 had achtergehouden.

Maar tot mijn grote verbazing liep het storm. Men griste broeken mee die ik met liefde had gedragen, en jurkjes waarin ik me de mooiste vrouw ter wereld had gevoeld. Men gaf toe dat sommige kledingstukken wel wat strak waren, ‘maar dat was juist mooi’. En dat is waar, verdomme. Zolang de cameltoe zich beperkt tot je ondergoed, is dat hartstikke waar. Kut.

Mijn geluksmoment kwam toen iemand mij zei: “Die spijkerbroek (mijn sexy spijkerbroek, ja! mijnnnn spijkerbroek) was heel mooi, maar ik paste er echt niet in.”
Yesssssss!

En nu vraag ik me dus af of afgunst ook een van de fasen in het rouwproces is. Of dat ik gewoon een slecht karakter heb.