De Uit­maak­zoen

Dit stukje verscheen als column op VPRO’s Café De Liefde.

Schets: We zitten aan een tafel in Rosa’s Cantina en laten het ons goed smaken. Het besluit is zojuist gevallen: we zetten er een punt achter. We hebben het gepro­beerd, het is niet gelukt. We zijn verleden tijd.

Na het eten zet ik hem af in zijn straatje aan het Von­del­park. We zwijgen even, zoenen lang en aan het einde van het liedje ga ik nog even mee naar binnen. We zijn verloren.

We zeiden nee, we deden ja, de story of my life. Meer dan eens bracht de uit­maak­zoen mij op andere gedachten. Niet de uit­maak­seks of de lange gesprek­ken aan tafel, maar de zoen die het einde van alles moest bezegelen. Die maakte het verschil.

Vaak met een fiets in de hand, een sleutel, zojuist terug­ge­kre­gen, brandend in m’n zak, en de blik gericht op een wazige toekomst van oneindig verdriet. De uit­maak­zoen is het toppunt van drama. Geen afscheids­brief, geen groet, geen ver­hui­zing kan tippen aan de emotie die je over­stroomt als je je geliefde voor het laatst op de mond zoent. ‘Dit was het dan’ in duizend zenuw­ba­nen gegra­veerd.

Maar de uit­maak­zoen is gevaar­lijk, want voor je het weet zit je in een vicieuze cirkel van con­clu­de­ren dat je het moet uitmaken – een uit­maak­zoen uitdelen – boem­klats­vuur­werk meemaken – in duizend zenuw­ba­nen gegra­veerd – toch weer mee naar binnen gaan – besluiten dat een uit­maak­zoen alleen niet voldoende is om de relatie te redden – con­clu­de­ren dat je het dus alsnog moet uitmaken – een uit­maak­zoen uitdelen – boem­klats­vuur­werk meemaken – in duizend zenuw­ba­nen gegra­veerd – enzovoort – enzo­ver­der.

Kortom: de uit­maak­zoen is een te‐vermijden‐zoen. Maar dat lukt mij dus zelden. Oké, oké, met weekendminnaars‐voor‐een‐paar‐maanden is dat regel­ma­tig gelukt. Dan was een zwaai in de deur­ope­ning soms heel gepast – alsof ik even iets had opgehaald bij een vriend, met als miniem verschil dat ik het in dit geval zojuist had uit­ge­maakt.

Maar bij de lange relaties – en dat is toch meer mijn ding – is er geen beginnen aan. Die eindigen altijd in een uit­maak­zoen. Daar staat de man met wie je maanden, nee jaren, je dagelijks leven en je lippen deelde en dan zou je met een high five jezelf en hem tot een einde moeten slaan? Of wat? Een knipoog, van o wat zijn we ver­stan­dig en onaan­ge­daan?

Misschien moet het zo, maar mij lukt het niet. In zulk soort situaties ben ik zeer onver­stan­dig en zeer aangedaan. En dan verlang ik met heel mijn hart naar een uit­maak­zoen – in duizend zenuw­ba­nen gegra­veerd. Niet als beves­ti­ging van ‘dit was het dan’, maar stiekem, in al mijn kleinheid, als spran­kel­tje hoop dat ik toch nog even mee naar binnen mag. Om het dagelijks leven en onze lippen nog héél even te delen.

Ik ben niet goed in afscheid nemen, dat blijkt. De uit­maak­zoen is voor mij dus zéker een te‐vermijden‐zoen. Heden ten dage doe ik dat door het simpelweg niet uit te maken. En dat kan ik iedereen aanraden.

Dit was het laatste stukje in de serie Zoenen met Zezoenja. Vanaf volgende week: Zezunja in Onmin.
Tot dan!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.