Tafeltje

‘Als u eenmaal ligt, mag u niets met uw handen uitleggen, want we gebruiken u als tafeltje.’
Ik knik. Mijn tong is te dik om de j van ja te zeggen.
De stoel zoemt en het bloed loopt naar mijn hoofd. De wereld op zijn kop. Daar had ik niet op gerekend.
‘Wilt u nog iets zien?’
Ik ken de tangen. Notenkrakers zijn het. Ik ken mijn kiezen. Daar mis ik niks aan. Ik schud mijn hoofd.
De wereld wordt blauw, het laken ruikt naar vluchtige stoffen. Als ik mijn best doe, kan ik langs mijn neus nog iets zien, maar ik wil het niet. Ze keilen tangetjes in mijn hals. Met mijn adamsappel kan ik ze laten rinkelen. De rechterarts legt haar elleboog in mijn contactlens. Ik wil roepen dat er een oogbol onder het laken ligt, maar in plaats daarvan knijp ik mijn oogleden toe.
Ze praten over me. ‘Heeft mevrouw [moeilijk medisch woord]? Hebben jullie mevrouw [moeilijk medisch woord] al voorgesteld?’ Op dertig centimeter van mijn oor doen ze alsof ik er niet ben. ‘Ja, maar dan moest mevrouw stoppen met roken en dat kon mevrouw niet.’
Ik wil mijn handen gebruiken, om te zeggen dat ik geen tafeltje ben en dat ik het misprijzen en de teleurstelling hóór. En of we even één ding tegelijk kunnen doen. Eerst de fysieke mishandeling en dan de mentale, of andersom voor mijn part.
Iemand trekt mijn mondhoek ruw opzij. ‘We kunnen dit ook doen. Dat kunnen we even vragen aan mevrouw.’
‘Ja, vraag maar.’
‘MEVROUHOUW?’ Hij roept. Alsof hij me door te brullen weer mens maakt. Alsof ik even niet langer een tafeltje ben.
Het onmogelijke gebeurt. Ik moet lachen. Mijn mondhoek scheurt.