Jaar­al­le­gaar – Die­ren­rijk­top­tien 2016

In 2015 verhuisde ik naar het die­ren­rijk. Ik ver­wacht­te een grote tuin en de daarbij behorende merel (iedereen met een boom in zijn buurt heeft een merel toch?) maar ik kreeg een wereld aan verschil.
In januari ver­huis­den we, in februari leende ik een ver­re­kij­ker van mijn vader en in maart noemde ik mezelf beginnend vogelaar. Maar vogels waren niet de enige dieren die ons ver­baas­den.

De tien die­ren­rijk­ste momenten van 2015

10. De valk­par­kiet

Aye!
Aye!

Al tijdens het schil­de­ren – we klus­rust­ten op het trappetje voor ons huis – kregen we in de smiezen dat we waren gear­ri­veerd in het die­ren­rijk. We spotten een aantal nummers van deze lijst, waaronder nummer 1 (ik verklap het maar vast: het is de eekhoorn) en omdat we nog niet wisten wat we mochten ver­wach­ten, vielen we van elke curi­o­si­teit in katzwijm (zie ook nummer 9). Toen er een grote gele vogel op ons hekje kwam zitten, waren we wel verbaasd, maar we dachten tege­lij­ker­tijd: och, dit huis heeft zoveel in petto, dit zal er ook wel weer bij horen. We pro­beer­den het beest van grote afstand te foto­gra­fe­ren, hielden onze adem in om hem maar niet weg te jagen, en zochten in de boekjes met tuin‐, bos‐ en wei­de­vo­gels naar een plaatje dat ook maar enigszins leek op deze grote gele vogel met oranje vlekken. Dat lukte niet. Toen we bezoek kregen van de zus van Wannes en haar Brady Bunch ging alles snel. Ze stapte op de vogel af, de vogel hopte op haar arm, bleek zo tam als wat en at binnen een beschuit­je met kaas. Het bleek een heel geschikte vogel om je even een piraat te wanen en dat was fijn. Bovendien was het gemak­ke­lij­ker googelen op een grote gele tamme vogel met een oranje vlek: het bleek een valk­par­kiet. Waar­schijn­lijk een ontsnapte.

9. De curi­o­si­tei­ten
Zoals ik bij nummer 10 al schreef: als je voor het eerst aan een gigan­ti­sche tuin en een domein gaat wonen, heb je geen idee wat je mag ver­wach­ten. Ik had bijzonder laag ingezet met die ene wensmerel, dus in het begin vond ik werkelijk álles een curi­o­si­teit. Maar na grofweg een jaar wonen en wennen weet ik wat ik mag ver­wach­ten. En ik weet dus ook wat echt opmer­ke­lijk is.
* De eekhoorn aan de straat­kant
Ik had het al verklapt: de nummer 1 van dit lijstje is de eekhoorn, maar dat is de eekhoorn aan de tuinkant, die in het paradijs. Er blijkt ook een eekhoorn aan de andere kant te zitten. Die zit in een smalle strook groen tussen het talud en de auto’s, aan een weg met typisch Vlaamse lint­be­bou­wing en veel te veel uit­laat­gas­sen. Ik weet niet of deze eekhoorn weet dat het paradijs zich aan de andere kant van de huizen bevindt, en ik weet wél dat eekhoorns nogal streng zijn in hun ter­ri­to­ri­um­ver­de­ling. Toch vind ik het een beetje een zielige eekhoorn, daar in die die­sel­walm, op steenworp afstand van het echte paradijs.
* De haan en de ezels van de kin­der­boer­de­rij
Een meter of 400 verderop is een kin­der­boer­de­rij, de geluiden die daar vandaan komen zijn natuur­lijk van totaal andere orde dan die van een tuin of een park. Daarom mogen de haan en de ezels onder het kopje curi­o­si­tei­ten. Omdat de kin­der­boer­de­rij zo ver is, horen we de dieren wel maar ruiken we ze niet, dat is een immens voordeel. Boer­de­rij­ge­lui­den zijn op deco­r­af­stand namelijk niet minder dan te gek.
* De pad aan de straat­kant
De pad aan de straat­kant is net zoiets als de eekhoorn aan de straat­kant: ik zou hem willen vertellen dat de wereld zo veel mooier kan zijn. Maar misschien komt de pad aan de straat­kant regel­ma­tig door de kieren in ons huis in de tuin en het park. Dus wie ben ik om hem advies te geven.
* De spin­sel­mot

Wat een spinselmot zoal vermag.
Wat een spin­sel­mot zoal vermag.

De spin­sel­mot rolde een pantykous om een aantal bomen in het park, in de pantykous zaten miljoenen rupsen. Het was mooi en een klein beetje vies.

8. Vlinders en zoemers

Mot.
Mot.

Ik woon aan een domein met dieren en dras­sig­heid, dus aan insecten geen gebrek. Ik had nooit veel met insecten, tót 2015, en ik weet precies hoe het komt: ik kwam dit jaar nooit twee keer hetzelfde insect achter elkaar tegen. Alles zoemde, kroop en fladderde dat het een lieve lust was, en toch bleef het leuk, omdat ik me steeds opnieuw kon afvragen: wat is dát nou weer voor een raar vlieg‐ of kruipding? Natuur­lijk waren er iets meer vliegen en muggen dan midden in de stad, maar zelfs die waren allemaal anders gevormd en anders gekleurd. Bovendien waren er ook veel meer vlinders, dus die kon je tegen elkaar weg­stre­pen. Mocht je behoefte hebben aan een opwaar­de­ring van het insect in het algemeen of een soort in het bijzonder: zorg voor eindeloze variatie en dan worden zelfs insecten te koesteren beesten.

7. De kleine vogeltjes

Kleine vogeltjes houden van begroei­ing, en onze tuin heeft veel te bieden, maar in wezen is het niet meer dan een veel te korte lan­dings­baan. Altijd ver zicht is de kracht van onze tuin, maar ook de zwakte, want door het karakter van de tuin zou elke vorm van hoge begroei­ing bela­che­lijk zijn, tenzij we die helemaal achteraan plaatsen, maar dat is 48 meter verderop. En een belang­rijk kenmerk van kleine vogeltjes is dat ze te klein zijn om van een afstand goed te bekijken. Kortom: voor kleine vogeltjes stelde onze tuin niet veel voor. Totdat er per ongeluk een boswilg naast het terras groeide en we daar tegenover een stel hoge zon­ne­bloe­men plaatsten. De uit­ge­bloei­de zon­ne­bloe­men en de boswilg met krie­bel­beest­jes blijken de perfecte klei­ne­vo­gel­tjes­ha­bi­tat. We hingen er nog een insec­ten­ho­tel en vet­bol­le­tjes, en nu is het een klei­ne­vo­gel­tjes­pa­ra­dijs. Al de hele herfst komen er elke dag vogeltjes foe­ra­ge­ren. Rood­borst­jes, win­ter­ko­nin­kjes, pim­pel­me­zen, zwarte mezen, kopmezen, koolmezen, staart­me­zen en put­ter­tjes (ook wel dis­tel­vin­ken genoemd). En dat allemaal op zicht­af­stand: hoera voor de kleine vogeltjes!

6. De spechten

Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik had tot nu toe niet zo veel spechten gezien in mijn leven. Wel gehoord, op vakanties of tijdens bos­wan­de­lin­gen, maar echt goed bekeken? Nee. Dus toen er begin vorig jaar een grote vogel in het grasveld zat te pikken, had ik geen flauw idee wat ik nu weer aan mijn fiets had hangen. Al bladerend in een vogel­boek­je kwam ik tot de conclusie dat het een bonte specht was. Het duurde even voor ik de bezoe­ken­de spechten op eigen houtje kon herkennen, want voor spechten geldt: de groene specht is niet groen maar geel, wit en rood en de bonte specht is nau­we­lijks bont, want gro­ten­deels zwart‐wit met een klein beetje rood. Kijk, ik wil best vogelaar worden, maar in geintjes heb ik eigenlijk niet zo’n zin. Hoe dan ook, het is fijn om vanuit je bed het getik van spechten te horen en vanuit je raam te zien hoe ze regen­wor­men en enger­lin­gen* uit het gras omhoog trekken. Hulde voor de spechten.

5. Over­vlie­gers

Er vliegt hier altijd wel iets over of langs. De meeste over­vlie­gers zijn usual suspects, zoals duiven, eksters, kraaien, mussen, merels, mezen en meeuwen. Maar een groot voordeel van aan een park aan de rand van de stad wonen is dat je met eli­te­vo­gels te maken hebt. In de stad vinden de sukkels onderdak (dat is echt waar!). En eli­te­vo­gels kunnen goed schoon­vlie­gen en for­ma­tie­vlie­gen, ze  zijn niet gehavend en ze lijken ook iets slimmer. Veel sta­tis­ti­sche toppers zijn dit jaar dus door een opwaar­de­rings­bad­je in mijn hoofd gehaald. Zo wil ik graag een lans breken voor de vlieg­kwa­li­tei­ten van de duif: echt hoor, er is geen vlucht die er relaxter uitziet dan die van de eliteduif. Flap­flap­flap en zweven maar.
Maar bij de over­vlie­gers wil ik een apart halleluja richten tot de water­vo­gels. Wij Amster­dam­mers zijn wat water­vo­gel­bla­sé. Eenden, meer­koe­ten, water­hoe­nen, reigers: we kijken er allemaal niet erg van op. Maar ganzen heb je niet veel in de stad, en dus houd ik mijn adem in als ik een V‐formatie zie en hoor: niks mooier dan het gesuis van veertig gan­zen­vleu­gels.

V-formatie
V‐formatie

Nu wil het toeval dat er achter ons huis kleine en minder kleine meertjes zijn die het hele jaar door water­vo­gels trekken. Ik zie dus dagelijks groepen eenden, ganzen, zwanen en aal­schol­vers over­trek­ken en ik hoor regel­ma­tig V‐formaties langs suizen. Voor water­vo­gels geldt: hoe suk­ke­li­ger ze vliegen hoe beter, want dan hoor je ze van ver aankomen. Een soe­pel­tjes vliegende aal­schol­ver is minder leuk dan de onhandige capriolen van een eend. Het geploeter van een vliegende zwaan hoor je van zo ver komen dat je ruim op tijd met je camera klaar kunt staan. Ideaal!

4. De concerten

De eerste maanden van het jaar waren de concerten beperkt tot het Miles Davis‐achtige getoeter van de meer­koe­ten in de vijver achter onze tuin, het amechtige gepiep van de water­kie­kens die door de gras­vel­den stapten en het opge­won­den gesnater van de eenden die de vijver met elkaar deelden. Daar was ik al enorm verguld mee: elke dag wakker worden met een stemmig bla­zers­en­sem­ble.
Tot we in een april een andere kwaak hoorden, geen een­denk­waak maar een kik­kerk­waak. En nog een, en nog een, en nog een. Uit­ein­de­lijk hoorden we tot begin oktober elke nacht honderden kikkers samen kwaken. Nu ik het opschrijf snap ik eigenlijk niet dat ik dit niet de nummer 1 van het lijstje heb gemaakt.
We hebben nog veel meer concerten die ik niet allemaal uit­ge­breid zal beschrij­ven, zoals mug­gen­con­cer­ten, ekster­con­cer­ten, merel­con­cer­ten, mus­sen­con­cer­ten en zwa­nen­paar­con­cer­ten, dus auditief kwam ik hoe­ge­naamd niks te kort dit jaar. Leve de kikkers en de water­vo­gels!

3. De aal­schol­vers

Ik schreef al dat Amster­dam­mers niet zo snel onder de indruk zijn van water­vo­gels, maar nog veel meer dan ganzen vormen aal­schol­vers een uit­zon­de­ring op die regel. Ik had ze wel eens gezien als ik een rondje Ronde Hoep fietste, maar zo zelden dat ik ze maar net wist te herkennen (of net niet). Toen we aan het begin van de winter aan het iets grotere meertje achter de tuin ineens een stuk of vijftig zwarte vlekken in een boom zagen, was ik in de ver­on­der­stel­ling dat we met een gemu­teer­de kraai­en­soort te maken hadden, tot ik dich­ter­bij kwam en het warempel veertig aal­schol­vers bleken. Sommige met hun vleugels open, andere gebroe­der­lijk ineen­ge­do­ken op een tak. Ik herinner me dat Wannes en ik minu­ten­lang met onze mond open hebben staan kijken. Zóveel aal­schol­vers bij elkaar.

Aalscholvers in de boom.
Aal­schol­vers in de boom.

En hoewel we eraan gewend raken, al die aal­schol­vers, blijft het na een paar maanden nog steeds een lust voor het oog: vissende aal­schol­vers, vliegende aal­schol­vers, slapende aal­schol­vers, drogende aal­schol­vers. En wat ook bijzonder is, ze blijven gewoon zitten en rusten als er een ploeg van 100 kauwen om ze heen komt jauwen. Dat drogen van die vleugels lijkt me een onhandige feature, maar voor het overige: ik opteer bij dezen voor een weder­ge­boor­te als aal­schol­ver. Zie ik er ook gelijk beeld­schoon uit, met mijn fas­cis­ti­sche staart­vorm.

2. De padden

Een pad in een gat.
Een pad in een gat.

We wisten al dat we padden in de kelder zouden hebben, en dat vond ik een mooi extraatje, maar de eerste maanden lieten ze zich niet zoveel zien. Ik was toen ook vergeten dat padden een win­ter­slaap hielden, dus ik hield mijn hart al vast, ze zouden toch niet met de vorige bewoners van ons huis weg­ge­trok­ken zijn? Maar in het voorjaar zag ik de eerste pad door de kelder schar­re­len, en later nog een paar op het terras, en na een paar fikse voor­jaars­bui­en zagen we ineens tien­tal­len padjes over ons terras hoppen.

Padjes.
Padjes.

De hele zomer door kropen er voort­du­rend padjes in je gezichts­veld, zelfs bij grote hitte, zelfs bij extreme droogte. En ik wist niet dat het kon, maar het kan: ik was de hele zomer ontroerd door het wel en wee van de pad­den­ko­lo­nie in de tuin. Ik was er zelfs kapot van toen ik wat gruis bij een rotte kel­der­muur wegzoog met de stof­zui­ger en er een pad weghupste: ik had zojuist zijn huis opgezogen. Drama.

1. De eekhoorn

Ik denk dat het ‘t playing‐hard‐to‐get is dat de eekhoorn zo onweer­staan­baar maakt. Een eekhoorn is schuw, vaak voor dag en dauw op pad en het is ook nogal een efficiënt beest, dus als het niet nodig is, laat hij zich niet zien. Als je hem dus wél ziet langs klauteren dan voelt dat als een over­win­ning van heb ik jou daar. Je kunt ze alleen in het voorjaar en najaar spotten, in de zomer zie je ze niet door de blaadjes aan de bomen. Tijdens het schil­de­ren in januari zag ik hem voor het eerst, trip­pe­lend van rechts naar links in de bomenrij achter het huis. Ik weet nog dat ik dacht: mocht dit huis nadelen blijken te hebben dan is er alvast één voordeel dat bijzonder veel goedmaakt: we hebben een EEKHOORN in de tuin. Nu, een jaar later, blijkt dit huis heel weinig nadelen te hebben, dus er valt niet veel goed te maken, maar het caps lock‐gevoel blijft: WE HEBBEN EEN EEKHOORN!

* enger­lin­gen: mooiste nieuw geleerde woord van 2015

2 reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.