Als ik minister Homans was

Soms stel ik me voor dat ik minister Homans ben. Dat ik in de frontlinie vecht voor een partij die de retorische pijngrens voortdurend tart, terwijl ik intussen minister van Gelijke Kansen moet zijn. En hoewel ik een lenig lijf heb, is de spagaat die ik moet aannemen wanneer ik me inbeeld dat ik minister Homans ben er een waarvan mijn spreekwoordelijke liezen scheuren.
Want hoe combineer je dat? Het boegbeeld zijn van de Partij van Angst en Beven en tegelijkertijd strijden voor gelijkheid? Wat doe je als je partij van je verwacht dat je meedraait in de cyclus van Moederdag- en kerststalhetzes, terwijl jij juist medeverantwoordelijk bent voor het wegnemen van vooroordelen en de gevolgen daarvan?

Als ik minister Homans was, zou ik er niet van slapen. De pijn in mijn liezen en de hypocrisie zouden me wakker houden, mijn hoofd zou tollen van de tegenstrijdigheden. Mijn partij koppelt migratie om de haverklap aan onwettelijkheid en een gebrek aan aanpassing, welwillendheid en respect, terwijl ik als opperbevelhebber van het antidiscriminatielegioen campagnes tegen vooroordelen lanceer. Wat zullen de mensen wel van me denken? Zouden ze me nog geloven? Zouden de gediscrimineerden zich nog serieus genomen voelen?

Al draaiend in bed zou ik mijn zelfrespect verliezen, want als minister van Gelijke Kansen zou ik me verdiepen in de literatuur over ongelijkheid, vooroordelen, beeldvorming, machtsverhoudingen en sociale uitsluiting. Zodoende zou ik weten dat negatieve stereotypering aan de basis ligt van veel vormen van ongelijkheid en ik zou het niet kunnen verkroppen dat juist mijn geestverwanten en ik die schadelijke beeldvorming nog eens aandikken.

Ik zou mijn partijgenoten midden in de nacht whatsappen: ‘Theo, ik heb er nog eens over nagedacht, je moet niet dag in dag uit twitteren over moslimterrorisme, veroordeelde illegalen en opgesloten migranten. Als staatssecretaris voor Asiel en Migratie ben je ook verantwoordelijk voor evenwichtige beeldvorming. Denk eraan!’ Met kleine oogjes van slaaptekort zou ik vervolgens een berichtje sturen naar de socialemediaredacteur van de partij: ‘Hela, de hele Facebookpagina van de N-VA vullen met berichten over terroristen, mensensmokkelaars, islamleraars zonder diploma en een bedreigde Moederdag is eenzijdig en onzinnig. We hebben een voorbeeldfunctie!’ Een diepe geeuw onderdrukkend, zou ik ten slotte op een post-it noteren: ‘Morgen: berichtje Zuhal en Bart.’

Na een kop warme melk zou ik opnieuw een slaappoging wagen, maar bij het in bed stappen zouden mijn liezen wederom protesteren tegen de spreidstand. Want ik zou me herinneren dat ik dinsdag de campagne ‘Zit u hier voor iets tussen?’ tegen vooroordelen lanceerde. Een campagne waarmee ik duidelijk wil maken dat wie weleens vooroordelen uit, moet beseffen dat het allemaal niet zo onschuldig is. Maar diezelfde dag bleef ik akelig stil toen de ondervoorzitter van Jong N-VA de wereld schokte met een seksistisch, xenofoob verkrachtingsplaatje (DS 16 mei). Terwijl dat een prima moment was om te laten zien hoe je dat doet, vooroordelen in eigen kring bespreekbaar maken. Ik zou me benard voelen, ik zou liggen woelen en in mijn hoofd zou het echoën: Liesbeth! Practice what you preach!

Ik zou in arren moede dan maar rechtop gaan zitten, en bij het schemerlicht van het lampje op mijn nachtkastje zou ik mijn bijdrage aan de negatieve beeldvorming glashelder voor me zien. Hoe ik de afgelopen jaren hamerde op het verfoeilijke pamperbeleid waarmee allochtonen in de zetel blijven zitten, hoe ik onderstreepte dat racisme aankaarten vaak vooral een excuus is van mensen die het eigen falen willen verdoezelen. Hoe ik volkomen voorbijging aan machtsverhoudingen door bij werkelijk elk interview iets te zeggen in de trant van ‘ja, maar omgekeerde discriminatie is ook heel erg’ of ‘ja, maar mensen zonder migratieachtergrond worden ook gediscrimineerd’.

Bij het ochtendgloren zou ik me hebben vastgedraaid in de enige vraag die me nog zou resten als ik minister Homans was: zouden ze het doorhebben? De vrijblijvendheid en dubbelhartigheid van wat ik doe? Na een slapeloze nacht zou ik beseffen dat ik misschien wel de slechtste pleitbezorger van de gelijkheidsstrijd was. En met lucifers tussen mijn oogleden zou ik aan mijn ontslagbrief beginnen. ‘Beste mensen, dit is niet te doen. Niemand gelooft me nog. Het is allemaal te gratuit. Ik stop ermee.’

Deze column verscheen vrijdag 19 mei 2017 in De Standaard.