Het taboe op donker haar

Stelt u zich voor: een lichamelijk ongemak dat uren van je tijd kost, dat honderden euro’s per jaar in rook doet opgaan, dat met enige regelmaat pijn, jeuk, bloed of uitslag veroorzaakt en dat je soms aan huis gekluisterd houdt. Ocharme, denkt u: het dutske heeft een ernstige ziekte.

Maar neen, het is het verhaal van de meeste vrouwen met donker haar en een hoog aantal haarzakjes per vierkante centimeter, het is het verhaal van de vrouw die ophield met scheren en daarmee de krant haalde (Blogster scheert zich al een jaar niet meer, DS online 16 april) en het is mijn verhaal. Wat begon met een kleuter die door de klas riep dat ik een baardaap was, is bijna veertig jaar later uitgedraaid op een situatie waarin ik me koortsachtig afvraag wat ik mezelf aandoe.

Ik weet wel wat ik mezelf aandoe als ik géén inspanning lever. Dan roepen de mensen jongensnamen naar me. Ze staren, fronsen, walgen en ze stoten elkaar aan. ‘Haha, heb je die gezien!’ ‘Papa, waarom heeft die mevrouw een snor?’ Als ik in de zomer even naar de winkel wil, moet ik óf mijn zomerjurk verruilen voor een broek óf eerst mijn benen scheren, tenzij ik zin heb in commentaar van vreemden.

Als ik elke dag van het jaar een cultureel aanvaardbaar lichaam zou willen hebben, dan zou dat rond de 150 uur arbeid en 500 euro per jaar kosten, en ik zou alle zeilen bij moeten zetten om mijn gevoelige huid onbeschadigd mee te laten lopen in een strikt ontharingsregime. Dat kan ik niet opbrengen, dus volg ik een zwalkstrategie. Mijn armen en wenkbrauwen laat ik naturel, mijn schaamstreek wordt gedirigeerd door transpiratie, menstruatie en relatie, en mijn oksels en benen doe ik seizoensgebonden, want bij drie keer in de week scheren is dat zo’n 75 vierkante meter per jaar en ik heb wel wat beters te doen. Mijn bovenlip en kin ten slotte houd ik bij wanneer ik te veel stoppels voel en dat is elke drie dagen.

Dit klinkt allemaal heel bedachtzaam, alsof ik zelf kies wanneer ik wel en niet onthaar, maar in werkelijkheid is het de autonomie van de ­pleaser; het is systeembevestiging in optima forma. Ik ben zo’n vrouw die lang heeft gezegd: ik vind een kaal been zélf gewoon mooier! Maar is dat wel waar? Als ik mijn been naast dat van mijn man zet, dan hebben we ongeveer evenveel haar. Toch vind ik dat hij een prima been heeft, terwijl mijn been mijn goedkeuring pas kan wegdragen na een fikse scheerbeurt. Heeft dat nog iets met mooi te maken? Of is het de schaamte die volgt uit wat me is aangeleerd mooi te vinden?

‘Ik vind een monobrauw onverzorgd’, schreef een andere vrouw laatst naar me. Ze had me nog nooit gezien, dus ze wist vermoedelijk niet dat ik een stuk of zes haartjes boven aan mijn neusbrug heb die mijn twee wenkbrauwen met elkaar verbinden. Toch betrok ik het op mezelf: ben ik door die paar haartjes inderdaad onverzorgd? ‘Onverzorgd’ heeft naar mijn mening met vies en verwaarloosd te maken, niet met smaak of mooi. Is het been van mijn man vies en verwaarloosd? Nee. Waarom het mijne dan wel?

Ik ben enorm teleurgesteld in mezelf dat ik de ultieme consequentie van deze column niet zal trekken. Dat ik een lafaard ben die de aangeleerde schaamte als obstakel accepteert. Als ik straks nog even naar het zwembad wil, zal ik me afvragen: wil ik eerst een uur douchen en scheren, voor ik ga zwemmen? Vaak is het antwoord nee en dan ga ik dus maar niet. Als het antwoord ja is, dan zal ik me onderwerpen aan het regime en gewapend met messen mijn arbeidsuren draaien.

Het moge duidelijk zijn: met mij gaan de donkerharige vrouwen de oorlog niet winnen. Maar misschien wel met u, want u zou kunnen besluiten een einde te maken aan body­shaming in het algemeen en het pesten van vrouwen met lichaamsbeharing in het bijzonder. Als u ophoudt met commentaar te leveren op harig vrouwenvel, dan durf ik misschien voor ik doodga nog eens spontaan naar het zwembad of naar de winkel. Ik kan me er niks bij voorstellen, maar ik gok dat zoiets heel aangenaam is.

Deze column verscheen op vrijdag 21 april 2017 in De Standaard.