Ik hou van jullie

Van­och­tend had ik een discussie op Twitter. Het was zeven uur, mijn koffie stond koud te worden naast mijn scherm, en terwijl mijn vingers over het toet­sen­bord raasden, dacht ik aan de ochtenden vroeger, toen ik mijn afkeuring nog tegen de krant prevelde, en mijn gebrom slechts werd opgemerkt als er toevallig nóg iemand aan de onbijt­ta­fel zat. Aangezien de meeste mensen met wie ik mijn ontbijt deelde redelijk gelijk­ge­stemd waren, leidde mijn gemie­ze­muis zelden tot een och­tend­lijk debat.

Maar in het huidige tijds­ge­wricht heb ik dus nog voor het och­tend­glo­ren menings­ver­schil­len over jar­en­der­tig­taal, de ver­ant­woor­de­lijk­heid van links en de effec­ti­vi­teit van emoties.

Veel mensen hebben mede om die reden een hekel aan sociale media. Het zou pola­ri­se­ren, het zou de wereld verharden en het zou de mensen navel­staar­de­rig maken; nog slechts geïn­te­res­seerd in de haren op de arm van hun selfie.

Hoewel ik die effecten niet ontken, hoor ik niet bij die mensen. Ik heb geen hekel aan sociale media. Inte­gen­deel. Ik denk niet dat ik ooit zóveel geleerd heb als de afgelopen tien jaar op Twitter en Facebook.

Vroeger leerde ik door te studeren, door de krant te lezen, boeken, tijd­schrif­ten. Door naar actualiteitenprogramma’s te luisteren en te kijken, en door te praten met de mensen om mij heen die naar dezelfde actualiteitenprogramma’s luis­ter­den en keken. Ik leerde daar veel van, zeker, maar ik leerde traag en inef­fi­ci­ënt. Nu leer ik de hele dag door, met een ongezien scala aan opties. Ik word geat­ten­deerd op stukken in bui­ten­land­se kranten, ik zie ver­fris­sen­de docu­men­tai­res die ik anders geen blik waardig had gekeurd, ik word bij­ge­praat over onder­wer­pen waarvan ik voorheen niet besefte hoe belang­rijk ze waren, en honderden mensen houden mijn gedachten scherp door kant­te­ke­nin­gen te plaatsen bij mijn meningen, emoties of analyses.

Natuur­lijk zijn er zeikerds en zuigers, schelders en schoften die je met hun drog­re­de­nen en schut­ting­taal om de oren komen slaan. Maar daar zijn knopjes voor, waarmee je ze zacht kunt zetten. Of uit. In die zin is er niet veel veranderd ten opzichte van vroeger: aan het ontbijt duldde ik ook geen zeikerds, zuigers, schelders en schoften.

Ik zeg niet dat iedereen deze manier van zelf­stu­die zou moeten ambiëren, want ik kan me best voor­stel­len dat je niet graag vertoeft in een bibli­o­theek met een hoog stoor­zen­der­ge­hal­te, hoe imméns die bibli­o­theek ook is. En een groeps­ge­sprek of een inte­res­san­te lezing waarin je soms kordaat een saboteur moet bui­ten­smij­ten, is ook niet ideaal. Dat begrijp ik allemaal.

Maar als je afgeeft op sociale media, ga je voorbij aan mensen zoals ik, die vroeger maar de helft wisten van wat ze nu weten, en die in plaats van te brom‐beren boven hun krant, de dag beginnen met een goed gesprek over dingen die ertoe doen, met mensen die ertoe doen, in een wereld die ertoe doet.

Eén reactie

  1. Esther

    Ik ben juist heel blij dat ik al die prikkels niet meer heb. Gesprek­ken heb ik de hele dag door en inter­ac­tie ook, er is geen ruimte in mijn hoofd voor een digitale versie daarvan. Uit­ein­de­lijk is het heel per­soon­lijk, voor mij is het in elk geval te druk en te veel info.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.