Stukjes in het wild

Gespe­cu­leer

Eer­gis­te­ren liep ik door het bos en stapte ik bijna op een pad. Sindsdien denk ik om de paar uur even aan hoe dat hád kunnen zijn. Want ik had echt een stevig tempo, zo’n de‐paden‐op‐de‐lanen‐in‐tempo, met zwaaiende armen en een vast­be­ra­den trek om mijn mond. En ik mag dan niet veel wegen, voor een pad is het algauw te veel.
Het was een wonder dat ik hem zag, want hij leek nog het meeste op een afge­val­len blad. Op een paar cen­ti­me­ter van zijn freeze plantte ik mijn voet, en toen ik uitriep ‘hee, een pad!’ sprong hij weg met zo’n onbe­hol­pen pad­den­sprong.
Het is een slechte gewoonte om van dingen die wel goed afliepen te bedenken hoe het zou zijn geweest als dat niet zo was. Ik voel de bobbel onder mijn schoen, ik beleef levendig het moment dat ik erop ga staan, totdat er iets moet gebeuren met die bobbel. Wat gebeurt er met een pad waarop je gaat staan? Knapt hij uit elkaar? Wordt hij uit­ge­smeerd? Of geeft hij mee? Als een Nike Air‐bounceje?
Ik ben blij dat ik het niet weet, maar ook weer niet, want dat gespe­cu­leer de hele dag is ook niet alles.

Beeld: pad uit Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant (ca. 1235‐ca. 1300)

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.